Jammer dat u niets bent!
'Het is een heel aardige vrouw, ze is van een gereformeerde gemeente, stokdoof en al 97.' Zo werd mij haar komst in het zorgcentrum voor ouderen aangekondigd door een medebewoonster. Het kwam er in een adem uit, maar het leek me niet dat deze gegevens veel met elkaar te maken hadden. Ondertussen had ik al enige informatie, voordat ik mijn eerste bezoek aan haar bracht. De mond-tot-mondlijn gaat veel sneller dan de officiële papieren ... Het duurde nog veertien dagen, voor ze verhuisde. Toen ging ik met haar kennismaken.
De gegevens van mijn informant klopten precies. Ze was inderdaad hartelijk, al snel vertelde ze dat ze tot een gereformeerde gemeente behoorde en ... ze was inderdaad erg hardhorend. Van dat laatste had ik de meeste hinder. We kwamen toch tot een gesprek.
Ze vertelde waar ze gewoond had, hoelang het geleden was dat haar man stierf, dat ze geen kinderen hadden gekregen en dat ze op doktersadvies nu was komen wonen in 'onze hof'. Haar kamer vond ze mooi en de verzorging prima.
Van mijn kant vertelde ik iets over mezelf, vooral gaf ik het kader aan waarin ik haar kwam opzoeken. Een pastorale commissie met 'aan het hoofd' een predikant en verder bestaande uit vrijwilligers, mannen en vrouwen die de bewoners met een zekere regelmaat bezoeken met de bedoeling te komen tot een pastoraal gesprek. 'Bent u dominee?' vroeg ze. En ze inspecteerde me van onder tot boven. 'Nee hoor', zei ik. 'Ouderling dan?' 'Ook dat niet.' 'Tjonge', zei ze veelbetekenend. Ondanks haar duidelijke aarzelingen kregen we toch een goed gesprek.
Wist ik het maar zeker ...
Al vlug kwamen we op persoonlijke geloofsvragen. Ze was daar heel open in. 'Weet u wat het is, ik heb geen zekerheid, ik heb wel hoop, maar dat is niet genoeg. Wist ik het maar zeker ...' Voorzichtig heb ik naar voren gebracht dat de zekerheid niet uit onszelf komt, maar veel meer een vast vertrouwen is op Gods Woord en beloften in de geest zoals de Heidelberger Catechismus daarover spreekt in zondag 7, vraag en antwoord 21. We hebben samen ook opgeslagen Hebreeën 6, waar de schrijver van dit bijbelboek in vers 18 en 19 de hoop vergelijkt met een anker.
'Vaster kan het toch niet? Een anker houdt een groot schip op zijn plaats', opperde ik. 'Dan liggen hoop en geloof heel dicht bij elkaar,' was haar bescheid. 'Iets dergelijks heb ik ook wel eens bij Brakel gelezen, meen ik. Maar om dat mezelf toe te eigenen, dat is zo moeilijk.'
Ons toch wel indringende gesprek hebben we afgesloten met nog een keer enkele verzen te lezen en samen te bidden.
Wat jammer!
Het amen van het gebed was nog nauwelijks verklonken, of ze reageerde: 'Wat jammer dat u niets bent.' 'Niets bent?' 'Nou, geen dominee, geen ambtsdrager, bedoel ik ... U hebt een snaar geraakt bij me en uw gebed was zo mooi ...' Ik kon het niet helpen en schoot zachtjes in de lach. Haar uitspraak deed me denken aan een neefje van me, dat vele jaren geleden als klein jongetje meer dan eens te horen kreeg van zijn moeder: 'Laat oom en tante (of opa) eens horen hoe mooi jij al bidden kunt, Kees!'
Serieus ben ik op haar opmerking ingegaan en heb geantwoord: 'Maar mevrouw, je hoeft toch geen ambtsdrager te zijn om een goed woord van God en de Heere Jezus te spreken? We hebben toch zoiets als het ambt van alle gelovigen? Daar spreken de belijdenisgeschriften toch ook over?'
Ze dacht even na en zei: 'Dat is in onze gemeenten misschien wel eens wat onderbelicht, ik weet niet hoe dat bij u in de Hervormde Kerk is.' 'Hetzelfde denk ik, wij hebben als kerken misschien wel te veel nadruk gelegd op de dominee en de ambtsdragers, en dan met name de ouderlingen. Maar de opdracht om getuige van Christus te zijn, geldt allen die in Zijn Naam geloven.' Ze knikte.
In de hope des eeuwigen levens
Enkele keren heb ik haar nog bezocht. Goede gesprekken hadden we en ik had de indruk dat ze steeds meer van zichzelf af leerde zien en meer en meer op de Heere haar vertrouwen - zij het schoorvoetend - ging stellen.
Onverwachts werd ze ziek en opname in het ziekenhuis volgde. De predikant van het zorgcentrum bezocht haar toen, zoals de afspraak intern is. Hij belde me een keer en zei: 'Ze gaat sterven en dat weet ze, maar de vrees voor de dood is weggenomen.' Een paar dagen later overleed ze en op de rouwbrief werd getuigd dat ze gestorven was in de hope des eeuwigen levens ... Ik las er voor mezelf er de al genoemde zondagsafdeling uit de Heidelberger nog eens op na. Wat is het daar treffend verwoord: 'Het geloof is een stellig weten of kennis en een vast vertrouwen ...'
Dat is waarheid geworden in het leven van deze vrouw. Ze had kennis van de Schrift en niet zo weinig ook, ze kende ook zichzelf in al haar zonden en haar gebreken, ze kon ook niet ontkennen dat ze de Heere kende. Maar ... ook het vertrouwen leerde ze meer en meer.
Niet van mij, niet van de dominee, maar van niemand minder dan de Heilige Geest. 'Die werkt dat door de kracht van het evangelie in mijn hart!' Zó zegt de catechismus dat.
Soli Deo Gloria.
Een les
De gesprekken met deze bewoonster van het huis hebben mij een les geleerd. Deze: laten we alstublieft niet alles neerleggen bij de dominee, bij de ouderlingen, maar laten we ieder op onze eigen plaats getuigen van het geloof en de hoop waaruit wij leven! Natuurlijk, ik was daar 'in functie', maar in het gewone leven van alledag geldt deze opdracht evenzeer. Beseffen we dat? Brengen we het ook in praktijk? Dan functioneert het ambt van alle gelovigen goed en kan dat velen in onze omgeving tot zegen zijn. Dan is het ook niet 'jammer dat we niets zijn'!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's