Wat is de mens? [2a]
'Een toevluchtzoeker.' [2 Kron. 20:1-19 en Ps. 46:12b]
Vele reizen in deze dagen af naar het plaatsje Eisenach in Duitsland. Daar werd op 10 november in het jaar 1483 een jongetje geboren, die de naam Martinus kreeg. Noch vader Hans, noch moeder Margarete, noch de pastoor van Eisenach, ja: niemand in Saksen kon vermoeden dat het leven van dit jongetje zoveel zou gaan betekenen. Niet alleen voor de kerk van Eisenach of voor de deelstaat Saksen, laat staan voor het hele Duitse keizerrijk. Nee, dit jongetje mocht instrument in Gods hand worden voor heel de wereld en voor heel Gods kerk.
Wie in Eisenach komt, zal zeker het kasteel de Wartburg aandoen, waar Luther als jonge man van 38 jaar een van de moeilijkste maar tegelijk ook vruchtbaarste perioden van zijn leven heeft doorgemaakt.
Moeilijk, omdat hij zijn leven niet zeker was.
Moeilijk, omdat Luther enorme aanvechtingen kreeg. Nog hoort hij de woorden, die de keizer enkele weken eerder op de Rijksdag van Worms heeft uitgesproken: 'Zal dan de gehele wereld het fout hebben? Zal duizend jaar christendom dan dwalen tegenover één enkele monnik die gelijk heeft?'
Toch was het Luthers grootste gedrevenheid om het Woord van God opnieuw te ontdekken. Hij mocht inzien dat een mens niet voor God gerechtvaardigd wordt met een aflaat, of boetedoening, of biechten of weesgegroetjes. Geen Ave Maria of pauselijke onfeilbaarheid.
Nee, de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Hoe eenzaam en aangevochten zijn verblijf op de Wartburg ook was, het werd de mooiste tijd van zijn leven. Juist in dat hoge vertrek van die vaste burcht heeft hij geleerd alles van God te verwachten. Heeft hij werkelijk leren ondervinden wie God voor hem was.
Treffend vond ik dat terug op het entreebewijs van de Wartburg. Daarop staat dit: 'Wart' Berg, du sollst mir eine Burg werden'. Het zijn de woorden van Graf Ludwig der Springer, die in het jaar 1067 op zoek was naar een geschikte plaats om een kasteel voor zichzelf te bouwen. Toen hij een aantrekkelijke heuveltop bij Eisenach ontdekte, riep hij het uit: 'Wacht, berg, jij moet voor mij tot een burcht worden.'
Ik heb de Wartburg in 1990 bezocht, op een stralende januaridag, waarbij alle bomen bedekt waren met het zilver van winterrijp. Dan kost het geen moeite je voor te stellen welke indruk Psalm 46 op Luther maakte: 'De HEERE der heerscharen is met ons. De God van Jakob is ons een hoog vertrek.' In die moeilijke tijd mocht Psalm 46 tot enorme steun zijn. Maar niet alleen toen.
Het is bekend, dat wanneer Luther en zijn vriend Melanchthon terneergeslagen waren en ze liever zongen van 'Wat buigt gij u neder o mijn ziel', dat de reformator spontaan zei: Kom op, Filippus, laten we toch Psalm 46 maar zingen!' En dat deden ze: 'Ein feste Burg ist unser Gott, ein gute Wehr und Waffen ...' Nu was Luther niet de eerste die God als vaste burcht kende. Dat was een van de kinderen van Korach. Dit lied werd eeuwen eerder gezongen op de stadsmuren van een andere burcht. De burg Sion. In een tijd dat Jeruzalem als nooit tevoren bedreigd werd door vijanden rondom. De boodschap aan koning Josafat is opbeurend: 'Daar komt een grote menigte tegen u ... de vijand rukt vast aan, met opgestoken vaan.' Dan doet Josafat iets opmerkelijks! Hij houdt geen troepeninspectie. Hij laat de ploegscharen niet omsmeden in zwaarden. Hij laat niemand zich gereed maken voor de strijd. Josafat trekt er niet op uit maar hij trekt naarbinnen. 'Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om de Heere te zoeken.' Hij doet nu het enige mogelijke en het enige juiste. Hij zoekt ... God.
Kennen wij dat ook? 520 jaar later? Wij die op een andere manier veel rumoer hebben meegemaakt? In de kerk? Met alle vragen, twijfels en zorgen over de Protestantse Kerk? Met alle pijn die wij met elkaar delen? Met alle onzekerheid over de toekomst van het gereformeerde belijden? Met het toenemende geweld en de onzichtbare terreur buiten maar ook binnen de kerk? Wat kan het leven ook in je gezin en huwelijk onder spanning komen te staan. Door ziekte en zorgen. Door uitbrekende zonden. Door verstoorde verhoudingen. En dat gaat aan ons niet voorbij. Er is maar één weg, die wij gaan kunnen en gaan moeten: de weg van koning Josafat. Naar de binnenkamer. In het gebed. Tot God. Tegen beter weten in.
De situatie zelf is duidelijk genoeg: een verloren zaak. De vijand rukt vast aan! Tegen zo'n overweldigende overmacht kan zelfs een stad als Jeruzalem niets beginnen.
Maar deze jonge koning, met al zijn gebreken, met zal zijn zonden, met zijn onverantwoordelijk gedrag tegenover zijn volk, gaat toch in de binnenkamer. Het lijkt haast alsof hij wegvlucht en zich verbergt. Dat doet hij ook! Hij vlucht! Maar dan we l... naar God toe. Hij stelde zijn aangezicht om de HEERE te zoeken. In die weg werd Psalm 46 geboren in zijn hart. Zo zingt deze koning van de grote Koning. Laten wij maar met hem meezingen: 'God is een toevlucht voor de Zijnen, Hun sterkte, als zij door droefheid kwijnen. Zij werden steeds Zijn hulp gewaar. In zielsbenauwdheid, in gevaar ... '
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's