Uit de pers
Kerk of groep
Voorjaar 2006 zal de Gereformeerde Bond een eeuw bestaan. Daar zal door het hoofdbestuur de nodige aandacht aan geschonken worden. Als organisatie kent de Bond een uitermate bewogen geschiedenis, die haar hoogtepunt of beter haar dieptepunt vond in de scheuring in de eigen gelederen na de totstandkoming van de Protestantse Kerk in mei 2004.
Intussen gaat de geschiedenis verder en is ook de Bond verder gegaan. In Theologia Reformata (jaargang 48, nummer 3, september 2005) besteedt dr. P.J. Visser ruim aandacht aan de manier waarop het hoofdbestuur de steven naar voren heeft gericht. Hij doet dat in de rubriek Reflexen onder het opschrift Een nieuw hoofdstuk.
Uitgangspunt is voor hem de jaarvergadering van 24 mei 2005. Om te beginnen werd op die vergadering de tenaamstelling van de GB gewijzigd. Ook is de doelstelling opnieuw geformuleerd door te stellen dat de GB het als zijn roeping ziet om te arbeiden binnen de Protestantse Kerk 'om mede daardoor te komen tot een voluit hervormde, gereformeerde kerk'. Visser constateert terecht dat dit geen koerswijziging van de GB is, daar altijd is gezegd dat men 'vanwege de trouw van God geen vrijmoedigheid had om de kerk welke weg zij ook zou gaan, prijs te geven'. Wel merkt hij een nieuw elan op 'gestempeld door een bijbelse combinatie van nederigheid en fierheid. Blijkt daaruit niet een stuk gelovige verwerking van wat zich in de afgelopen jaren voltrokken heeft?', aldus dr. Visser. Hij verwijst naar de open brief die de voorzitter, ds. G.D. Kamphuis, aan het begin van 2005 schreef in de Waarheidsvriend van 6 januari.
Vrijgemaakt hervormd
Visser memoreert de pijn die de hervormd-gereformeerde gelederen teisterde en nog steeds teistert, vooral in gemeenten die in delen uiteen zijn gevallen. Hij gaat daar op een pastoraal bewogen toon kort op in, als hij vermeldt wat er op de jaarvergadering van 24 mei door de voorzitter is gezegd in zijn lezing over Ons staan in de Protestantse Kerk.
De gezette toon kreeg een vervolg op die bewuste 24ste mei. Samen met anderen had ik de ervaring dat het hoofdbestuur op deze jaarvergadering een bladzijde omsloeg en heel duidelijk de intentie uitsprak, niet alleen formeel maar ook inhoudelijk, een nieuw hoofdstuk te willen beginnen. Men bleef niet steken in een klacht over de pijn, die de niet begeerde vereniging van kerken en de gevolgde scheuring in eigen kring teweeg brachten, al blijft die pijn natuurlijk wel bestaan. Ik wil daar niet te diep op ingaan, maar het blijft hartzeer geven dat een kerkorde ons uiteen gedreven heeft waar een gezamenlijke grondslag van belijden ons bijeen had moeten (kunnen) houden. En het blijft een principiële vraag hoe het mogelijk is geweest dat juist daar, waar de weg van de kerk beleefd wordt als een oordeel, het buigen onder dat oordeel werd ingewisseld voor een weglopen daaronder vandaan en het organiseren van een eigen kerkelijk leven. Geestelijk gezien past daar niet de naam 'hersteld hervormd' bij: herstel in bijbels-profetische zin laat het geheel nooit vallen, maar zoekt dat - hoe erbarmelijk het er ook voorstaat - juist op te richten. Zoals samengevat verwoord wordt in de bede waar de klaagliederen van Jeremia mee eindigen: 'HEERE, bekeer ons, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw ons als in de dagen vanouds' (Vgl. Klaagl. 5:16-21).
In alle ernst vraag ik deze broeders en zusters: bekruipt u nooit de vreze dat hier ook sprake zou kunnen zijn van 'vrijgemaakt hervormd'? Ik schrijf dit niet om elkaar in het harnas te jagen, wel om elkaar coram Deo eerlijk in de ogen te zien. En laten wij, ook bij een blijvend verschillend inzicht, over en weer in ieder geval de Geestelijke spankracht leren opbrengen, om elkaar te blijven behandelen zoals Christus dat van ons verlangt.'
Visser licht uit genoemde lezing van ds. Kamphuis een enkel aandachtspunt omdat hij vindt dat daarin dingen gezegd worden die voorheen nooit zo nadrukkelijk binnen de kring van de GB gezegd zouden zijn.
Ten eerste stelde collega Kamphuis eerlijk de vraag aan de orde of de GB het kerkelijk denken wel voldoende bewaard heeft in de achterliggende geschiedenis. Is er niet te veel geopereerd en geprotesteerd vanuit het groepsdenken? Was er niet vaak een houding van wij en zij? Waren de anderen niet hard ziek, terwijl wij onszelf redelijk gezond waanden? Kritisch naar eigen gevoerd beleid vroeg hij: 'Hebben wij te veel wind gezaaid? Zijn we de kerk te hard gevallen? Was de scherpte te weinig priesterlijk gekleurd? Hebben we een vuur ontstoken dat wij niet meer konden doven? Sluimert diep in onze beweging toch een zaad van separatisme? En in hoeverre hebben wij dat gevoed? (...) Dan kom je zomaar op het punt de ander heen te laten gaan, de kerk los te laten: letterlijk maar ook geestelijk.' In dit licht is Kamphuis ervan overtuigd dat een diepere doordenking van de leer van de kerk broodnodig is. Om van daaruit onbevangen en onbekrompen onze plaats binnen het geheel van de kerk in te nemen. In ieder geval vreest hij, dat als dit niet gebeurt, er kiemen worden gelegd voor een nieuwe breuk. Zonder dit expliciet te noemen, vermoed ik dat hij hier onder andere doelt op de tendens zoals dit door de classis Alblasserdam is opgesteld. Ik acht die vrees niet ongegrond, ondanks alle goede bedoelingen die men hiermee had en heeft. De taal is hier en daar te kras, met name als er gesproken wordt over het verwerpen van de Barmer Thesen. Gaat men daarmee niet te makkelijk voorbij aan het profetisch karakter van dit geschrift, dat de diepe intentie had om vanuit de Schriften een godloze cultuur - een cultuur die het voorzien had op de systematische Entlösing van Gods volk, zowel van de Joden als in het verlengde daarvan de christenen - te ontmaskeren? Zou een evenwichtiger en bescheidener benadering van het bijbelse gehalte en de theologische bezwaren niet op zijn plaats zijn, zeker gelet op het feit dat dit belijden met bloed betaald is? Ondanks de goede bedoeling van de opstellers van het Convenant, om gemeenten de ruimte te bieden om binnen de Protestantse Kerk op verantwoorde wijze hun plaats in te nemen, is het niet ondenkbaar dat de toonzetting de neiging voedt om te gaan functioneren als een 'exclusief gereformeerd kerkje in de kerk' los van het geheel. 't Is van harte te hopen dat daar in de toekomst geen brokken van komen en ik zou deze broeder dan ook in overweging willen geven om, nu de eerste emoties wat geluwd zijn, toch weer verder te leren kijken dan de eigen kring en de katholiciteit van het gereformeerde belijden te bewaren en in praktijk te brengen.
In het verleden is de GB, al dan niet terecht, wel een binnenkerkelijke Doleantie verweten. Groepsdenken is gegeven met het bestaan van een Bond binnen een kerk. Zelf ben ik opgegroeid in een zogeheten hervormd-gereformeerde Evangelisatie. Daar zat altijd een situatie van strijd achter. Je krijgt dan iets mee van 'wij en de rest'.
Waarbij de 'wij' het bij het rechte eind heeft en de 'rest' vanzelfsprekend niet. Dat gaat van jongsaf in je hart en in je hoofd zitten. En het kost de nodige moeite en tijd om daarin verandering te krijgen en te ontdekken dat de kerk breder is dan de groep. Een Bond binnen de kerk wordt zomaar een kerkpolitiek machtsinstrument, omdat een vereniging nu eenmaal een doelstelling heeft en die met alle mogelijke middelen ook nastreeft. Wel moeten we billijk blijven in onze beoordeling van een en ander. Achteraf oordelen is altijd makkelijk. Van dichtbij weet ik hoezeer en door opeenvolgende hoofdbesturen steeds is geworsteld om een koers te zoeken die vanuit een principieel gereformeerde overtuiging tot heil van de kerk werd gezien. In de onlangs verschenen biografie van ds. G. Boer citeert dr.ir. J. van der Graaf de indertijd gevleugelde woorden van Boer: Laat de Bond sterven maar de Kerk leven. Vaststaat wel dat een Bond in de kerk het groepsdenken bevordert en zichzelf als het ware deel van de kerk gaat zien. En dat zit in de hoofden en harten van allen die zich achter de doelstelling van de Bond scharen. Daar hebben we nog steeds mee te maken, ook nu de Protestantse Kerk een gegeven is. En ik acht het met dr. Visser juist dat de voorzitter van de GB veel nadruk op onze verantwoordelijkheid binnen de Protestantse Kerk. En dan niet tegen heug en meug, maar vanuit een innerlijke overtuiging dat wij in deze kerk onze roeping en verantwoordelijkheid blijmoedig en overtuigd mogen vervullen.
Er is ten slotte nog één aandachtspunt dat Visser ontleent aan de lezing van ds. Kamphuis en daarover schrijft hij het volgende:
Het tweede punt dat mij opviel in de betrokken rede van Kamphuis was, dat hij de zelfgenoegzaamheid over prediking en geestelijk leven in 'eigen huis' voorbij was. Ik beweer hiermee niet dat de GB niet eerder kritische geluiden liet horen naar de eigen achterban, maar de toon klonk nu toch overtuigender. Als ik het goed beluisterd heb, werd de nood eerlijker en dieper gepeild: de groter wordende verstaanskloof, het gebrek aan bloeiend geloofsleven, de sluipende voortgang van de secularisatie. De teneur van Kamphuis' betoog was dat ons blijven in de kerk alleen dan bestaansrecht heeft 'en vruchtbaar kan zijn voor het geheel als er binnen onze gemeenten een vernieuwd verstaan van het Woord wordt geboren, wij door de Heilige Geest worden hersteld in een levend en krachtig geloof en genezen worden van orthodoxe gezapigheid en oppervlakkigheid. Heeft de ons ontvallen professor C. Graafland ons dit ook niet keer op keer met grote bezorgdheid en hartstocht voorgehouden? Tegelijk was hij ervan overtuigd dat wij in dit opzicht nog heel wat huiswerk hebben. Als het hoofdbestuur van de GB deze handschoen echt wil oppakken - en ik geloof dat - dan zal er uitgerekend op dit terrein veel diepgaande bezinning en brede toerusting nodig zijn.
Een crisis kent veelal verschillende aspecten. Ze heeft iets schiftends in zich, iets van een oordeel over een bestaande situatie. Het voelt vaak als een nederlaag. Je hebt het niet gehaald en het is uit de hand gelopen. Maar een crisis kent naast deze vormen van pijn ook aanzetten tot een nieuwe start - een nieuw elan, een doorstart. Je hebt geleerd hoe het in ieder geval niet moet en waar valkuilen zich bevinden. Het maakt je voorzichtiger en afhankelijker. Je grote mond is dichtgeslagen en bescheidenheid voert voortaan de toon aan. Dat zou de winst kunnen zijn voor dat deel van de kerk dat de meeste averij heeft opgelopen bij de vorming van de Protestantse Kerk mei 2004. Laten we ons ervoor inzetten en er onophoudelijk de Koning van de Kerk om smeken.
P.S. Voor geïnteresseerden zij vermeld dat de administratie van Theologia Reformata is ondergebracht bij het Bureau van de Gereformeerde Bond. Gegevens vindt u in de colofon van de Waarheidsvriend. Hier kunt u eventueel een los nummer aanvragen of u melden voor een abonnement voor resp. € 10,00 en € 35,00.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's