De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

5 minuten leestijd

Dezer dagen kreeg ik in handen de dissertatie van prof.dr. M. van Rhijn over dr. Aart Jan Theodorus Jonker (1851-1928), ooit hoogleraar te Groningen: Hier volgt een passage over de laatste levensjaren van Jonker in Heerde. Men zou denken dat het vandaag geschreven is, maar het was in 1929. Er is kennelijk toch niets nieuws onder de zon.

De cultuur zit ons onafgebroken op de hielen, gunt ons geen rust, hitst ons al maar op tot 'productie': geld, geleerdheid, invloed, glorie, succes ... al te gaar 'productie'. Ook het razende publiceren van onzen tijd was voor Jonkers besef niet veel meer dan een teeken van decadentie. Als er honderd procent minder werd uitgegeven, was het misschien nog te veel, want de uitgevers geven weI uit, maar weinig menschen nemer er in. Eigenlijk is het geheele moderne cultuurleven ingericht als een modern diner. Zware spijzen, zware wijnen, zware sigaren, sterke cognac, sterke koffie, en daarbij sterk prikkelende gesprekken. Geen voeding. Alles prikkeling. Vandaar dan ook, dat de eene ziel na de andere met dit 'zich voor alles interesseeren' eenvoudig zelfmoord pleegt. Men verslindt literatuur, maar weet minder dan niets. Het pijnlijke is daarbij dat eigenlijk niemand precies weet waar al die drukte voor dient en dat er duizenden bezig zijn op volkomen doellooze wijze de heerlijkheid van het leven met eigen handen aan scherven te slaan. Ook in Christelijke kringen begint dit rumoer, dit jagen, hoe langer hoe meer om zich heen te grijpen. De beteekenis van den arbeid wordt daar langzaam maar zeker veel hooger aangeslagen dan de beteekenis van het gebed. Stil zijn, en zich terugtrekken worden ongeveer als zonden beschouwd. Roerigheid, actie, vergaderen en confereeren, schijnen de eerste plichten die de geloovige te vervullen heeft. Het Christendom van onzen tijd doet aan politiek, aan literatuur, aan cultuur, aan philantropie, aan referaten, ja waaraan doet het niet? Het doet alleen maar niet aan zichzelf. Aan zichzelf komt men zoo niet toe. De koortsige bedrijvigheid van vele christenen bestaat voor een groot deel nergens anders in dan in het verzamelen en verwerken van kaf. Wie vroom wilde leven mocht echter wel elken morgen bidden: 'wend, wend mijn oog van het interessante af'. Nog eerder zou een kameel door het oog van een naald gaan, dan dat een christelijke druktemaker zou ingaan in het Koninkrijk Gods. Want het gegons van christelijke en onchristelijke woelwaters was niets anders dan agitatie ten doode, 'impotentie-spektakel', ouverture van de groote schoonmaak, waarvan Jonker eens aan mijn vader schreef dat hij er te Heerde voortdurend op zat te wachten, en er naar zat uit te kijken. Met het oog op de naderende eeuwigheid, wenschte hij zijn ziel voor de omzetting tot een marktplaats te bewaren en ook hierom gingen de Heerdensche jaren zoveel mogelijk in stilte aan hem voorbij.
Jonker's verborgen leven te Heerde herinnerde aan dat van Kierkegaard, voor zoover hij boeren en kinderen de eenige verstandige menschen vond, en het liefst met armen en lijdenden verkeerde. Voor degenen, die kwispelend bij de cultuur quene maakten, had hij hoe langer hoe minder respect. Zie ik wel, dan stelde hij ook den kring zijner bevriende dorpsgenooten beslist hooger dan de geheele Groningsche senaat.
Jonker hield van de Veluwsche boeren, zoals zij in hun ongeschoolde en ongekunstelde oerkracht een Psalm van David aanheffen, geweldig als het krijgsgeschreeuw van een horde onbesneden Filistijnen. Maar het meest trokken hem de bewoners van de hutten op de verre heide ...

In 1976 verscheen bij Sevire in Katwijk een vertaling van het boek van rabbi Louis Newman Uit de wereld der joodse mystiek, met een voorwoord van rabbijn Jacob Soetendorp, die het (mystieke) chassidisme de ziel van het Joodse volk noemde. Uit een verzameling fragmenten en verhalen de volgende:

Het ongeduld van de man die geen Jood was.
Twee buren, een Jood en een niet-Jood, die beiden zonder werk waren, besloten van deur tot deur te gaan bedelen. Toen de tijd van Pesach naderde, raadde de Jood zijn niet-Joodse kameraad, die Jiddisch kon spreken, aan zich als Jood voor te doen, om daardoor een uitnodiging te krijgen voor de Seder-avond. De Joodse man legde zijn vriend uit dat hij gedurende de ceremonie het voorbeeld van de gastheer moest volgen. De niet-Joodse man kreeg werkelijk een uitnodiging voor de Seder, en toen hij in het huis van zijn gastheer kwam, rook hij met vreugde de heerlijke gerechten. Uitgehongerd als hij was, hoopte hij ze spoedig te kunnen eten. Tot zijn teleurstelling echter werd het eten niet opgedaan. In plaats daarvan werd hem een glas wijn gegeven en dat prikkelde zijn eetlust nog meer. Tot zijn ontzetting kreeg hij wat bittere kruiden aangeboden, gesopt in zout water, was gedwongen te doen of hij de Hagadah kon lezen en kreeg toen nog meer wijn. Op het laatst gaf men hem een stukje matsah en hij nam aan, dat er nu wel een stevige maaltijd zou volgen. In plaats daarvan kreeg hij een paar radijsjes en later een sandwich met radijs. De hongerige man kon het niet langer verdragen. Hij stond driftig van zijn plaats op en verliet met verwensingen aan het adres van zijn gastheer haastig het huis, even hongerig als hij het was binnengegaan. Een paar uur later kwam zijn metgezel naar hun slaapplaats en luisterde met grote verbazing naar de teleurstellende ervaring die zijn vriend had opgedaan. 'Jou ongeduldige dwaas,' riep de Joodse man uit, 'als je nog een ogenblikje had gewacht, dan zouden er heerlijke gerechten geweest zijn. Wanneer je doet alsof je een Jood bent, moet je ook aan de eerste voorwaarden van het Jood-zijn voldoen: Geduld hebben en geloven in een betere toekomst.'

Bidden om te kunnen bidden
De rabbi Van Tzanz vroeg eens aan een Chassid: 'Wat doet de Rabbi vóór hij bidt?' 'Ik bid', was het antwoord: 'om zo te kunnen bidden als het hoort.'
Hebben we zulks ook wel eens niet uit de mond van een oud-gereformeerde predikant gehoord: een gebed om een gebed?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's