Gaven voor de gemeente
LEVEN NAAR DE GEZINDHEID VAN DE GEEST
Onder redactie van drs. R.J.A. Doornenbal en dr. P.A. Siebesma verscheen een boek over de charismata. Het 'wil christenen helpen een evenwichtige visie te ontwikkelen op de persoon, het werk en de gaven van de Geest'. De teneur van de bijdragen is duidelijk. Men wil een evenwichtige bezinning bieden en tracht ook te komen tot kerkelijke structuren die 'ruimte bieden en tevens bescherming tegen uitwassen'. De medewerkers hebben met enthousiasme willen schrijven over wat God vandaag wil geven aan Zijn gemeente.
De toon van het boek is in zekere zin kritisch ten opzichte van de pinksterbeweging en ook ten opzichte van de charismatische beweging. Die kritische benadering betreft ook de kerken die behoren tot de zogenaamde gereformeerde gezindte. De indruk die de lezer gaandeweg in versterkte mate opdoet, is dat de balans op dit punt niet helemaal in evenwicht is. De nood van de gemeente is inderdaad groot. Of het charismatische erfgoed wat dit aangaat het medicijn is voor de 'traditionele kerken', is ook na het lezen van dit boek een open vraag.
De eerste twee hoofdstukken bewegen zich op exegetisch terrein.
M.J. Paul schrijft over werkingen van de Geest in het Oude Testament.
A. Romkes tekent in het kort het werk van de Heilige Geest volgens het Nieuwe Testament.
J. Hoek biedt zijn bijdrage als 'dogmatische kanttekeningen' aan onder de titel Ruim baan voor de Geest.
De kerkgeschiedenis komt aan bod in twee hoofdstukken van de hand van R.J.A. Doornenbal: Het eerste onder het aspect van weerstanden en vooronderstellingen. Het tweede als een weergave van misstanden en voorbeelden.
P.A. Siebesma beschrijft de gaven van de Geest in het leven van de gelovige. Een afzonderlijk hoofdstuk wijdt hij aan de waarde en betekenis van het pastoraat en de gaven van de Heilige Geest.
Het laatste hoofdstuk van het boek is ook van zijn hand. Hier geeft hij enkele aanbevelingen hoe men in de gemeente te werk kan gaan, in het begeleiden van de activiteiten die in dienst staan van de opbouw van de gemeente. Daarbij dienen kerken en groeperingen in Chili en Ghana als voorbeeld. Ik moet me beperken en wil voornamelijk aandacht schenken aan de bijdragen van de exegeten, de dogmaticus en de kerkhistoricus.
De Schrift
De twee hoofdstukken die ordening willen brengen in de gegevens van de Heilige Schrift, zijn instructief.
Dr. M.J. Paul bespreekt de bekende teksten uit Numeri 11, uit Ezechiël en Joël. Zijn conclusie is terughoudend. Dat was te verwachten. En het is eigen aan het Oude Verbond, dat zijn eigen relatieve heerlijkheid bezat (2 Kor. 3). Intussen tekenen zich wel de lijnen af die in het Nieuwe Testament duidelijker zichtbaar worden in de toerusting van de discipelen om het evangelie te kunnen verkondigen.
Voor het onderwerp is vanzelf het Nieuwe Testament van primaire betekenis.
Drs. A. Romkes schrijft daarover helder en evenwichtig. Zijn bijdrage beantwoordt aan wat het boek wilde bieden: over de persoon, het werk en de gaven van de Heilige Geest. Hij beperkt zich niet tot 1 Korinthe 12-14, maar laat de evangeliën aan het woord komen, met name dat naar Johannes, waar over de Parakleet gesproken wordt. Het stuk over Christus en de Geest gaat vooraf aan verhelderende bladzijden over de Heilige Geest en de gelovige. Christus doopt met de Geest. Het effect is de vervulling. De begeleidende verschijnselen zijn facultatief. 'Niet facultatief is een vernieuwd leven, een leven in dienst van God (Rom. 6:16-23), een leven naar de 'gezindheid van de Geest' (Rom. 8:5v.)'. Daarbij gaat het niet om piek-ervaringen 'die het gevolg kunnen zijn van de vervulling met de Heilige Geest, maar over de meer blijvende verandering van gedrag en levensstijl. Het wezen van vervulling is vernieuwing'. Krachten en wonderen zijn geen waarborgen dat het met het geloof wel goed zit, of dat God aan het werk is. Zij vormen geen doel op zichzelf. De gaven van de Geest hebben in het bijzonder betrekking op de Heilige Geest en de gemeente.
Hier komen 1 Korinthe 12, Romeinen 12 en Efeze 4 ter sprake: die teksten die met name in de gereformeerde traditie een grote rol hebben gespeeld bij de discussie over ambt en charisma. Romkes omschrijft de gaven als 'mogelijkheden die de Heilige Geest aan de gelovigen geeft om mee te helpen aan de voortgang van het Koninkrijk van God aan het welzijn van alle mensen.' Oorsprong van de gaven is de Heilige Geest, 'het centrum is Jezus Christus en het doel is de opbouw van de gemeente en het welzijn van allen.'
In een beknopte uitleg van de hoofdstukken uit 1 Korinthe komen de lijnen helder uit. Men kan 1 Korinthe 12 en 14 niet lezen zonder het hoofdstuk, waarin het om de kern van de zaak gaat (1 Kor. 13): 'Gaven zijn tijdelijk, liefde is eeuwig.' Het is de uitnemender weg, die veel verder omhoog voert. Het hooglied van de liefde vormt de as, waaromheen de charismata gegroepeerd worden. Dit stuk over de Heilige Geest volgens het Nieuwe Testament vormt een fraai voorbeeld van het luisteren naar het geheel van de nieuwtestamentische prediking.
Het dogma
Bij 'dogmatische kanttekeningen' die dr. Hoek wil plaatsen in zijn oproep om ruim baan te maken voor de Geest, denkt men een systematische aanpak te mogen verwachten. Op dit punt stelt zijn bijdrage wel wat teleur. Een verkenning van de opvattingen van de pinksterbeweging en de charismatische beweging gaat over in de vraag naar de exegetische fundering en vervolgens biedt Hoek pastorale overwegingen, die hun betekenis hebben voor de nood van de gemeente en die dan ook weer een deur openen voor de hoop van de gemeente. De eigenlijke nood van de gemeente wordt in vrij algemene categorieën aan de orde gesteld, met citaten van Ouweneel. Ook overigens vinden we in zijn bijdrage veel wat herinneringen oproept aan de bijdragen van de andere schrijvers. Het blijft wat algemeen, ook daarin dat een beschrijving van wat de vervulling voor hem inhoudt veel gelijkenis vertoont met wat in de gereformeerde gezindte soms verstaan wordt onder de 'vierschaarervaring'.
Een beetje meer dogmatiek is zeker niet overbodig. Nu blijven vragen liggen die hier wél een rol spelen. Fundamenteel lijkt me de vraag hoe zich de Recreator Spiritus, over Wie het dan toch gaat, verhoudt tot zijn oorspronkelijke ambt als Creator Spiritus, om wiens komst de kerk in het Veni Creator Spiritus de eeuwen door heeft gebeden. Wat betekent dit voor het 'natuurlijk' karakter van de charismata? Die zaak heeft alles te maken met de gewichtvolle betekenis van ons trinitarisch belijden. Er is geen doop, ook geen Geestesdoop mogelijk zonder het belijden van Vader, Zoon en Heilige Geest. Waar dit besef verdwijnt, resteert er een hooguit religieuze antropologie. Het getuigenis omtrent de Parakleet verbindt al het werk van de Geest met Christus. Wat houdt dit in voor de plaats van de geestelijke of pneumatische mens?
De Geest van Christus, zo nauw aan de verheerlijkte Christus gebonden ('De Heere nu is de Geest', 2 Kor. 3), zal nimmer leiden dan uit en naar Christus zelf. Men zou kunnen vragen of de 'bescheidenheid' van de Geest ('Hij zal van Zichzelf niet spreken') niet alles te maken heeft met de ootmoedige bescheidenheid van de christenmens, die met déze Geest gezalfd is.
De theologische en christologische vragen komen om zo te zeggen in de ecclesiologie in verhevigde mate aan de orde. Is de kerk een kerk van het Woord, gezien de 'onverbrekelijke wederzijdse relatie die er is tussen Woord en Geest, Geest en Woord' (Calvijn), en is derhalve de gave van de profetie een geschenk dat slechts door en bij het Woord in praktijk gebracht kan worden? Deze en dergelijke vragen zijn van belang, wanneer het gaat over de gaven voor de gemeente van Christus. Zij dienen aan de orde te komen wanneer men dogmatische aantekeningen wil plaatsen bij de gaven van de Geest voor de gemeente van Christus. Zij hadden in de bijdrage van dr. Hoek een plaats kunnen krijgen.
De kerkgeschiedenis
De twee hoofdstukken die drs. R.J.A. Doornenbal schreef over de kerkgeschiedenis, zijn rijk van aantekeningen voorzien. Daarin is een grote hoeveelheid literatuur verwerkt, voornamelijk uit de Angelsaksische en Amerikaanse wereld. Het eerste hoofdstuk geeft in enkele forse lijnen in hoofdzaak al de visie van de auteur weer. Hij schrijft over weerstanden tegen de opvattingen en praktijk van de meer charismatisch ingestelde bewegingen, kerken en groepen, en over de vooronderstellingen, die bij die weerstand een rol spelen. Hij wil blijkbaar op deze manier verklaren hoe het komt dat de gevestigde, traditionele, met name gereformeerde kerken en theologen, geen antenne hadden, en ook niet konden hebben voor de charismatische vernieuwingsbeweging. Calvijns standpunt houdt verband met een gebrek aan kennis van de oudere bronnen.
Ik meen dat dit oordeel voorbarig en onjuist is. Calvijn kende de bronnen terdege. Juist op het punt van de kerk begeeft hij zich uitgerekend op het terrein van de Vroege kerk. Hij was inderdaad een van de eersten die de relatie wist te leggen tussen de synagoge en haar structuur en de kerkelijke organisatie. Calvijn was inderdaad van mening dat men ook in deze zaken zo dicht bij de Schrift moet blijven als het maar even kan. Hij werd getroffen door de terughoudendheid waarmee Paulus in zijn brieven de charismata ter sprake brengt. Maar Calvijn is niet de enige die een diepe invloed had op de gereformeerde traditie. Beza heeft na hem juist in deze zaken klaarheid gebracht die zo evident was voor de vaderen dat zij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis werd omschreven. In art. 30 is sprake van de pneumatische of geestelijk orde, 'die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft'.
Doornenbal hanteert drie stellingen, die aangeven hoe de kerk werd wat zij met name in de gereformeerde traditie wel moest worden: streeptheologie, verambtelijking en rationalisering. Met het laatste is met name de invloed van Aristoteles bedoeld. De verambtelijking of institutionalisering verdreef de vrijheid van de Geest en de uitingen daarvan uit deze stroom in de kerkgeschiedenis. De streeptheologie (naar mijn gevoel een minder fraaie formulering voor een historische feitelijkheid) wilde een punt zetten achter de Geestesgaven, met name van glossolalie, wonderen en profetie. Deze vorm van vereenvoudiging van de historische ontwikkelingsgang van de kerk suggereert duidelijkheid, maar doet geen recht aan de werkelijkheid van een door en door ingewikkeld verhaal als de kerkgeschiedenis op dit punt vertoont. Iets daarvan komt misschien wel uit in het tweede hoofdstuk aan deze materie gewijd, waarin de negatieve kant van verschijnselen naast, tegenover en ook wel binnen de kerken zelf worden getekend. Maar het beeld is dan al bepaald en daarmee zijn tal van negatieve evoluties en revoluties niet in een juist licht gezet.
De bijdrage van dr. P.A. Siebesma sluit het boek af met een stuk over de Geest en Zijn gaven in het leven van de gelovige, gevolgd door een aantal goede aanwijzingen over de manier waarop men in het pastoraat zou kunnen omgaan met de problemen en spanningen. In het laatste hoofdstuk komen de gaven van de Heilige Geest concreet aan de orde, en ook de manier waarop daarin leiding kan worden gegeven. De toon is positief, en over sommige aanbevelingen kan men van mening verschillen, zonder dat er een al te grote spanning ontstaat.
Absolute vrije genade
Naar mijn gedachte is dit in heel het boek wel nagestreefd. Toch voldoet het geheel minder. De rijkdom van de gereformeerde traditie komt niet voldoende uit de verf. Juist daar immers heeft men sterker dan in welke andere stroom uit de kerkgeschiedenis ernst gemaakt met de belijdenis van de persoon, het werk en ook de gaven van de Geest. Sterker dan in de sfeer van de Lutherse en de Anglicaanse kerken is er ook theologie bedreven en zijn er kerken gesticht, waarin de volkomen afhankelijkheid van het werk van de Geest zelf werd beleden, en ook in ervaring werd gezocht en beleefd. De belijdenis van en omtrent de Heilige Geest is immers niets anders dan die van de in de geschiedenis zich openbarende kracht van de absolute vrije genade, de absolute gratuïteit, het sola gratia. Wat in deze traditie overgeleverd werd, bevat zo veel goeds en zegenrijks dat van een herleving van de gereformeerde theologie binnen de naar Gods Woord gereformeerde kerken hoop kan doen voeden voor de toekomst. De versplintering van de gereformeerde gezindte is niet de enige, maar wel een van de belangrijkste oorzaken ervan dat die hoop onder een schaduw blijft liggen. Dat is mede tekenend voor het karakter van de eigenlijke nood van de kerk.
N.a.v. R.J.A. Doornenbal en P.A. Siebesma (red.):
Gaven voor de gemeente. Over het werk en de gaven van de Heilige Geest.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 256 blz.; € 17,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's