De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samenhang van ambtsleer en heilsleer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samenhang van ambtsleer en heilsleer

HET KERKELIJK AMBT ALS ARBEID IN VOLMACHT [1]

9 minuten leestijd

Inleiding
Met de reformatorische 'ontdekking' van de rechtvaardiging van de goddeloze kwam de rooms-katholieke onderscheiding tussen leken en geestelijken te vervallen. Geestelijken stonden als ambtsdragers niet langer een stukje hoger dan leken. Zowel geestelijken als leken dienden aan de ene kant te beseffen dat ze door de zonde goddelozen waren, doch mochten aan de andere kant geloven dat ze door de genade van Christus tot verzoening konden komen. De mondige gemeente was geboren en hiermee was deze bijbelse waarheid onder de as van allerlei traditionele 'aangroeisels' vandaan gehaald.
Tegelijk was hiermee de rooms-katholieke priester uitgeschakeld, want de hele gemeente werd erkend in haar priesterlijk ambt. Immers het ambt kwam midden in de gemeente te staan, het altaar maakte plaats voor de kansel, het afschaffen van het misoffer maakte de priester overbodig en de genade werd gezien als een relatie van Gods gunst in plaats van een substantie.
Dat alles betekende dat de hele ambtsleer opnieuw doordacht moest worden. Wat ook inderdaad grondig is gebeurd. Zozeer zelfs dat dr. O. Noordmans kon zeggen dat de Reformatie de paus schaakmat heeft gezet door het ouderlingenambt vorm te geven.

Ambtsleer en heilsleer
Ondertussen is oecumenisch gezien de ambtsleer naar Rome toe het grootste struikelblok gebleken. Reeds in de reformatietijd is men het, althans op papier, behoorlijk eens geworden over de heilsleer, zelfs over rechtvaardiging en heiliging. Doch de ambtsleer bleef onoplosbaar. Ergens las ik het als volgt: 'De rechtvaardiging van de goddeloze was weliswaar het kernverschil met Rome, doch uiteindelijk bleek het ambtsverschil de grootste kwestie.'
Ook in de meer recente discussies blijkt men het, weer althans op papier, redelijk eens te kunnen worden over de rechtvaardigingsleer, doch blijft de ambtsleer het grote probleem. De Rooms-Katholieke Kerk vindt de zogenaamde apostolische successie, waarin men vanaf het Petrus-ambt een ononderbroken opeenvolging van ambtswijdingen via de bisschoppen veronderstelt, onopgeefbaar. De reformatoren stelden tegenover die apostolische successie de zogenaamde Woord-successie.
Ze bedoelden ermee dat een ambt pas dan geldig functioneert, wanneer het op goede wijze de zuivere leer van Gods genadewoord verkondigt. Tegelijk was de Reformatie de overtuiging toegedaan hiermee pas echt apostolisch te zijn, want de apostolische leer werd nu niet verduisterd, zoals bij Rome wel gebeurde.

Werk van Christus en van de Geest
Het rooms-katholieke ambtsbegrip is in wezen dus formeel en wettisch, want los van het ware functioneren van de zuivere evangelieboodschap. Men zal dit laatste wel niet willen erkennen, doch we zijn van mening het toch staande te moeten houden. Zelfs denken we de stelling te kunnen verdedigen dat het niet juist is om te zeggen dat we met Rome inzake de heilsleer (redelijk) op één lijn zitten en dat enkel de ambtsleer een gapende afgrond blijft. Naar onze overtuiging kan het niet anders dan dat de kern van de zuivere heilsleer zoals die is samengebald in de rechtvaardiging van de goddeloze, dynamiet legt onder de rooms-katholieke ambtsleer. Zeker, het kan van waarde zijn dat op papier overeenstemming wordt verwoord over de heilsleer, doch dat dient gepaard te gaan met het in de kerkelijke praktijk belijden van het feit dat enkel de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze het zuivere evangelie weergeeft. En dat over de volle breedte van het kerk-zijn, tot in de ambtsleer toe. Anders heeft het geen echte waarde. We bedoelen dan een rechtvaardiging van de goddeloze naar twee kanten.
Naar de kant van het werk van Christus en evenzeer naar de kant van het werk van de Heilige Geest. Immers, de rechtvaardiging is nooit een soort automatisme, omdat Christus alles volbracht heeft. Het zal dwars door onze existentie heen dienen te gaan als verbrijzeling over onze zonde, als erkenning van onze totale verlorenheid buiten Christus. Het werk van de Geest dus, waardoor er plaats komt voor Christus. Het helder houden van dit werk van de Geest inzake de rechtvaardiging van de goddeloze is des te meer belangrijk gelet op het feit dat de Rooms-Katholieke Kerk in heel haar structuur een zeer sterk accent legt op de arbeid van Christus ten koste van het werk van de Geest.

Gereformeerd erfgoed weggesleten?
De reformatorische ambtsleer van de Woord-successie vormt dan ook, samen met de bijbelse heilsleer van het sola gratia, de rechtvaardiging van de goddeloze dus, zozeer een eenheid dat het als hol en bol twee kanten van dezelfde zaak zijn. Wanneer die eenheid vandaag aan protestantse kant niet of nauwelijks meer onderkend wordt, kan dat betekenen dat er heel wat reformatorisch erfgoed is weggesleten. Het is onze bedoeling in enkele artikelen de onopgeefbare samenhang te schetsen tussen het rechte verstaan van ambtsarbeid en de volle heilsboodschap van Gods Woord. Dat heeft alles te maken met de mate waarin het ambt werkelijk functioneel is in ambtelijke volmacht. Immers, waar de volle boodschap van de Schrift tekort wordt gedaan, wordt het ambt uitgehold. Iets wat zowel links als rechts in de kerk kan gebeuren. Er ontstaat functieverlies, dat men goed tracht te maken door enthousiasmerende uitroepen of door versteende regelgeving.

Bijbelse schets van enkele hoofdlijnen
Wat de ambtsgedachte vanuit de Schrift betreft willen we starten met Adam en Eva voor de zondeval. Reeds zij stonden in het ambt, namelijk om de aarde te bewaren en te bouwen, met de bedoeling God in dit alles te verheerlijken. Het feit dat ze geschapen werden naar het beeld van God en het theologisch gegeven van het zogenaamde werkverbond, mogen inndit verband genoemd worden. Weliswaar is dit ambt na de zondeval grondig verstoord, doch de roeping en opdracht zijn gebleven. Hier liggen dan ook wortels van het ambt der overheid, doch het kerkelijk ambt wortelt hier eveneens.
Immers, ambt wil zeggen een taak verrichten in opdracht van een hoge(re) Autoriteit. Dat betekent dat de theocratische gedachte met het ambt gegeven is. Dat zien we met name ook het hele Oude Testament door. We denken aan Mozes in zijn functie van middelaar van het oude verbond, hoe God hem helemaal opeiste voor zijn koninklijke en profetische ambtstaak. We denken ook aan zijn broer Aäron, die het priestelijk ambt bediende. Verder denken we aan David, (die het koninklijke ambt vertegenwoordigde), aan de profeten die niet ophielden te zeggen: 'Alzo spreekt de'Heere'. En niet te vergeten de priesters in hun cultische bediening waarin ze de offers gaande hielden, als prelude op Golgotha.
Nieuwtestamentisch zien we deze drie ambten vervuld in Christus. Als Profeet bracht Hij in zijn prediking het Woord van God. Als Priester offerde Hij Zichzelf aan het kruis. Als Koning stond Hij met Pasen op uit de doden en overwon de dood.

Geen blauwdruk, wel ambtsstructuur
Vanuit Christus waaierde dit drievoudige ambt uit in de bijzondere ambten der gemeenten. Met als tussenschakel het ambt van apostel. Ondertussen beseffen we hiermee een zeer grote stap te nemen, omdat de nieuwtestamentische gegevens over het ambt niet zomaar een blauwdruk geven voor een ambtsleer. Terwijl ook meespeelt dat het Nieuwe Testament niet echt een woord voor ambt kent. Er wordt enkel gesproken over bediening/dienst (diakonia).
Toch komt aan de andere kant de ambtsgedachte er terdege voor, zozeer zelfs dat daardoor het woord bediening gekleurd wordt. Een door God gezondene krijgt een opdracht, een bediening. Polman spreekt in dit verband van de bediening van het leren/profeteren, van de bediening van het regeren/vermanen en van de bediening van barmhartigheid/uitdelen. Bovendien geeft het Nieuwe Testament, hoewel geen blauwdruk, toch wel grote lijnen van een ambtsstructuur aan.
Daarom dienen we ook hier niet biblicistisch met bijbelgegevens om te gaan, te meer niet daar er gesproken wordt over andere bedieningen dan onze huidige drie ambten. Zoals het apostelschap, het profetisme, de evangelist. Wel staan deze meer aan de rand van het normale kerkelijk leven dan in het centrum ervan. Van Calvijn is de opvatting bekend dat hij de ambtsgedachte wil vertolken in het gewone ambt van profeet, priester en koning. Wel sluit hij tegelijk niet uit dat, wanneer bijzondere situaties van nood in de kerk dat vorderen, zaken als het apostelambt, het profetisme en de evangelist, als buitengewone ambten tot eer van God en opbouw van de gemeente, weer een (tijdelijke) plaats kunnen krijgen (Institutie IV, 3, 4). Persoonlijk denken we in dit verband dat in de reformatietijd Luther sterk profetische trekken had en Calvijn apostolische.
Vandaag zou iemand als Anne van der Bijl van Open Doors waarschijnlijk als een evangelist geduid kunnen worden. Laat in ieder geval helder zijn dat dit soort bijzondere bedieningen in bijzondere tijden bepaald geen erebaantjes zijn die mensen groot maken. Het maakt mensen veeleer tot gebroken personen, die de weg van hun Meester leren gaan in smaad en verachting, omdat ze koste wat kost trouw willen zijn aan de roeping van hun hoge God! Kohlbrugge had hier ook iets van weg.

De gang van de kerk, de eeuwen door
Ondertussen willen we nog een gedachte naar voren halen die het belang van vasthouden aan het drievoudig ambt onderstreept, namelijk de gedachte van het loslaten van elke vorm van ambtsluxe. De Bijbel roept ons op te staan naar dat wat glashelder is en terughoudendheid te betrachten in zaken die tot het buitengewone behoren. Zo verloopt immers ook de gang van de kerk door de eeuwen heen. Het is de gang waarin de Heere via de bediening van het drievoudig profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt werkt om de kerk te bouwen.
Laten we dan aan Hemzelf overlaten wanneer het Hem behaagt in de nood der tijden via bijzondere ambtelijke bedieningen te voorzien in het bouwen en bewaren van zijn kerk. Dat is namelijk veeleer iets om niet naar te verlangen, maar om te vrezen. Immers, het is veelal tot onze schande wanneer deze bijzondere bedieningen nodig zijn, omdat wij het af hebben laten weten. Daar komt nog bij dat het er bij deze bijzondere bedieningen zo stormachtig aan toe kan gaan dat er momenten kunnen komen dat we er spijt van krijgen dat we verlangd hebben naar een soort reformatiefiguur. Immers, zo iemand doet meer dan de stofkam door de kerk halen. Nog hoor ik prof. A.A. van Ruler op college iets zeggen als: 'Kijk uit voor een reformator, want die gaat als een stormram door de kerk heen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Samenhang van ambtsleer en heilsleer

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's