De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dordt is niet los verkrijgbaar

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dordt is niet los verkrijgbaar

DE BELIJDENIS VAN EEN GEBROKEN KERK [2]

9 minuten leestijd

De Leidse hoogleraar W. Verboom heeft met zijn publicatie over de Dordtse Leerregels zijn trilogie voltooid. Na zijn boeken over de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft hij nu over de Dordtse Leerregels (voortaan DL) gepubliceerd. Daarin gaat hij in op de voorgeschiedenis van dit belijdenisgeschrift en de theologie die erin besloten ligt. Dat is een te prijzen onderneming, omdat deze leerregels heden ten dage in de kerken bij vriend en vijand weinig populariteit genieten. Voor de een representeren de DL een gepasseerd station, lichtjaren verwijderd van het huidige theologisch klimaat, voor de ander geldt: veel geprezen, maar niet gelezen. Met dit boek wil de auteur de negatieve beeldvorming ten aanzien van dit belijdenisgeschrift corrigeren en probeert hij tevens voor zich zelf helderheid te scheppen in de eigen positie ten aanzien van de door de Dordtse synode opgeworpen problematiek. Daarom besluit hij zijn boek met een zeer existentieel geschreven hoofdstuk dat als titel draagt Dordt vandaag - een persoonlijke belijdenis. Dat is naar mijn oordeel het hart van het boek, dat een breed publiek zal aanspreken. Op dit laatste hoofdstuk zal ik echter niet ingaan. Mij is gevraagd om de historische kant van het boek te bespreken.

Historische context
Verboom plaatst de theologische debatten rond en tijdens de Dordtse synode in hun historische context. Niet ten onrechte wijst hij op de toenemende politisering en op de grote rol die de overheid gespeeld heeft bij de gang van het discours over de predestinatieleer en de totstandkoming van de DL.
Op dit punt heb ik echter ook enige kritiek. In het recente onderzoek is gewezen op het feit dat de discussies over de predestinatie in de zeventiende eeuw niet begrepen kunnen worden zonder kennis van het middeleeuwse traject. Dordt heeft de leer van de predestinatie niet uitgevonden en de oppositie daartegen is niet nieuw. Zo kan een discussie over Arminius, die poogde de leer van genade en verkiezing te herformuleren, niet gevoerd worden zonder kennis van zijn relatie tot het denken dat is voortgekomen uit het laat middeleeuwse synergistische denken (Gabriel Biel) en de opvattingen van zestiende-eeuwse synergisten (Louis de Molina, Pedro da Fonseca). Ook de weerlegging van de errores (dwalingen) en de canones zelf staan in een lange traditie van Bijbel-interpretatie en dogmatische formulering, waarbij laat middeleeuwse theologen zoals Thomas Bradwardine, Gregorius van Rimini en Johann Staupitz richtinggevend zijn geweest. Deze vertegenwoordigers van de zogenaamde schola augustiana moderna in de veertiende eeuw presenteerden een door Augustinus' anti-pelagiaanse geschriften geïnspireerde genadeleer met aanvaarding van zijn opvatting van een dubbele predestinatie. Een bespreking van Dordtse genadeleer kan niet om deze traditiestroom heen. De theologische strijd rond Dordt raakte de kern van de augustijnse traditie binnen het geheel van de Westerse kerk.
Dit recente onderzoek komt in het boek weinig aan bod. Om slechts één voorbeeld te noemen: in de lijst van gebruikte literatuur tref ik bijna uitsluitend Nederlandse (soms stichtelijke) literatuur aan, terwijl belangrijke werken uit het Angelsaksische taalgebied over dit onderwerp ontbreken. Hier denk ik aan publicaties van Donald Sinnema over de Dordtse synode en haar traditie-historische achtergrond en aan die van Richard Muller over de middeleeuwse bronnen van Arminius' denken. Het boek van Eef Dekker over de theologie van Arminius wordt wel genoemd, maar methodisch niet uitgebuit. Uit deze studies wordt duidelijk dat de gereformeerde orthodoxie niet de intentie had origineel te zijn of iets nieuws te introduceren - origineel zijn alleen 'ketters'. Juist in de periode die door kerkhistorici aangeduid wordt als de periode van 'confessionalisering' zocht men naar een eigen identiteit, die tegenover de rooms-katholieke traditie en latere opponenten zoals socinianen en remonstranten theologisch gelegitimeerd werd door een beroep op de (augustijnse) traditiestroom binnen de Westerse kerk. De toenemende polemiek met de remonstranten kwam voort uit deze identiteitsclaim. Door gebruik te maken van de scholastieke methode gaven de gereformeerden aan hun 'katholieke' identiteit een steeds genuanceerder profilering.

Gebruik van de scholastieke methode
Volgens Verboom gaat het hier helemaal fout: het gebruik van de scholastieke methode heeft ertoe geleid 'dat men in de problemen is gekomen door uit de opvattingen van de tegenpartij logische conclusies te trekken, die als onwaar of onjuist afgewezen moesten worden' (p. 255). Hierbij worden enige voorbeelden genoemd (p. 256), die echter weinig met het gebruik van de scholastieke methode als zodanig te maken hebben. Typerend voor de scholastieke methode is nu juist dat zij geen enkele uitspraak doet over de waarheid van een bewering: zij fungeert uitsluitend als een soort controle-instrument om datgene wat in de vooronderstellingen of premissen reeds gegeven is, te ordenen om zodoende conceptuele (begripsmatige) helderheid in de ingenomen posities te verschaffen. Met andere woorden: als we, zoals Verboom, ongelukkig zijn met een bepaalde theologische conclusie, dan moeten we de premissen die gebruikt zijn onder kritiek stellen. Men moet dan niet de scholastieke methode de schuld geven, maar dan moet worden aangeven welke onjuiste premissen ten aanzien van de predestinatie worden ingevoerd en moet men dïe premissen onder kritiek stellen. Maar zover wil de auteur niet gaan (zie bv. p. 9 en vooral het slothoofdstuk). Daar komt bij dat de termen en onderscheidingen niet uit de lucht kwamen vallen, maar reeds een lange carrière achter zich hadden in het scholastieke Latijn. Ik vind het daarom een goed idee van de auteur om als bijlage de Latijnse tekst van de disputaties van Arminius en Gomarus te publiceren. Helaas wordt deze Latijnse tekst niet geanalyseerd en wordt zij bovendien ontsierd door talloze tikfouten en enkele omissies.

Het leerstuk van de verwerping
Uit de bestudering van de traditie-historische achtergrond van de DL blijkt dat het standpunt met betrekking tot de verwerping teruggrijpt op een laat middeleeuwse onderscheiding tussen negatieve en positieve verwerping. Daarbij werd Gods wil gezien als de oorzaak van de negatieve zijde (voorbijgaan, praeteritio), terwijl de menselijke zonde als de oorzaak van de positieve kant (de verdoeming, damnatio) gezien werd. Aan de keuze voor deze laat middeleeuwse oplossing ging blijkens de judicia van de binnen- en buitenlandse afgevaardigden veel discussie vooraf.
Daarom is het jammer dat aan de judicia slechts één bladzijde wordt gewijd en dan ook nog in de samenvatting van K. Dijk. Zij geven in totaal zes verschillende posities weer ten aanzien van de verwerping. Zij weerspiegelen de breedheid van de gereformeerde positie en verhinderen een monolithische lezing. De 'oplossing' van Dordt was zelfs minder radicaal dan de positie van Luther en Calvijn, die zowel het voorbijgaan als de verdoeming toeschreven aan het vreemde werk van de verborgen God (Luther) of aan het goddelijk welbehagen (Calvijn).

Determinisme?
Een daarmee samenhangende kwestie die telkens weer opduikt bij de bespreking van de DL, is het verwijt van 'determinisme' (p. 82). Afgezien van het feit dat het hier om een term gaat die pas in de negentiende eeuw in het filosofisch discours werd geïntroduceerd, moet nadrukkelijk gewezen worden op de door Gomarus in zijn disputatie van 1604 gebruikte (en door Arminius c.s. diffuus gehanteerde) scholastieke onderscheiding, die elke deterministische lezing van de gereformeerde orthodoxie, Dordt incluis, onmogelijk maakt. Het gaat om de logische distinctie tussen ontische en implicatieve noodzakelijkheid, ook wel genoemd: de noodzakelijkheid van de consequent (de propositie achter 'dan' in de bewering: als ..., dan ...) en de noodzakelijkheid van de consequentie (de implicatie van de propositie, zie These VIII). Tegenover de remonstrantse bewering dat de gereformeerden door hun nadruk op Gods effectieve wil een absolute (ontische) noodzakelijkheid aan het handelen van de mens opleggen en aldus de menselijke vrijheid vernietigen, maakten Gomarus en zijn gereformeerde collega's met behulp van deze onderscheiding in het noodzakelijkheidsbegrip (en daarmee ook in het vrijheidsbegrip!) duidelijk dat implicatieve noodzakelijkheid en contingentie, resp. vrijheid, niet met elkaar in strijd zijn. Evenzo maakten zij met deze onderscheiding duidelijk dat het eeuwige besluit de menselijke geschiedenis niet tot schijn reduceert, maar juist mogelijk maakt en aan de geschapen werkelijkheid niet een absoluut noodzakelijk, maar een contingent karakter verleent. Anders gezegd: de vaste overtuiging van de gereformeerden dat zij ten onrechte beschuldigd werden van 'determinisme' (in de zin van absolute noodzakelijkheid), kan alleen begrepen worden met behulp van een gedetailleerde logische analyse van hun argumentatie. In een dergelijke analyse wordt tevens duidelijk dat de gereformeerden vanuit hun anti-pelagiaanse lezing van Augustinus protesteerden tegen een autonoom of indifferent vrijheidsbegrip dat door hun opponenten gepresenteerd werd. Helaas komt deze onderliggende ontologische grondstructuur (vrijheid en contingentie) van de gereformeerde positie in het boek niet aan de orde.

De catechismus als hermeneutische sleutel?
Verbooms voorstel om de Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 54 te hanteren als leessleutel voor het lezen van de DL (p. 271) zal menigeen aanspreken, maar gaat voorbij aan het feit dat de Catechismus - hoewel vaak getypeerd als een gereformeerde of zelfs calvinistische catechismus - in feite een consensus document was, dat binnen de leerstellige traditie die werd vertegenwoordigd door de catechismi van Luther en de Augburgse confessie, ruimte trachtte te scheppen voor bepaalde gereformeerde accenten.
Uit politiek-strategische overwegingen werd daarom niet uitvoerig gesproken over de predestinatieleer. Maar enkele decennia later was de historische context anders. Er waren andere opponenten die drongen tot een scherpere profilering van de gereformeerde identiteit. Naar mijn overtuiging kan deze nieuwe confrontatie alleen met behulp van het scholastieke 'gereedschapskistje' geanalyseerd worden. Zo alleen kan de karikatuur die ten aanzien van de DL (nog steeds) in omloop is, gecorrigeerd worden. Dordt is niet los van deze analyse verkrijgbaar. Dat lijkt een omweg, maar voor een juiste traditiehistorische bepaling van Dordt is het de kortste weg. Als de auteur deze weg gegaan was, dan zou dit juist een versterking van zijn slotconclusie geweest zijn: de Dordtse Leerregels vormen een parel in de (katholiek) gereformeerde traditie.

N.a.v. dr. W. Verboom:
De belijdenis van een gebroken kerk. De Dordtse Leerregels, voorgeschiedenis en theologie.
Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 2005; 320 blz.; € 22,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dordt is niet los verkrijgbaar

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's