Globaal bekeken
Plaatsen v an herinnering is de titel van een vierdelige serie, waarvan het eerste deel gaat over 'Nederland in de twintigste eeuw' (uitgave Bert Bakker, Amsterdam). Hier volgen twee fragmenten.
• IJsvermaak is in Nederland van alle tijden. Had dat iets met de Reformatie, en speelde in de 19e eeuw ook de sociale kwestie een rol? Hier de visie van de samenstellers:
Door de Reformatie verschuift het zwaartepunt van de schaatscultuur van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden. Onder de vele geloofsvluchtelingen die na de val van Antwerpen in 1585 hun heil zoeken in het noorden, moeten zich ook Vlaamse schaatsenmakers bevonden hebben. In Holland en Friesland zal het hun aan klanten niet hebben ontbroken. De nieuwe geloofsbelijdenis draagt daar ongewild aan bij. Met de verbanning van het uitbundige roomse leven verdwijnt immers ook de catharsisfunctie die het carnaval eeuwenlang als volksfeest vervulde. Het ijsvermaak blijkt een ideale vervanger: als een tijdelijk en ongereglementeerd niemandsland waar de regels en wetten an de vaste wal niet van toepassing zijn. 'Op het ijs kent men 's lands wijs': ook in de taal is het bijzondere karakter van het ijsvermaak overgeleverd. Op het ijs, dat immers niemand toebehoort, bepalen de schaatsers zélf de omgangsnormen. Rijk of arm, hervormd of gereformeerd, katholiek of jood: wie in elkaars schaatsslag past, rijdt samen een baantje. (...)
De ijsverenigingen zien het als hun taak om deze uitwassen van de volkscultuur te 'veredelen'. Dat daar voor hedendaagse begrippen merkwaardige initiatieven bij horen, bewijzen de zogenoemde spekrijderijen. Elke hulpbehoeftige mocht hieraan meedoen. Als een deelnemer op eigen houtjes de finish wist te bereiken, kreeg hij of zij ongeacht de snelheid of (gebrek aan) schaatstechniek wat spek of andere levensmiddelen toebedeeld. De betalende toeschouwers lachten zich krom om de voortstrompelende stakkers op schaatsen. Zelfs de taal kreeg er door dit nieuwe sociale initiatief een spreekwoord bij. Voor spek en bonen meedoen' is de bekendste uitdrukking die het georganiseerde ijsvermaak in de taal heeft nagelaten.
Twee weken geleden gaven we in deze kolommen een selectie door van uitspraken, die door ds. Weegink bijeengebracht waren (seculier en profaan), die door nabestaanden waren gewijd aan overledenen. Hoezeer hier het bredere volksgevoelen in de afgelopen decennia is verschoven mag blijken uit afscheidsbrieven van geëxecuteerden in de Tweede Wereldoorlog op de Waalsdorpervlakte op de grens van Den Haag en Wassenaar. Aan het slot ook een stuk met betrekking tot geëxecuteerde communisten.
Voor hun executie mochten de terdoodveroordeelden een afscheidsbrief schrijven. Vele zijn bewaard gebleven; sommige werden vermenigvuldigd en circuleerden als opwekkende literatuur. Als we de brieven mogen geloven, gingen de veroordeelden rustig, vol vertrouwen - om niet te zeggen: gelukkig - hun dood tegemoet. Eigenlijk waren ze te benijden; zij gingen naar God.
U moet over mij niet treuren want ik ga naar het Vaderhuis,' schreef bijvoorbeeld de 23-jarige KP'er Folkert Jagersma, "en dat is het toch wat wij allen eenmaal hopen te bereiken. Wat is het aardsche, vergeleken met wat ons Boven wacht?' Deze gedachte keert in de afscheidsbrieven steeds terug, soms in vrijwel identieke bewoordingen. Jacob Kraal, die samen met Jagersma werd gefusilleerd, schreef in zijn brief: 'Vader, ik ben de eerste van Uw kinderen, die naar Jezus en Moeder gaat.'
Henk Hos en Thies Janzen, medewerkers van Vrij Nederland, werden op 11 mei 1944 samen terechtgesteld.
'Hand aan hand gaan Henk en ik naar ons nieuwe vaderland,' schreef Janzen, 'en daar zullen we op jelui wachten.' 'Je moet me niet beklagen maar benijden', vond Janzen. 'Ik weet waarvoor ik sterf en ik weet zeker dat ik daarheen ga, waar Jezus mij en ons allen is voorgegaan.' Tegen Hos zei hij: 'Henk we gaan samen naar Jezus.' Hos, op zijn beurt, schreef aan zijn familie: 'Wij zijn volkomen kalm en rustig en gaan vol vertrouwen ons nieuwe land tegemoet. [...] Over een uur hopen wij in het Vaderhuis aan te komen.'
Zestig jaar van secularisatie later doet dit ijzeren vertrouwen in een leven na de dood, deze serene berusting van soms nog heel jonge mensen, vreemd aan:
'Ik heb nog 3 à 4 uur te leven,' schreef een 22-jarige Geus,'maar ik ga kalm heen!! [...] Het valt mij niet zwaar van de wereld te moeten scheiden, daar ik nu naar Hem ga waar geen tranen meer zullen vloeien. [...] Welnu moeder tot weerziens bij God.'
Adriaan Simonis, 25 jaar toen hij stierf, schreef in zijn afscheidsbrief:
'Treur niet over mij, ik word gelukkig in het groote Vaderhuis met zijn vele woningen ... de scheiding is tijdelijk, blijf trouw aan het Vaderland.' OD'er Jan Kwak schreef als 24-jarige aan zijn moeder dat zij niet moest treuren, want 'ik ga naar m'n hemelse Vader, waar geen weening meer is, maar eeuwige vreugde ...'
'(...) Onwillekeurig doen deze afscheidsbrieven denken aan die van communisten. Zonder uitzicht op het hiernamaals waren zij even kalm, bijna sereen. Hun hemel was de klasseloze maatschappij, die zij niet meer zouden meemaken, maar wel dichterbij hadden gebracht.
'Ik draag dit tragisch lot volkomen kalm,' schreef CPN-voorman Lou Jansen, die op 9 oktober 1943 samen met zijn kompaan Jan Dieters op de Waalsdorpervlakte werd terechtgesteld: 'lk heb steeds naar mijn overtuiging geleefd en mijn grote liefde voor de arbeiders was steeds mijn richtsnoer.'
Zijn leven was maar een van de vele slachtoffers die 'beloond zullen worden door een gelukkiger mensheid.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's