De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rijk van God, rijk van de wereld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rijk van God, rijk van de wereld

DE THEOLOGIE VAN MAARTEN LUTHER [4]

10 minuten leestijd

Inleiding
'Juristen zijn vijanden van Christus.'

Ik zal het moment dat ik die uitspraak hoorde, niet snel meer vergeten. Het was een van de eerste dingen die ik hoorde op mijn eerste college Rechten. Een vlijmscherpe uitspraak, waarin Luther de zaken radicaal tegenover elkaar plaatst. Een typisch voorbeeld - zo ontdekte ik later - van de dialectische wijze van zijn denken. Dat verleent zijn theologie aan de ene kant een directe helderheid, zozeer dat de kern van zijn denken in een aantal 'slogans' kon worden samengevat (sola fide, sola gratia etc.) - iets wat heeft bijgedragen aan de snelle verspreiding van zijn gedachtegoed.
Aan de andere kant roept de spanning, die door de scherpte van zijn tegenstellingen wordt veroorzaakt, vele vragen op. Het is daarom niet gemakkelijk om zijn denken helder en overzichtelijk in kaart te brengen, en dat geldt zeker voor zijn politieke theologie. Om die reden zal ik zijn politieke denken zo eenvoudig mogelijk proberen weer te geven, en hier en daar concreet toe spitsen.

Twee rijken, tweërlei bestuur
In zijn Von weltlicher Obrigkeit und wie weit man ihr gehorsam sei (1523) vinden wij de grondstructuur van zijn politieke denken. Het is doortrokken van de scherpe tegenstellingen. Er zijn twee rijken: het rijk van God, dat bestaat uit alle gelovigen, en het rijk van de wereld, waartoe alle ongelovigen behoren.
Beide rijken worden op een andere manier door God bestuurd. In het rijk van God geldt het geestelijk bestuur (regime, regiment). Christus is Koning en door de Heilige Geest doen de christenen volgens hun nieuwe natuur wat God van hen vraagt. De wet van dit Koninkrijk vinden wij in de Bergrede. Het rijk van de wereld wordt ook door God bestuurd, maar op een heel andere wijze. Hier bestuurt Hij de mensen door de overheid, die door de burgerlijke wetten de zonde van de mensen moeten beteugelen. Zou de overheid er niet zijn, dan zou het een chaos worden. Deze wetten zijn die van de natuur, die wij kennen uit de Bijbel.

Grenzen aan de overheidsmacht
Uit deze tegenstelling vloeide een strikte begrenzing van de overheidsmacht voort. In zijn al genoemde boekje stelt Luther dat de overheid zich op geen enkele wijze mag bemoeien met de zaken die tot het geestelijk bestuur hoorden. De overheid moest zich dus onthouden van religieuze zaken en mocht in geloofszaken geen enkele dwang opleggen. Aan de kerk was het Woord, dat door de werking van de Heilige Geest mensen tot waar geloof bracht. Dat Woord was ook haar wapen, waarmee de ketterijen moesten worden bestreden.
Dit betekende een geweldige breuk met de zogenaamde twee-zwaarden-leer, die de Rooms-Katholieke Kerk huldigde. Volgens die opvatting had de paus, als vertegenwoordiger van Christus, zeggenschap over het geestelijke en wereldlijke zwaard. Kerk en overheid hadden naar Luthers idee een strikt gescheiden opdracht. Dat betekende een enorme inperking van de bevoegdheden van de kerk, krachtig gesymboliseerd in de verbranding van het kerkelijk wetboek (Corpus Iuris Canonici). De overheid kreeg daarentegen een veel groter arbeidsveld. Zo leidde de inperking van het getal van de sacramenten er onder meer toe dat het huwelijksrecht voortaan onder het burgerlijk recht kwam te vallen.

Christen-burger: tweeërlei personen
Hoewel een christen onder het rijk van God en zijn bestuur valt, leeft en beweegt hij ook in de sfeer van het werelds bestuur; is hij ook burger en onderdaan van de wereldse overheid. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar? Behoorde een christen zich eigenlijk wel aan de overheidswetten te onderwerpen? En kon een christen een overheidsfunctie uitoefenen?
Luther onderstreept dat een christen de overheidswetten niet nodig heeft. Uit zichzelf doet hij wat goed is. Toch is hij ook een goed burger en gehoorzaamt hij de overheid. Dat doet hij uit naastenliefde. Hij heeft het zelf niet nodig, maar hij handelt met het oog op zijn naaste. Vanuit dit motief kon een christen met een goed geweten een overheidsfunctie uitoefenen, al was het dat hij een beul was.
Luther voert deze strikte scheiding door tot op antropologisch niveau. In zijn uitleg van de Bergrede (1530- 1532) stelt hij dat deze niet is geadresseerd aan degene in een officiële positie of autoriteit, zoals een staatsman of een vader, maar aan een individuele persoon, in de verhouding tot zijn naaste. Hij benadrukt dat er twee personen zijn in één mens:
(a) als individu, zoals hij is geschapen en geboren - gelijk aan elkaar, en
(b) als maatschappelijke persoon, zoals staatsman en vader.
Als vader behoor je je kinderen te beschermen en kwijt je je niet van je door God gegeven taak als je 'de boze niet zou wederstaan', zoals in de Bergrede gesteld wordt. Heel anders is het in je relatie als individu tot bijvoorbeeld je buurman. Dan heeft de Bergrede volledige zeggingskracht en mag je bijvoorbeeld jezelf niet voor de rechtbank verdedigen.

Evangelische en publieke moraal
Er zijn hier wel vragen te stellen. Kun je praktisch gezien dat scherpe onderscheid tussen individu en sociale rol volhouden? Zaken spelen dan misschien niet in de directe relatie tussen bijvoorbeeld vader en kind, maar kunnen daar indirect natuurlijk wel aan raken. Zwaarwegender is de vraag, of je het burgerlijk leven wel zo strikt moet scheiden van de evangelische moraal? Waarom zou een evangelische moraal niet tot op zekere hoogte kunnen doorwerken in het maatschappelijk leven? Publieke moraal kan slechts bestaan, wanneer zij het perspectief op het Koninkrijk houdt.
De scherpte van deze tegenstellingen moeten wij evenwel begrijpen vanuit de kern van Luthers denken: de rechtvaardiging door geloof alleen (sola fide). Luther wil voor alles voorkomen dat het heil kan worden verworven door het doen van goede werken. Alle werken die worden gedaan als burger, kunnen niet tot de zaligheid leidden. De functie van de burgerlijke wet is om de zonde te beteugelen. 'De volkomenheid moet niet in wat wij doen, maar van binnen gezocht worden, in het hart, in geloof en liefde.' Dat betekende een enorme breuk met de middeleeuwse maatschappijvisie, waarin een volkomen leven in het kloosterleven - dus een sociale rol - zou liggen. Daartegenover stelt Luther in zijn uitleg van de Bergrede dat het evangelie 'slechts' de relatie tussen God en het hart aangaat.
Bovendien brengt de naastenliefde, van waaruit een christen in de maatschappij handelt, een evangelische gezindheid. Wanneer hij vanuit de naastenliefde handelt, zal hij 'het zwaard' nooit op wraakzuchtige wijze hanteren, want hij handelt niet met het oog op zichzelf, maar met het oog op zijn naaste.

'Misschien zijn juristen toch wel goede christenen'
Luthers opvattingen vonden aanhang onder tal van mensen, onder wie ook juristen en bestuurders. Zij zagen zich voor de vraag geplaatst hoe zij Luthers ideeën konden toepassen in het staatsbestel. Mede hierdoor kreeg Luther meer oog voor de positieve betekenis van de overheid, dat haar taak niet alleen bestond in het beteugelen van de zonde, maar ook ten dienste stond aan ontplooiing van de scheppingsorde. Zo schreef hij in zijn boekje over het huwelijk (Vom ehelichen Leben, 1522) een prachtige passage waarin de geringste huishoudelijke klusjes, bezien vanuit het geloof, oplichten als edelstenen in Gods goede schepping. Een belangrijke ontwikkeling is ook dat hij voor de overheid een taak weggelegd zag inzake de godsdienst. Hij vond hij dat de overheid ketterijen moest weren. Een belangrijke oorzaak was de Boerenopstand en met name de rol die de doperse radicalen daarin speelden. Zij gebruikten de deplorabele toestand waarin veel boeren leefden, om hun ideeën in praktijk te brengen. Zij wilden het Koninkrijk van God op deze wereld vestigen. Hoewel Luther misschien te weinig oog had voor de situatie waarin veel boeren verkeerden, kwam hij in fel verzet tegen de in zijn ogen uiterst gevaarlijke ideeën achter deze opstand. Een politiek waarin het eschaton werd afgedwongen, moest niet alleen met het Woord maar ook met het zwaard de kop in worden gedrukt.

Luther en de liberale staat
Luther is een theocratisch denker: de staat is een instelling van God en overheidsdienst is een voluit christelijk werk. Daarin staat hij - zeker gezien de ontwikkelingen in zijn denken - dicht bij het theocratisch denken van de gereformeerde hervormers. Desondanks had hij, vanuit het sola fide, een uiterst waakzaam oog voor 'eschatologische staatsprojecten', waarin de staat en maatschappij worden aangestuurd vanuit utopische motieven, zoals bijvoorbeeld de doperse radicalen voor ogen stond. Of zoals veel eerder, het oude Rome ten tijde van de keizercultus (dat in het boek Openbaring wordt blootgelegd); of zoals veel later in landen als Rusland en China staat en maatschappij moesten worden hervormd naar de communistische heilsideologie.

Het is dan ook verleidelijk om zijn denken te vergelijken met de liberale staatsidee, waarin kerk en staat strikt gescheiden zijn. Hoewel die gedachte zeker is terug te vinden bij met name de 'vroege' Luther, stond die gédachte in een totaal ander kader. Zijn theocratisch denken wijst op de fundamentele eenheid tussen staat en kerk: zij beide vinden hun oorsprong in Gods wil. De scheiding voltrekt zich vanwege het eschatologisch karakter van Gods komst in Jezus Christus.
Schepping(sorde) en herschepping zijn de twee wijzen waarop God die gescheiden rijken bestuurt. In de liberale staat functioneert die scheiding totaal anders. De staat is een fictief contract dat mensen als het ware met elkaar hebben gesloten, omdat je nu eenmaal samen heel wat zaken beter kan regelen. Dat leidt tot een heel andere taakstelling van de overheid: zij is er om zoveel mogelijkheden te scheppen, zodat mensen zoveel mogelijk kunnen doen om hun behoeften te bevredigen, zonder dat anderen benadeeld worden. Slechts een neutrale staat kan op eerlijke wijze de belangen behartigen van al haar onderdanen, zodat elke vorm van religie uit het publieke domein moet worden verdrongen, en slechts op het niveau van de individuele menselijke behoefte is komen te liggen.
Zo bezien gaan onder ogenschijnlijke overeenkomsten diepgaande verschillen schuil. Daarom moet het door de overheid geïnitieerde debat over normen en waarden - hoe sympathiek ook - door de kerk allesbehalve kritiekloos worden omarmd. Een neutrale staat heeft een moreel lege kern en is bijna per definitie gericht op overleven. Zo zou de alom gehoorde roep tot aanzienlijke verscherping van de strafmaat - hoe terecht dat misschien op zichzelf ook is - uiteindelijk wel eens een ultieme poging tot zelfhandhaving kunnen zijn. Daartegenover moet de kerk niet allereerst de moraal, zelfs niet de christelijke moraal plaatsen, maar het evangelie. Kruis en opstanding, oordeel en leven. Slechts het evangelie kan de staat redden van de drang tot overleven, en het op zijn eigen, door God geschonken plaats wijzen. Dat heeft Luther haarscherp aangegeven. Tegelijk zal de kerk zich moeten bezinnen op de verhouding, zonder het scherpe onderscheid tussen beide rijken uit het oog te verliezen, tussen evangelische en publieke moraal.

Ten slotte
Door de scherpe tegenstellingen heeft zijn politieke denken iets onmiskenbaar robuusts. Daarin weerspiegelen zich zijn strijdbaarheid en de harde wijze waarop de kerkelijke en maatschappelijke strijd werd gevoerd. Luther laat er dan ook geen illusie over bestaan: een christen die in staat of maatschappij werkt, heeft een zware taak. Dat verklaart waarom zijn denken tegelijk zo is doortrokken van een warme, pastorale toon, wanneer hij in zijn brieven antwoorden formuleert op de vragen die hij van geestverwante bestuurders en juristen kreeg voorgelegd. In dat spanningsveld heeft Luther de kern van zijn denken tot maximale gelding willen brengen. Indrukwekkend.

B.A. BELDER., SCHELLUINEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Rijk van God, rijk van de wereld

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's