Blijdschap als samenvatting
LUTHER OVER HET KERSTEVANGELIE [2]
Het geloof hecht zich juist vast aan dat: u! Daardoor wordt het gewekt, daarop wordt het betrokken, dat is kenmerkend voor het gelovig luisteren! 't Ongeloof laat dat woordje u uit, of laat het voor wat het is. Het geloof beaamt het volmondig: 'De engel zegt: u is Hij geboren.' Dan moet men zeggen: 'Amen, ik dank U daarvoor, lieve Heere.' Het verstand echter zegt: ik geloof wel dat de Heere en Heiland uit een maagd is geboren; Petrus en Paulus zal Hij wellicht helpen; maar mij, zondaar, is Hij niet geboren, mij zal Hij niet aanzien. Dan zegt u wel dat u het eerste gelooft, maar ook dit is niet waar! Want als men dat 'u' niet meer verstaat, laat de duivel het graag toe dat de engel de Heere en Heiland verkondigt. Maar dat Hij ú geboren is, en dat u er zich in verheugt, dat heeft hij niet graag.'
Dit geloof komt niet uit de lucht vallen. Luther heeft steeds de degen gekruist met de geestdrijvers, die het Woord minachten. Maar juist bij het Kerstevangelie blijkt dat het geloof uit het gehoor is. 'De herders wordt het gepredikt, en dan pas ontluikt het geloof in de zielen. Houd het woord hoog, stel de prediking op prijs. Het wordt de herders verkondigd door het woord. Let daar wel op, tegenover de dwepers, die bij de Heilige Geest te gast willen gaan, zonder het Woord. De herders horen het niet onmiddellijk van de Heilige Geest, zoals de dwepers, die het uitwendige woord verwerpen. Wie in het evangelie vorderingen wil maken, late de geesten varen die het uitwendig woord veroordelen. Zij hebben niet ondervonden wat het evangelie is en vermag, ik heb er meer van ondervonden als zij.'
Inderdaad, Luther had het geweld van het Woord ondervonden. Het Woord had hem de poort van het paradijs opengedaan. Daarom is hij er zo op gesteld. Daarom ook is hij vol goede moed voor de prediking, zwaait hij met het zwaard des Geestes onversaagd! Het geloof is uit het gehoor, eens voor 't eerst, en gedurig weer! Dan teert men op de kost van de sabbat, en men hongert ernaar. Wanneer Luther op het geloof aandringt, bedoelt hij allerminst een oppervlakkig en verstandelijk toestemmen.
'De woorden kan iedereen begrijpen, ook de schijnvromen, maar zij gaan niet van harte; ze komen bij het horen en gaan ook weer onder het horen. Dat is geen geloof, maar herinnering aan het gehoorde. Daar zet men rijkdom en eer, lijf en leven niet voor op het spel. Zij nemen het woord net op als het papier dat doet: het neemt de woorden op, geeft ze aan anderen door en blijft toch papier. Zo kunt u deze allerzoetste woorden van het ene papier op het andere overschrijven, van de ene tong op de andere leggen, maar het gaat niet in 't hart, maar ligt op de tong en blijft op de tong. Zo nemen die ook deze hoogste schat aan, tot hun schade, en menen dat zij christenen zijn; zoals wanneer het papier zou zeggen: ik heb het schrift stellig in mij en daarom zal ik zalig worden. En dan komt het vuur en verbrandt het papier.'
Nee, het waarachtige zaligmakende geloof is een zaak van het hart. Het Woord raakt het hart en de Heilige Geest maakt er gebruik van, zodat het wat zegt en wat doet. Dat is steeds weer een wonder, want somtijds is het anders, vervaagt het evangelie en verflauwt het geloof. Ook onder de prediking, ja juist dan wordt het zo smartelijk. Luther klaagt er over: 'Dat is de grootste kwelling: het Woord horen en toch niet horen; de troost aanschouwen en toch niet aanschouwen, erover denken en het toch niet ondervinden.' Dan benauwt de dienst des Woords en wie weet er niet van? De Heere handhaaft de vrijmacht van de Geest en toch ... het hart dorst naar de wateren van het Woord, naar het lavende evangelie! 't Drijft te meer uit, al is het teleurstellend.
Als de prediking dit geloof wekt: u, zodat de ziel in de ruimte wordt gesteld van Gods ontferming en van Gods trouw, blijft dat dan altijd levendig? Is het niet dikwijls alsof mét de prediking ook de verzekering een einde neemt? Dat is Luthers ervaring: 'Hun gaat het allereerst aan die door de Wet verschrikt zijn, hun predikt de engel: Ik verkondig u grote blijdschap. Maar hieraan schort het: dat het bij het prediken blijft.
Wel is de zuurdeeg in het deeg gemengd, maar ik zou zo graag willen dat het deeg er geheel van doorzuurd was.'
De nacht is voortgeschreden, de dag is niet meer ver;
bezingt en looft nu mede de h eld're Morgenster!
Wie in de nacht moet wenen, hij kan toch blijde zijn:
een ster is hem verschenen, in 't midden van zijn pijn.
Hij, voor wie eng'len buigen, wordt nu een kind, een knecht.
God zelf komt hier getuigen verzoening van Zijn recht.
Wie voor zijn schuld mocht vrezen, heffe op 't gebogen hoofd;
dit zal zijn redding wezen, dat hij in 't Kind gelooft.
Nog meen'ge nacht zal dalen op mensenleed en schuld;
toch leidt nu zonder falen de ster van Gods geduld.
Beschenen door zijn klaarheid, schaadt u geen duister meer,
want God zond u in waarheid Zijn eeuwge redding neer.
(Jochem Klepper, vertaler niet bekend. Opgenomen in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente als Gezang 83; 3 strofen van 4)
De zondag wordt een bergtop, de week ligt als een laagte. Maar bij de Heere blijft het op peil, en door de bediening van de Geest blijft de vrede bestendig, al luwt de blijdschap! Want blijdschap, dat is de samenvatting van het Kerstevangelie: Niets dan vreugde! Ik verkondig u grote blijdschap.
'Zie, daar hebt u nu wat het evangelie is, namelijk een vrolijke prediking van Christus, onze Zaligmaker. Wie Hem recht predikt, die predikt het evangelie en louter vreugde. Wat kan een hart voor vreugdevollers horen, als dat Christus hem tot eigendom wordt gegeven. Hij zegt niet slechts: Christus is geboren, maar eigent ons Zijn geboorte toe en zegt: úw Zaligmaker. Dat is naar de aard van het evangelie. Wat zou het mij baten dat hij duizendmaal geboren was en dat Hij dagelijks op 't schoonst werd voorgezongen, als ik niet mocht horen, dat het mij geldt, en dat Hij de mijne is. Als echter die stem weerklinkt, hoe flauwtjes ook, dan luistert mijn hart met vreugde. Dat dringt dooi alles heen, en klinkt zo goed.
Zie toch, hoe een mens jubelt, als hij een kleed of tien gulden ontvangt. Hoe velen dansen en jubelen zo, als zij de prediking der engelen horen: u is de Zaligmaker geboren. Ja, het merendeel meent helaas dat deze prediking, die men moet prediken, niet veel om het lijf heeft, en als zij het gehoord hebben, gaan ze huns weegs en blijven die ze waren. Daaruit blijkt dat wij het geloof niet hebben. Als ik echter kan zeggen: ik neem dit kind tot mij als mijn eigen bezit, omdat de engel het mij ten eigendom geeft, daar kan het niet missen: als een hart dit gelooft, moet het Maria liefhebben, en nog meer het Kind, en voor alles God, de Vader. Als het namelijk waar is, dat de uit de maagd Geborene ook de mijne is, dan heb ik geen toornende God meer. Dan moet ik bemerken en gevoelen hoe daar enkel lachende blijdschap is in het hart van de Vader, en geen onbehagelijkheid in mijn hart. Als wij dit verstaan, ontwaken we als uit een droom en zeggen: O God en Vader, is het waar, dat Uw Zoon van mij is? Hoe kan ik dan bedroefd zijn?
Wie zal mij dan ergens in benadelen? Grotere woorden kan ik niet spreken, ook de engelen, ook de Heilige Geest niet. Ik waag het ternauwernood uit te spreken. Van harte en graag hoor ik daarvan zingen en spreken. Zolang, de blijdschap ontbreekt, is het geloof zwak of heel niet aanwezig en gelooft gij de engel nog niet.'
Kerstfeest, Kerstevangelie. Ja waarlijk, het evangelie maakt blij als in de oogst, als wanneer men de buit uitdeelt. En dit is een veeg teken voor de viering van Kerstfeest dat de vreugde zo schaars is. Kan het dan niet lijden? 'Waar zijn die christenen die vrolijk zijn over het geschenk van de Zone Gods? Het wil maar niet licht worden, het wil maar niet lachen. Bernardus van Clairvaux zegt: 'Als ik het hartelijke verlangen der vaderen naar de komst van Christus bezie en bedenk, en hoe graag zij Hem aanschouwd zouden hebben, - ik heb zulk een lust, vreugde en verlangen naar Hem niet, nu Hij er is, als zij, toen Hij nog komen moest. Wij zijn de naam van christenen niet waardig. Kinderen zijn blij, de wereld verheugt zich over haar zilver en haar goud, de.profeten waren van vreugde gestorven, als zij Hem hadden gezien zoals Simeon spreekt: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede. Hij rekent de dood voor niets! Zo zou het ook met ons het geval zijn, als wij Hem met vreugde tot ons namen.'
Wat Luther over het Kerstevangelie ten beste geeft, is nog niet verouderd. Want de waarheid van het evangelie is nieuw, en het leven van Gods gemeente wordt niet anders. Geve de Heere dat Zijn Woord weerklank vinde in onze harten, opdat wij dit Kerstfeest vieren met vreugde in het hart en metterdaad mogen heengaan en zien het Woord dat geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd - naar Bethlehem.
Uit: Gereformeerd Weekblad, Kerstnummer 1946, blz. 413-415.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's