Uitgetogen van de val
BIJBELSE HOOFDMOMENTEN IN REVIUS’ POËZIE
Zonde en verlossing
Voor velen is de zeventiende-eeuwse predikant-dichter Jacobus Revius de dichter van slechts één gedicht: 'Hij droeg onze smerten', met de beginregel: "t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten'. Geheel ten onrechte! Wie Revius' verzamelbundel Over- Ysselsche Sangen en Dichten openslaat, komt ruim 450 pagina's poëzie tegen. De bijbelse hoofdmomenten krijgen daarin royale aandacht.
Zo ook Advent en Kerst, want Christus' geboorte is een wonder waarover de dichter niet uitgedacht raakt. Een van die kerstgedichten heet Geboorte en daarin legt Revius direct de beslissende accenten. De vierde strofe is illustratief:
Ons droeve val, heeft in de stal,
0 Konink, u verschoven;
dus maakt Gij ree [gereed] een reine stee
voor al die U geloven.
In een notendop vinden we hier het wezenlijke van zijn reformatorisch-christelijke geloofsopvatting, zijn gereformeerde 'spiritualiteit' zoals we tegenwoordig zeggen. De inzet is onze 'droeve val': daar ligt het begin, de diepere oorzaak van de geboorte van Christus. Omdat wij zo diep zijn gevallen, moest Koning Jezus diep neerdalen: 'verschoven', dat wil zeggen op smadelijke wijze verstoten, verschopt naar een stal. Op deze wijze bereidt Hij een 'reine stee', een heerlijke plaats. En wie komen in die 'reine stee'? Het antwoord is kort en krachtig: allen die in U geloven, allen die een persoonlijke band hebben met Koning Jezus.
Vier regels slechts, maar rijk van inhoud, met drie kernen: zondeval, Christus' komst in deze wereld als Verlosser, de noodzaak van een persoonlijk geloof. Met die laatste kern eindigt ook het gedicht:
O Bruidegom, weest wellekom!
Ik heb U lang gebeidet [verwacht].
Ook in mijn hert geboren werd [wordt]
en nimmer van mij scheidet.
Een Overijsselse dichter
Revius werd in 1586 in Deventer geboren. Eigenlijk heette hij Reefsen, maar naar de gewoonte van die tijd verlatiniseerde hij deze naam later tot Revius. Na zijn predikantenstudie werd hij eerst predikant in de Achterhoek, daarna van 1614 tot 1642 in Deventer. Zijn activiteiten waren velerlei. Hij had grote belangstelling voor muziek en wetenschap, wat verklaart dat hij in Deventer onder meer nauw betrokken was bij het Muziekcollege ter plaatse en bij het Atheneum Illustre, waarvan de naam nog voortleeft in de huidige Deventer Atheneumbibliotheek. Zeer actief was hij ook op het terrein van de dichtkunst. Zijn liefde voor poëzie was groot en hij bezat zelf een grote dichterlijke begaafdheid. Met Constantijn Huygens, de secretaris van de Oranjes, behoort hij ongetwijfeld tot de beste calvinistische dichters van de zeventiende eeuw.
Ook zijn kerkelijke activiteiten waren omvangrijk. Als kenner van het Hebreeuws was hij voor de Statenvertaling revisor voor het Oude Testament. Ook maakte hij een uitstekende psalmberijming, waar ik nog op terugkom. Vanaf 1642 was hij nauw betrokken bij de predikantenopleiding aan de universiteit te Leiden als regent van het 'Collegie' dat gesticht was voor theologiestudenten die hun studie zelf niet konden betalen. In die functie was hij allereerst toezichthouder - dat was toen ook al nodig! - , maar oefende hij de studenten ook in 'disputeren' en 'declameren' en gaf hij leiding bij het 'resumeren' en 'repeteren' van de collegestof. In Leiden overleed hij in 1658.
Revius 'herziene' psalmberijming
De verzamelbundel Over-Ysselsche Sangen en Dichten bestaat uit twee delen: het eerste deel bevat 'bijbelse' gedichten, chronologisch vanaf de schepping tot het laatste oordeel), het tweede deel bevat 'overige' gedichten (gelegenheidsverzen, vaderlandse gedichten, e.d.). De bijbelse verzen zijn verdeeld over twee boeken: het 'Eerste Boeck' bevat verzen naar aanleiding van gebeurtenissen in het Oude Testament, het 'Tweede Boeck' verzen over het Nieuwe Testament. Dat 'Tweede Boeck' zet uiteraard in met diverse gedichten over de geboorte van de Heiland, zoals het reeds genoemde gedicht 'Geboorte'.
Opvallend is dat de bekende lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon in de Over-Ysselsche sangen en dichten ontbreken. Maar dat is gemakkelijk te verklaren. Ze zijn te vinden achter de psalmen van zijn 'verbeterde' psalmberijming.
Eerst iets over Revius' psalmberijming. We leven momenteel in een tijd met een opvallend aantal nieuwe bijbelvertalingen: de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), de Herziene Statenvertaling (HSV) en de Naardense Bijbel. In de zeventiende eeuw was iets dergelijks aan de hand op het terrein van de psalmberijmingen. De onvrede met de bestaande berijming van Datheen uit 1566 was zo groot dat vele dichters zelf aan het werk gingen en na jaren van noeste arbeid een eigen psalmberijming op de markt brachten. Marnix van Sint Aldegonde kwam al aan het eind van de zestiende eeuw met een nieuwe psalmberijming, die de Nationale Synode van 's-Gravenhage (1586) aanvaardde, maar die desondanks geen ingang vond in de gemeenten. Na Marnix zouden nog vele dichters volgen, onder wie Revius.
Revius was van mening dat op de nieuwe bijbelvertaling - de Statenvertaling van 1637 - een nieuwe psalmberijming van hetzelfde hoge niveau moest volgen. Dat vind ik steeds weer zo boeiend in deze rasechte calvinist: je moet niet kiezen voor het oude omdat het oud is, je moet niet kiezen voor het nieuwe omdat het nieuw is, maar je moet kiezen voor het betere! Hij pakte het wel anders aan dan Marnix: hij koos niet voor een geheel nieuwe berijming, maar voor een verbetering. We kunnen ook spreken van een herziening, vergelijkbaar met wat thans gebeurt met de Herziene Statenvertaling. In de gereformeerde kerken werd al bijna driekwart eeuw de berijming van Datheen gezongen en Revius besefte dat het kerkvolk deze niet gemakkelijk zou opgeven. Daarom probeerde hij met zijn eigen berijming het goede van Datheen te behouden en het minder goede te verbeteren. Zijn berijming was in 1640 gereed en op de titelpagina vermeldde hij nadrukkelijk, verwijzend naar Datheens berijming: 'in sin ende rijmen gebetert'. Verbetering van de 'sin' slaat op verstaanbaarheid - verouderde woorden eruit - en een nauwere aansluiting bij de onberijmde tekst (de Statenvertaling die Datheen nog niet kon gebruiken): de bedoeling van Gods Woord moest helderder verwoord worden. Verbetering van de 'rijmen' slaat op de dichterlijke vormgeving: de vele stoplappen van Datheen moesten verwijderd en zinsbouw en woordorde moesten beter harmoniëren met het ritme van de melodie.
Revius' psalmberijming is misschien wel de beste uit de zeventiende eeuw, maar kreeg helaas geen kans omdat er na Dordt (1618/19) de zeventiende eeuw geen Nationale Synode meer is gehouden.
De lofzang van Maria
Behalve de 150 psalmen verbeterde Revius ook de 'Enige gezangen' die Datheen achter de psalmen had opgenomen. Daaronder behoren ook de drie hierboven genoemde lofzangen. Om iets van Revius' werkwijze te laten zien, citeer ik het eerste couplet van de Lofzang van Maria. Bij Datheen lezen we:
Mijn ziel maakt groot den Heer,
mijn geest verheugt hem [= zich] zeer,
in mijnen God vol trouwen [die vol getrouwheid is].
Hij is mijn zaligheid,
end wil ook die kleinheid
Zijner dienstmaagd aanschouwen.
Bij Revius luidt het eerste couplet:
Mijn ziel maakt groot den Heer;
mijn geest den lof en eer blijmoediglijk gewaget [vermeldt]
mijns Heilands, die Zijn oog slaat
van den hemel hoog op Zijn geringe maget.
Zoals te zien is, heeft Revius heel wat van Datheen behouden. Opvallende verschillen zijn dat Revius 'vol trouwen' in r. 3 verwijdert - dit is vulling die niet in de onberijmde tekst voorkomt - en dat hij 'zaligheid' vervangt door 'Heiland', wat nauwer aansluit bij 'Zaligmaker' in de onberijmde tekst (Luk. 1:47).
Spruit van David
Christus' komst in deze wereld is voorspeld door de profeten van het Oude Testament. Die bijbelse gegevens gebruikt Revius volop, bijvoorbeeld Jeremia 32:5: 'Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik aan David een rechtvaardige SPRUIT zal verwekken. Die zal Koning zijnde regeren [...].' Revius werkt dit gegeven uit in zijn gedicht 'Spruite Davidis', dat helemaal gebouwd is op het beeld van de spruit die uitloopt en bloesem en vrucht voortbrengt:
Een spruitje heeft de Heer geplant
te Bethlehem in 't Joodse land,
uit Davids stam gesproten,
vol Koninklijke loten.
Zijn twijgen staan wijd uitgebreid,
met bloemen sierlijk overspreid [bedekt]
als met een peerlen [paarlen] krone.
Geen schoonheid is zo schone.
In 's Heren Iusthof zal Hij staan
vol vruchten die de ziel verzaên [verzadigen].
Zijn loof geneest de kranken
wijd [ver] boven alle dranken.
Gods waarheid zal Zijn wortel zijn,
Gods hete [warme] liefd' Zijn zonnenschijn,
de groten Geest [Gods Geest] een reine
en levende fonteine.
O Vader goed, geef dat wij ras
dit overkostelijk gewas
met hertenvreugd genieten:
geen kruis zal ons verdrieten.
Lof Jesu Christi
De nieuwtestamentische gedichten in de Over-Ysselsche sangen en dichten zetten in met enkele verzen die de titel Lof Jesu Christi dragen. Revius gebruikt voor Christus vaak het woord 'Koning'. We kwamen het ook al tegen in het gedicht Geboorte: de Koning in een stal. Dezelfde aanduiding gebruikt hij in het volgende prachtige gedicht, met een even prachtige melodie (zie voor de melodie lied 249 in de bundel Uit aller mond... of lied 421 in het Liedboek voor de Kerken).
Zolang als ik op aarde leven zal
mijn Koning groot ik ere geven zal,
met woord, met daad, met juichen en gezank.
Hij heeft mij uitgetogen van [verlost uit] de val,
geschreven in Zijn uitverkoren tal,
dies [daarom] mijne ziel Hem spelet lof en dank.
Zijn bitter lijden doet mij verblijden,
Zijn hert is mijn, het mijn is Zijn.
Treurigheid wijke, vrolijkheid blijke,
want Jezus wil mijn Heiland zijn.
Als mijn gemoed Hem biddet met aandacht,
als mijne tong Hem prijzet dag en nacht,
als ik Hem dien als Zijn gehoorzaam kind,
de wereld boos mij spottet en belacht
Maar wederom [van mijn kant] ik harer niet en acht:
al hare trots die schrijf ik in de wind.
Hoe Hij het voeget, mij wel genoeget.
Hij maket al na Zijn geval [naar Zijn welbehagen].
Hij is de beste, d' eerste en de beste die ik bemin en minnen zal.
Ook hier staat weer centraal de liefdesband van de gelovige met Christus, de mystieke eenheid van 'mijn' en 'Zijn'. In een en hetzelfde gedicht klinkt zowel de ruimheid van Gods genade door - 'Jezus wil mijn Heiland zijn' - als het feit dat het heil niet uit ons komt, maar van boven, van Gods kant: Hij maakt alles 'na Zijn geval', naar Zijn goddelijk welbehagen.
Uitgetogen van de val
Dit lied lijkt weinig op een kerstgedicht zoals we dat gewend zijn. Maar dat is slechts schijn. In de eerste strofe staat: 'Zijn bitter lijden'. Revius wijst er steeds weer op dat het lijden van Christus begon bij Zijn geboorte in de stal te Bethlehem. En Zijn lijden, van Bethlehem tot Golgotha, baande de weg naar ons 'verblijden'.
Die blijdschap is de vreugde om redding en verlossing. Uit 'ons droeve val' kunnen we niet zelf opklimmen of omhoog krabbelen. De redding komt van Zijn kant, in Revius' woorden: 'Hij heeft mij uitgetogen van de val'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 2005
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's