De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Alleen houvast in het Woord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Alleen houvast in het Woord

DE THEOLOGIE VAN MAARTEN LUTHER [5]

8 minuten leestijd

Een van de kernvragen van de Reformatie betreft het gezag van de Schrift.
Waarom geloven wij dat de Bijbel het Woord van God is? Omdat de kerk het leert, omdat we dat kunnen bewijzen of geloven wij dat op grond van onze eigen innerlijke overtuiging? In het eerste geval is het gezag van de Schrift ondergeschikt aan dat van de kerk. Bij Rome is het gezag van de Schrift helemaal verankerd in het gezag van de traditie en van de kerk en daartegen heeft de Reformatie zich verzet. Er zijn ook bedenkingen tegen de tweede oplossing. Als het gezag van de Schrift bewezen kan worden, wordt de Schrift afhankelijk van ons verstand, maar echte zekerheid kan nooit gebaseerd zijn op verstandelijke redeneringen. Het derde standpunt fundeert het gezag van de Schrift op de persoonlijke geloofsovertuiging. Daar kleven echter ook bezwaren aan. Wordt het dan willekeur? Ik geloof de Schrift, omdat ik nu eenmaal zo opgevoed ben of omdat de Bijbel mij nu eenmaal aanspreekt. In de postmoderne cultuur is dit standpunt erg verleidelijk. De Reformatie heeft ook deze derde positie afgewezen, al is de precieze verhouding tussen het gezag van de Schrift en onze innerlijke overtuiging daarvan een moeilijke crux in de protestantse theologie gebleven.

Helder, betrouwbaar, eenvoudig
De reformatorische oplossing voor dit probleem werd gevonden in de autopistie van de Schrift. De Schrift is in zichzelf (auto) geloofwaardig (pistos), overtuigt ons door zichzelf en brengt haar eigen gezag met zich mee. Door het getuigenis (testimonium) van de Heilige Geest worden wij overtuigd van de waarachtigheid die de Schrift in zichzelf heeft. De autopistie van de Schrift en het getuigenis van de Geest zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
Omdat de Heilige Geest de auteur van de Schrift is, vindt de Schrift ook weerklank in het hart van de gelovigen. Door die weerklank worden zij verzekerd dat zij in de tekst van de Schrift Gods eigen stem (viva vox Dei) horen.
De autopistie van de Schrift mag niet verward worden met een subjectief beroep op het innerlijke licht. De Schrift staat tegenover ons en God spreekt ons aan. Wij worden overtuigd door dit getuigenis van de Geest in en met de woorden van de Schrift.
Calvijn heeft het begrip autopistie in de theologie geïntroduceerd. Bij Luther komen we het begrip niet tegen.
Toch kunnen er citaten uit zijn werken gegeven worden waarin de gedachte dat de Schrift in zichzelf geloofwaardig is, tot uitdrukking komt. Hij schrijft onder andere dat het vast moet staan voor alle christenen dat de heilige Schrift een licht is dat veel helderder schijnt dan de zon zelf. De Heilige Schrift moet noodzakelijkerwijs helderder, eenvoudiger en betrouwbaarder zijn dan alle andere geschriften. Ook vinden wij bij hem in een notendop het testimonium van de Heilige Geest.

Zekerheid van het heil
De visie van Luther op de verhouding tussen het gezag van de kerk en het gezag van de Schrift kan mooi geïllustreerd worden aan de hand van een citaat van Augustinus. 'Ik zou het Evangelie niet geloven, als het gezag van de katholieke Kerk mij daartoe niet bewoog'. Het laat zich raden dat de rooms-katholieke theologen daarin een bevestiging zagen van hun standpunt. 'Zie je wel, het gezag van de Schrift hangt af van het gezag van de kerk; dat heeft zelfs Augustinus al geleerd'. De Reformatie had een probleem.
De tegenstanders, zo schrijft hij, vragen hoe wij kunnen weten wat het Woord van God is en antwoorden dat wij dat moeten leren van de paus en van de concilies. 'Maar ik zeg dat u daar uw vertrouwen niet op kunt stellen en uw geweten niet mee kunnen bevredigen, u moet het voor uzelf weten, het gaat om uw hals, om uw leven! Daarom moet God het in uw hart zeggen: dat is Gods woord, anders blijft het onbeslist.' Als zij het citaat van Augustinus naar voren brengen dat hij het evangelie niet zou geloven, als het gezag van de kerk hem daar niet toe bewoog, antwoordt Luther: 'Wat heb ik daar aan? Al zou Augustinus of Hieronymus, de heilige Petrus of de heilige Paulus, ja sterker nog zelfs de aartsengel Gabriël uit de hemel het zeggen, het helpt niets, ik moet het Woord van God hebben, ik wil horen wat God tegen mij zegt.'
Uit Luthers reactie blijkt dat achter de vraag naar het gezag van de Schrift, de vraag naar de zekerheid van het heil schuilgaat. Waar aan kan een christen zich vastklemmen? Wat biedt houvast, troost en zekerheid? 'Het woord kan men mij wel prediken, maar alleen God kan mij het Woord geven in de grond van het hart. Daarom laat ik mij niet wegdringen van het Woord dat God mij leert.' Het gezag van de Schrift is een halszaak en daarom mag het niet hangen aan het institutionele gezag van de kerk. Daarom schrijft Luther ook zo relativerend over deze opmerking van Augustinus. Wie is Augustinus eigenlijk? 'Het is een feilbaar mens en al was het een engel uit de hemel, échte houvast ligt alleen in het Woord van God zelf. Als Augustinus dat zo gezegd heeft, wie heeft hem dan het gezag gegeven dat wij hem moeten geloven?'
De zekerheid van ons heil mag nooit afhangen van het gezag van de kerk als instituut. Daar ging het bij de Reformatie ten diepste om. Je kunt een onrustig geweten niet sussen met het gezag van de kerk. Wij moeten het zelf uit Gods mond horen, want het gaat om onze hals en om ons leven.

Kerk als bruid en moeder
Betekent dit dan dat de kerk helemaal geen rol speelt? We mogen de positie van de Reformatie op dit punt niet verkeerd verstaan. Luther en Calvijn hebben zich gekeerd tegen het institutionele leergezag van de paus en de concilies. Zij hebben echter tegelijkertijd het belang van de kerk als bruid van Christus en als moeder van de gelovigen benadrukt. Luther schrijft: 'Want het woord van Augustinus luidt eigenlijk zo: Ik zou het Evangelie niet geloven, als niet het gezag van de ganse christenheid mij daartoe niet bewoog.' Voor Luther is het gezag van de kerk het gezag van alle christenen. 'Maar onze tirannen stellen zichzelf aan de christenheid gelijk, alsof de leken en de gewone mensen geen christenen zijn.' Luther maakt een onderscheid tussen de kerk als instituut en de kerk als de gemeenschap der heiligen.
Traditie of overlevering wil zeggen dat de Schrift als een olympisch vuur van geslacht op geslacht wordt doorgegeven. Wij ontvangen de Schriften uit de handen van de gemeenschap der heiligen. Luther: 'De ezelskoppen zien niet wat voor Augustinus de aanleiding was tot dit citaat. Hij spreekt hier tegen de Manicheeën, alsof hij wil zeggen: ik geloof jullie niet, want jullie zijn vervloekte ketters, maar de kerk die bruid van de Heere Christus is, kan niet dwalen, daar houd ik me aan.'

Brief van Mani
Calvijn bespreekt het citaat in de Institutie (1.7.3). Anders dan Luther kijkt hij naar de context van het citaat bij Augustinus. De brief van Mani (Fundamenti Epistola) waar hij zich tegen richt, begint met de aanhef: 'Mani, een apostel van Jezus Christus'. Augustinus vraagt hoe de Manicheeën bewijzen dat hij een apostel van Jezus Christus is. Als zij dat willen bewijzen vanuit het evangelie, vraagt Augustinus wat zij zouden antwoorden aan iemand die het evangelie niet gelooft.
Dan voegt hij toe: 'Wat mij betreft, ik zou het Evangelie niet geloven, als het gezag van de katholieke Kerk mij daartoe niet bewoog. Dus als ik de kerk gehoorzaam ben geweest toen zij mij vertelden om het evangelie te geloven, waarom zou ik hen dan niet gehoorzaam zijn als ze mij vertellen de Manicheeën niet te geloven.' Met andere woorden, het beroep op het evangelie leidt tot een innerlijke tegenspraak, omdat de kerk die het evangelie verkondigt, het Manicheïsme verwerpt. Het argument van Augustinus is een retorisch argument. Daaruit trekt Calvijn de conclusie dat hij niet spreekt over het gezag dat de Schrift heeft voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen. De kerk beweegt hen tot het geloof en daarom is het beroep van het Manicheïsme op het evangelie onmogelijk. Volgens Calvijn bedoelt Augüstinus 'dat als hij nog een vreemdeling was van het geloof, hij niet anders, bewogen zou kunnen worden om het Evangelie als waarheid van God te omhelzen, dan door het gezag van de Kerk.' Hierin gaat Calvijn verder dan Luther en blijkt zijn humanistische benadering om de teksten in hun oorspronkelijke context te lezen en te interpreteren.

Geloofwaardig in zichzelf
De overeenkomst tussen beiden is dat zij de kerk opvatten als de gemeenschap der heiligen, de kerk van alle tijden en plaatsen. Zo opgevat is de kerk een machtig middel om mensen te bewegen tot het geloof. Het geloof kan echter alleen tevreden zijn als het de stem van God zelf hoort. De Schrift is geloofwaardig in zichzelf (autopistie). De Heilige Geest verschaft echte zekerheid (testimonium). De kerk - als gemeenschap der heiligen - is de plaats waar dit geheim zich voltrekt; het is de woonplaats van het Woord en de werkplaats van de Geest.

H. VAN DEN BELT, NIJKERK

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Alleen houvast in het Woord

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's