De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

9 minuten leestijd

Hoe het allemaal begon
Redacties van kranten en weekbladen vragen aan het eind van een jaar hun medewerkers soms naar hun mening over de beste boeken van het afgelopen jaar. Wie zelf weer een jaar lang rondgeneusd heeft op de boekenmarkt en er een aantal van heeft aangeschaft en gelezen, is altijd nieuwsgierig naar de mening van anderen. Heb ik misschien boeken over het hoofd gezien en heb ik daarom wat gemist? Klopt het dat ik dat en dat boek zo bijzonder vond? Vonden anderen dat soms ook? Het zou best aardig zijn als alle hoofdbestuursleden aan het eind van het jaar ons eens in hun recente boekenaanschaf zouden laten kijken. Wij als lezers van ons huisorgaan zouden daar wellicht nog het nodige van kunnen leren. Wel, op theologisch gebied ben ik dit jaar getroffen door het lezen van een boek van dr. Eginhard Meijering: Geschiedenis van het vroege christendom - Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn (uitg. Balans). Je hebt soms een periode in je leven dat je op zoek gaat naar je wortels. De interesse die mensen aan de dag leggen voor de genealogie van hun familie en geslacht heeft daar ook alles mee te maken. Waar komen we vandaan en hoe lopen de lijnen in ons voorgeslacht? Met die interesse nam ik de studie van Meijering ter hand. Hoe is het eigenlijk begonnen met het christelijk geloof? De grote verdeeldheid onder christenen in eigen kring en eigen land kan een mens soms cynisch maken. Of in ieder geval moedeloos en zelfs wanhopig. Wat mij in zekere zin hielp en troostte was het gegeven dat er onder de eerste volgelingen van Jezus van meet af aan verscheidenheid was. Dat hing samen met cultuur, landstreek, voorgeschiedenis van groepen christenen. Joden-christenen en heiden-christenen bijvoorbeeld, we kennen de verschillen uit de brieven van Paulus. Ik citeer een enkele regel uit de Theologische epiloog waarmee Meijering zijn boek afsluit:
'Het vroegste christendom laat al een veelheid van stromingen zien. In plaats van 'Iedere ketter heeft zijn letter' zou men dan ook beter kunnen zeggen: 'Vele latere stromingen hebben hun kiemen in de vroegste gemeentes'. Nog een citaat: 'Het erkennen van een veelvoud van stromingen in het vroegste christendom maakt dat de hedendaagse christen iets ontspannener te werk kan gaan ...' Om met dit citaat af te sluiten: 'We doen er goed aan te bedenken dat de allereerste christenen bij alle onderlinge verscheidenheid toch in ieder geval één ding met elkaar gemeen hadden: de verwachting van de spoedige komst van het Koninkrijk van God ten gevolge van een wonderbaarlijk ingrijpen van God 'vanuit de hemel' in het wereldgebeuren' (p. 410).

Kerk en toekomst
Wie nadenkt over de kerk in het heden, stuit bij zichzelf op gemengde gevoelens. Aan het eind van een jaarkring worden door allerlei media jaaroverzichten aangeboden. In de kerk wordt daar, naar mijn weten, nooit aan meegedaan. In de laatste kerkdienst van het jaar worden we opgeroepen onze dagen te tellen, niet zozeer onze jaren. We leven bij de dag van het heden van de genade. En verder houden we het bij het geloof van de Kerk der eeuwen. In de Wapenveldkroniek (Wapenveld, jaargang 55, nummer 5, oktober 2005) vraagt ds. A.J. Zoutendijk (Utrecht) aandacht voor de kerk.

'Men spreekt van u zeer herelijke dingen, 0 schone stad van Isrels Opperheer' (Ps. 87, berijming 1773). Waaraan denken we als we zingen over  die schone stad uit Psalm 87? Ik heb vaak aan de kerk gedacht en dat doe ik nog. Iets vergelijkbaars heb ik met Psalm 122: 'Kom ga met ons en doe als wij. Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in.' Jeruzalem, dat is de kerk. Dat was voor mij de Nieuwe of de Oude Kerk in Delft, waar ik opgroeide. Ik dacht aan het gebouw en vooral aan de gemeente die er samenkwam. Daarover kun je herelijke dingen zeggen. Maar ik merk dat dit moeilijker wordt, zeker als het gaat om het instituut van de kerk.
Die moeite heeft een positieve kant, want het gaat in deze psalmen niet zonder meer over de kerk. Het gaat over Jeruzalem en over het Koninkrijk dat komt. Mijn vraag is of een christen die psalmen zingt, ook aan de kerk kan denken en hoe dan. In Psalm 48 staan de volgende regels: 'Komt, trekt verheugd om Sion heen en telt haar torens een voor een, ziet hoe de bastions daar rijzen, gaat door de zalen der paleizen.' Daar kan een Nederlandse christen toch moeilijk een opwekkend beeld van de kerk in zien. Het bastion van de protestantse kerk met zijn vele kerktorens wankelt en de gemeente wankelt mee. We merken dit vooral als we de omtrekkende beweging maken, waartoe de Psalm oproept. Hoe ziet de kerk eruit als we er van buitenaf tegenaan kijken? Sociologisch dus, statistisch en in de beeldvorming via de media? Daar wordt een kerkmens niet vrolijker van. Het uiterlijk van de gevestigde kerk is bezig te verdwijnen - iets dat eerder juist van de wereld gezegd werd (1 Kor. 7:31).
Toch wil ik Psalm 48 blijven zingen en daarbij aan de kerk denken. Dat kan dan alleen als de toon meer eschatologisch wordt en we de kerk dus meer zien in het licht van de voleinding. Haar torens bekronen niet langer het bestaan van de kerk, maar ze tonen waarom de kerk er is. Ze wijzen naar wat komt, ze getuigen van de hoop die in haar leeft en dat doen ze met zachtmoedigheid (1 Petr. 3:15).
Willem Barnard vergelijkt de Domtoren met
'Een timmermanspotlood,
op de hemel tekent het aan waar Utrecht moet komen.'

Een veelzeggende gelijkenis. De kerk die de toekomst van de stad (de samenleving) openhoudt door die op de hemel te projecteren. Ze legt die toekomst in Gods hand, in bidden en smeken. Ze nodigt uit om het hogerop te zoeken. Ze wijst van zich af. Niet de actie staat voorop, maar een zachtmoedige presentie. Het bastion uit de psalm is niet beneden te vinden maar boven, bij God die de toekomst van de wereld niet Iaat schieten. De betekenis van de kerk wordt eschatologischer. Dat brengt mee een relativering van allerlei bastions en tegelijk een verhoogd bewustzijn, dat de kerk noodzakelijk is, onmisbaar voor het heil van de mensen. Buiten haar, dat wil zeggen buiten haar heenwijzing, is er geen heil. Hoe zal men horen zonder prediker (Rom. 10:14)? Hoe zul je hopen zonder vinger die naar boven wijst? De toren 'tekent aan waar Utrecht moet komen'. 'Utrecht' is een metafoor van de samenleving. Je kunt er goed toeven, maar het is geen plek om te blijven. In Utrecht worden singels gedempt en weer open gegraven; koopcentra verrijzen en worden weer afgebroken; er valt veel te leren - en misschien leren we niets. De malaise die in de kerk vermoed wordt, is in de samenleving veel massiever aanwezig. Wie weet nog waar we heen moeten en waarvoor we op aarde zijn? Dat Utrecht terecht kan komen en haar inwoners: dat is het onopgeefbare getuigenis van de kerk die in haar midden is.
Dit is een manier van spreken over de kerk en haar plaats in de samenleving die mij raakt: bescheiden en beslist. Weg bij al ons gekrakeel vandaan naar de God die trouw is en blijft. Niet blijven hangen in het heden of ons gelijk zoeken in het verleden. Maar verwachting hebben en houden van God die Zijn werk niet prijsgeeft.

Beteuterde christenen
Dat staat boven een meditatie van O. Noordmans over Handelingen 1:6 (VW deel 8, p. 388). Ds. Zoutendijk verwijst daarnaar in zijn bijdrage aan Wapenveld. Hij citeert de hoofdlijnen van het stuk Leren Ieven van de verwondering, waarin identiteit, roeping en toekomst van de PKN aan de orde komen.
Het laatste deel van de nota is gewijd aan de kerk als gestalte van de verwachting. Dan schiet ik overeind. Wat betekent dit tegen de achtergrond van teruggang en apathie? Het antwoord dat gegeven wordt wijst op de kerk als een vreemde eend in de bijt van de wereld; de kerk verkondigt dat hemel en aarde voorbij gaan en dat Christus wederkomt. Verder zijn er ook meevallers: 'Gelukkig zien we om ons heen de onstuimige groei van andere geloofsgemeenschappen. Wij zien dat wereldwijd de kerk op veel plaatsen een snel groeiende beweging is.' Ik moet dat laatste beamen, maar weet niet of hier de genezing van de apathie in te vinden is.
De kerk als gestalte van de verwachting: dan denk ik aan de kerk die (ook in haar ingewikkelde landelijke gestalte) boven zichzelf uitwijst. Ze is een teken van wat komt omdat er (bij God) al is. Er is een gemaakt bestek in de hemel en er is een volbracht werk. De man op de oever heeft de maaltijd gereed, terwijl de vissers nog zwoegen op zee (Joh. 21:9). De kerk bestaat in het licht van de voleinding. Ik betwijfel of dit besef momenteel sterk leeft. Misschien erkennen we nog niet dat we 'beteuterde christenen zijn.'
Die uitdrukking stamt van dr. O. Noordmans. In 1953 schrijft hij er een meditatie over. De kerk bloeide toen maar hij zag de toekomst al ... 'Een christen is om te beginnen een beteuterd mens', schrijft hij, naar aanleiding van de discipelen die achterblijven terwijl Jezus heengaat. Jezus is weggegaan naar de hemel. Zijn koningschap staat sindsdien in het teken van de hemelvaart, het is verborgen. 'Waarom hebt u ons verlaten?' denkt de gemeente (en die is groter dan men denkt).
Dit is, aldus Noordmans, ook een geloofsbelijdenis maar dan van beteuterde christenen. Twintigste-eeuwse gelovigen, noemt hij hen. Minder zelfverzekerd. Een meer verborgen gemeente. Zij is 'vaak zonder het te weten, 'als een bruid, die voor haar man versierd is.' (Openb. 21:2)
Hij had deze woorden voor ons kunnen schrijven. De kerk gaat weer beseffen dat ze bruid is, als ze haar Heer kwijt is en hem zoekt. Met zoeken begint de vernieuwing; niet met heen en weer lopen.

Noordmans mediteert hier over de vraag van de discipelen: 'Heere, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?' Wij zouden vandaag misschien gevraagd hebben: Heere, wordt dat nog wat met Uw kerk en met dat Koninkrijk van U? Maar, merkt Noordmans dan op: Jezus geeft op die vraag geen regelrecht antwoord. Hij zegt: Dat moeten jullie maar aan de Vader overlaten. Die gaat daarover. Wat jullie moeten doen, is de Heilige Geest ontvangen en mijn getuigen zijn. Inderdaad, ze zullen beteuterd hebben gereageerd op Jezus' reactie. Toch stonden ze niet zoveel dagen later vrijmoedig te getuigen van Jezus' dood en opstanding op het tempelplein van Jeruzalem. En zo begon de vroege geschiedenis van het christendom. Ik stem geheel in met Zoutendijks conclusie: 'Ik houd het voorlopig op beteuterde christenen, die moed hebben voor de wereld.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's