Leiding
'Leunende op zijn staf' [Hebr. 11:21]
Als die staf waar Jakob op leunt, eens zou kunnen spreken. De aartsvader is stokoud, kan niet zo goed meer zien en is aan bed gebonden. Hij zit daar, wat voorover gebogen, zijn ogen turen in de schemer en zijn hand, sterk vermagerd, leunt op het bovenste gedeelte van zijn stok, zijn staf. Terwijl het stil wordt in dat ziekenvertrek, gaat die staf spreken. Ja, dat zeggen wij wel eens: als die stoel of die klok kon spreken.
Het is lang geleden dat hij die staf meenam, op de vlucht voor zijn broer Ezau, na dat bedrog met de eerstgeboortezegen. Daar had hij toen niet meteen voordeel van; hij moest alles achterlaten, behalve die staf.
Je hoort hem denken: ik weet nog precies wat ik bad, toen ik daarop terugzag: 'Ik ben te gering voor al de gunstbewijzen en voor al de trouw, die Gij aan Uw knecht bewezen hebt, want met mijn staf trok ik over de Jordaan, hier en nu ben ik tot twee legers geworden.' Ja, daar zei Jakob dat toen (Gen. 32:10): ik ben maar klein begonnen! En Ezau had zich daarover verwonderd en uitgeroepen: 'Wie zijn dat daar bij u en van wie is dat allemaal? ' En toen kon Jakob alleen maar groot van zijn God spreken: 'God heeft 't me genadig gegeven.'
Hij zal trouwens ook wel eens driftig met die staf tegen de grond geslagen hebben: moet dat nu zo en kan dat niet anders, - 'Gij berooft mij van mijn kinderen, al deze dingen zijn tegen mij' - maar daarin is hij nu wel beschaamd geworden, want als hij rondkijkt, ziet hij daar Jozef (ooit had hij gezegd: mijn zoon Jozef leeft niet meer!) en verder ziet hij Efraïm en Manasse: nooit gedacht jullie nog eens te zien, maar God heeft me ook dat gegeven.
In deze laatste week van het jaar mag een echtpaar elkaar er wel eens op aan kijken dat ze elkaar nog hebben; en ouders hun kinderen, grootouders hun kleinkinderen. En dan ook wat we allemaal in de loop der jaren hebben opgebouwd: als je moet zeggen: 'Ik ben met weinig begonnen, en kijk nu eens?'
Maar dat niet alleen. Kijk, het grootste geschenk van God, dat Hij Zijn eigen Zoon gegeven heeft. Jakob heeft de zaligheid aanschouwd, in de toekomst van zijn geslacht. Hebben wij ook die rijkdom die God schenkt, in dat Kind in de kribbe ontdekt? Want bij alles wat we ontvingen of niet ontvingen, gaat het om die onuitsprekelijke gave van God en dat je die bovenaan mag zetten. Doet u het wel eens?
Ik vind het altijd zo'n voorrecht dat het Oudjaar wordt, nadat het Kerstfeest al geweest is. En dat het Nieuwjaar wordt, omdat het Kerstfeest is geweest.
Nu zou ik een heel verkeerd beeld van Jakobs leven geven, als ik schreef: die man heeft alleen maar ontvangen. Hij heeft immers ook verliezen gekend, zware en indringende. Hij is weduwnaar, tot tweemaal toe, en alleen een weduwnaar weet wat een weduwnaar is. Ik wil maar zeggen dat de aanbidding van God, waar Hebreeën 11 ook over spreekt, niet afhankelijk is van alleen de plussen in het leven. En de raadsels van uw en mijn leven worden niet opgelost door wat voor overdenking dan ook.
Een wat oudere mevrouw zei eens: 'Ik was niet goed in rekenen en taal, maar als ik ooit bij de HEERE God kom, dan weet ik nu al wat ik zingen zal: Uw hand, o God, heeft veilig mij geleid.' Ja, over leiding gesproken. Die is bepaald niet alleen geografisch bedoeld, zo van 'daar ben ik geweest en daar ook'. Het gaat erom dat er ook een zekere geestelijke groei is te ontdekken. Toen Jakob wegging bij zijn familie, toen had hij alleen maar een vaag idee over de zegen die hij wilde hebben. Daarna heeft God hem in Bethel ontmoet en als hij nu zijn staf vasthoudt, moet hij daar ook aan denken - ja, daar ben ik geweest, daar heb ik God ontmoet.
Het is herkenbaar dat mensen soms weten waar ze God hebben leren kennen. Soms weten ze zich nog de plek in de kerk te herinneren, soms de naam van een voorganger!
In ieder geval had Jakob toen gedacht: ik kan verder, en hij had z'n stok gepakt en was getroost verder gegaan. Toen hij, jaren later, terugkwam, had hij gedacht: wat een narigheid heb ik achter de rug. Vervolgens liep hij bij Pniël de HEERE God recht in de handen, Die zei: Laat die staf maar 's rusten: we vechten het samen uit. 'Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent', had hij toen gebeden. Toen kwam de grote zegen. En een nieuwe naam, die voorlopig niemand kende dan God en Jakob alleen. Israël, strijder met God. In Jakobs naam werd Gods naam (EL = GOD) opgenomen.
Sindsdien was Jakob gehandicapt, hij droeg het litteken van de grote ontmoeting. Als de mensen vroegen: 'Waarom loopt hij zo mank en heeft hij z'n stok extra hard nodig?', dan werd er gefluisterd: hij heeft God gezien.
Wat je meemaakt en wat je overkomt is, als je erop terugkijkt op zich niet zo belangrijk maar wat je er aan kennis van God opdoet. Want als God je leidt, dan leert Hij je ook, dan leert Hij ons Hem te kennen, zodat we in zo'n laatste week van het jaar niet alleen mogen zeggen: 'Uw hand heeft mij geleid', maar ook: 'HEERE God, ik dank U dat ik ook Uw hand heb mogen drukken.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 2005
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's