De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zending en ons geld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zending en ons geld

ALS HET REGENT IN DE BERGEN

7 minuten leestijd

De overgang naar een nieuw jaar betekent dat mensen die niet van de ene in de andere dag rollen, een extra impuls hebben om hun leven te overdenken. Die impuls is er elke zondag, maar zeker ook als 1 januari nadert. Een christen wil immers bewust leven? Met goede voornemens zijn we er dan niet, het gaat om concrete keuzen, die ten diepste gemaakt worden voor het aangezicht van God. Het terrein van de goede doelen is hiervan niet uitgezonderd. In dat kader stellen we de vraag wat het ons zegt dat zendingsorganisaties in financieel opzicht het licht op oranje gezet hebben.

Onze jongste zoon bezoekt de basisschool. Hij wordt geacht elke maandagmorgen niet alleen zijn catechismuszondag te kennen, maar ook zendingsgeld bij zich te hebben. Dat laatste zal ongetwijfeld gebeuren opdat de directies van christelijke scholen jaarlijks een aanzienlijk bedrag aan de zendingsorganisaties kunnen overmaken. Maar een bijkomend pluspunt – of is het wellicht de hoofdzaak? – is dat we kinderen op een natuurlijke wijze leren geld voor de zending apart te leggen. Zending hoort zo voor hen bij het leven, net als rekenen en aardrijkskunde.
De vraag is of dat zaad van zendingsliefde in het verdere leven ontkiemt en vrucht draagt. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er in vorige jaren meer zendingsverhalen verteld werden dan tegenwoordig gebeurt. Dat zal te maken hebben met de gewijzigde invulling van het zendingswerk. De tot de verbeelding sprekende pionier in een wit pak die inheemse stammen het evangelie bracht, is gewisseld voor de theoloog of arts die de plaatselijke kerken ondersteunt met zijn deskundigheid, hopende zichzelf binnen een bepaalde periode overbodig te maken. Ondertussen gebeurt er in de zending nog altijd veel waarvoor het hart van de Nederlandse gemeenten sneller mag gaan kloppen.

Drie zendingspredikanten
Enige dagen voor Kerst klopte de GZB aan bij al zijn leden en deed ze een beroep op de kerkenraden om blijvende betrokkenheid op de zending te houden. De brief had vooral een signalerende functie: zoals het er naar uitziet, moet er in 2006 ingrijpend gesneden worden in het zendingswerk. Om het concreet te maken is aangegeven dat de dit jaar naar Nederland terugkerende theologen ds. R.H.M. de Jonge (Zimbabwe), ds. J. Kommers (Mozambique) en ds. M.C. van Pelt (Peru) niet opgevolgd kunnen worden.
Even terzijde: in november was ik enkele dagen de gast van ds. De Jonge, getuige ook van zijn inzet om studenten theologie en mensen op het grondvlak te scholen. Hij weet dat in juli zijn terugkeer plaats zal hebben en denkt nu al concreet na hoe hij het zijn opvolger het meest gemakkelijk kan maken. ‘Je hebt wellicht al een advertentie gezien’, zei hij me. Nee dus! Wat betekent het voor onze zendingswerkers, als zij horen dat er in de gemeenten onvoldoende draagvlak is voor voortzetting van hun mooie werk?

Scheuring
De oorzaken van het achterblijven van de GZB-inkomsten kunnen we niet concreet in kaart brengen. Het zal vast te maken hebben met de scheuring in diverse gemeenten en de vorming van de Hersteld Hervormde Kerk.
In die richting wijst ook het feit dat de interkerkelijke Spaanse Evangelische Zending in haar laatste zendingsbode zich juist positief toont over de financiën. Ondertussen stemt het tot nadenken dat de gekomen breuk niet alleen het missionaire getuigenis op een dorp schade doet, maar ook gevolgen heeft voor de verkondiging van het evangelie over onze grenzen. Kunnen we ooit verantwoorden dat onder meer vanwege scheuring in de gemeente GZB-zendelingen niet worden opgevolgd?
Een tweede reden kan liggen in de gevolgen van de ontkerkelijking. Minder mensen in de kerk – zeker in de tweede dienst – betekent een geringere opbrengst van de collecten. Als in grote lijn de neergang zich voortzet – gelukkig niet het algemene beeld –, zullen ook andere christelijke organisaties hiermee te maken krijgen. Waar een oudere generatie wegvalt, wordt de verantwoordelijkheid voor de dienst van God binnen de gemeente en in de wereld niet automatisch door een jongere generatie opgevuld.

Woord-betrokken
De vraag naar de terugloop van GZB-inkomsten moet echter op een dieper niveau beantwoord worden. Dan gaat het om onze bereidheid het evangelie met anderen te delen – en daarvoor ook onze gaven te delen. Onze offers (!) voor het uitdragen van Gods liefde voor een wereld in schuld komt toch voort uit onze betrokkenheid bij dat Woord. In het scheppen van liefde tot de zending zullen we hier moeten inzetten.
Diaconale projecten spreken aan, en zeer terecht hebben de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan ook maanden na dato nog recht op ons meeleven en meelijden. Woord en daad mogen hier niet tegen elkaar uitgespeeld worden. En naarmate het einde van de wereld dichterbij komt, zal er vaker gehoord worden van zeebeving, hongersnood, oorlogsslachtoffers, rampspoed. Een christen zal zich moeten wapenen tegen gewenning bij het zien van voortdurend leed.
Het tekent een samenleving, als slechts tv-artiesten door middel van programma’s vol entertainment in staat zijn Nederlanders te bewegen tot een gift(je).

Gaat dan uit
De kerk heeft de opdracht tot zending. Hoe kunnen we de afscheidswoorden van Jezus niet het volle pond geven: 'Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, de Zoon, de Heilige Geest.' Waar Hij de opdracht gaf om ‘uit te gaan’, mogen wij het bijzonder vinden als er mensen zijn die namens ons uitgegaan zijn! Calvijn schrijft bij Mattheüs 28 dat onder de wet de grenzen van Judea aan de profeten voorgeschreven waren, maar dat Christus de muur tussen jood en heiden heeft afgebroken, zodat de Heere de dienaren van het evangelie gebiedt om ver uiteen te gaan, ten einde de leer van de zaligheid tot alle einden der wereld te verbreiden.
Het zendingsbevel is niet alleen een van de laatste woorden uit de mond van de Heiland, de opdracht tot getuige-zijn verbinden we ook met de líefde van Christus. Die zal ons aansporen om anderen te vertellen over Zijn genade en ontferming. Paulus zoekt hierbij ook een motief in de schrik des Heeren, die hem aanspoort mensen tot het geloof te bewegen. Ligt hier niet blijvend de grond onder het zendingswerk, namelijk dat we geloven dat er geen andere Naam gegeven is tot zaligheid dan de naam van Jezus? Als we dit relativeren, zullen we ook aan het zendingswerk minder waarde schenken. Kortom, de liefde tot het zendingswerk mag een graadmeter zijn voor onze verbondenheid met Christus. In die zin is het signaal van de GZB in meer dan één opzicht alarmerend.

Aanhoudend gebed
Het werk van de zending gebeurt overigens niet alleen námens ons, maar ook dóór ons. Wat is zending in China of Zimbabwe, in Albanië of Frankrijk immers zonder gebed van het thuisfront? In de vorige eeuw kreeg werktuigbouwkundig ingenieur James Fraser in een foldertje de volgende woorden onder ogen: ‘Als onze Meester vandaag zou terugkeren en miljoenen mensen zou aantreffen die nog nooit van het evangelie gehoord hebben, en uit de aard der zaak ons vragend zou aankijken om een verklaring, kan ik me niet voorstellen welke verklaring wij Hem zouden kunnen geven …’ Fraser meldde zich – een veelbelovende carrière ten spijt – bij de China Inland Mission, werd uitgezonden en begon aanhoudend te bidden voor de Lisu, een onbekende bergstam. Na jaren van gebed en beproevingen, zo lezen we in zijn biografie Als het regent in de bergen, kwamen velen tot geloof: ‘Als de rivieren plotseling toenemen in kracht en in de verschroeide laaglanden een overvloed van water brengen, duidt dat op het smelten van de sneeuw op grote hoogten. Het kan dan geregend hebben in de bergen … Zo werd bij Fraser ook het besef sterker dat er thuis voor zijn werk gebeden werd.’
Zo ‘werkt’ het nog, tachtig jaar nadat Fraser onder de Lisu arbeidde.
Ds. J. Kommers schreef een jaar geleden in ons blad: ‘Terwijl William Carey in India bezig was met het vertalen van de Bijbel en ander zendingswerk, lag zijn zuster in Londen op bed en bad dag in dag uit – vele jaren lang – voor haar broer William en diens werk. Iemand heeft eens geschreven: ‘Op wiens rekening zal God de overwinningen bijschrijven die deze opmerkelijke man heeft behaald? ’ (…) Mijn vrouw en ik zijn dankbaar dat er nog steeds mensen zijn die het zendingswerk dagelijks in het gebed bij God brengen. Wij weten ons gedragen in de voorbede van velen.’

Medearbeiders
Het is treffend dat de GZB de verantwoordelijkheid voor de zending niet alleen betrekkelijk kort voor de jaarwisseling bij zijn leden neerlegde, maar ook in de dagen rond Kerst. Christus kwam en nam de gedaante van een dienstknecht aan, door de Vader in deze wereld gezonden. Vanuit die zending worden al de Zijnen in deze wereld uitgezonden, om in Zijn Naam Zich dienstbaar op te stellen, in prediking en onderwijs, in barmhartigheid en zorg. Zo zijn we medearbeiders aan het evangelie, uit genade en naar vermogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 2006

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's

De zending en ons geld

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 2006

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's