Vragen bij de herziening [2]
OP WEG NAAR DE HSV [7]
Op weg naar de HSV [7]
In deze bijdrage gaan we opnieuw in op een vanwege de herziening van de Statenvertaling gestelde vraag.
Waarom is het woordje aangezicht in een aantal gevallen bij de herziening verdwenen?
Het Hebreeuwse woordje panim waar het hier om gaat, komt veelvuldig voor in de Bijbel, namelijk maar liefst 2126 keer. Het verwijst naar dat deel van een voorwerp, persoon of dier dat normaliter zichtbaar is, zoals de voorgevel van de tempel (Ezech. 41:14), de spits van de slagorde (2 Sam. 10:9), de scherpe kant van een mes (Pred. 10:10), en bij mensen en dieren ook vaak de voorzijde van het hoofd of de kop. In de meeste gevallen wordt dit woordje echter niet zelfstandig gebruikt, maar in combinatie met een voorzetsel. Wat in het Bijbels Hebreeuws namelijk enigszins problematisch is, is het gebrek aan voorzetsels.
Het Hebreeuws heeft er wel een paar, maar de meeste hebben een breed scala aan betekenissen. Het voorzetsel ‘al' betekent ‘op, boven, over’, en het voorzetsel 'le' heeft betekenissen als ‘aan, voor, tot, van’, enzovoort. Dat heeft tot gevolg dat het Hebreeuws, om misverstaan te voorkomen, vaak de hulp inroept van andere woorden. Eén zo’n woord is het woordje panim. In Genesis 1:2 lezen we bijvoorbeeld: ‘De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren’. Dit vers bevat tweemaal het woordje ‘op’. In het Hebreeuws staat er echter feitelijk al panim, dat wil zeggen ‘op/over de voor- of bovenzijde’.
Nu zegt u misschien: ‘Hé, maar ik zie dat woordje panim nergens vertaald in dit vers!’ Dat klopt. De Statenvertalers zagen daar blijkbaar de noodzaak niet van in. Ze redeneerden kennelijk dat het hier gewoon bij het voorzetsel hoort. En dat is ook zo. Van de meer dan 2000 keer dat dit woordje in de grondtekst voorkomt, hebben de Statenvertalers het vele honderden malen niet vertaald! En daar waar ze het wel vertaalden, hebben ze dat gedaan zoals de context dat vereiste, vaak met ‘aangezicht’, maar soms ook met ‘gezicht’ (Gen. 30:40), ‘spits’ (2 Sam. 10:9), ‘snede’ (Pred. 10:10), ‘voorste deel’ (Ezech. 41:14).
Duidelijke criteria
Wanneer het in het zinsverband over God of over mensen gaat hebben de Statenvertalers in veel gevallen het woordje ‘aangezicht’ gebruikt, maar ook bepaald niet overal. Ook wanneer het om mensen gaat, hebben de Statenvertalers het woordje panim regelmatig weggelaten, zoals in Genesis 18:8: ‘En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.’ Hier staat niet ‘voor hun aangezicht’, wat bij een meer concordante vertaling te verwachten zou zijn. De Statenvertalers zagen kennelijk duidelijk in dat panim niet altijd vertaald hoeft te worden.
Toch zijn zij daarin niet altijd consequent geweest. Soms vertaalden ze het wel en soms lieten ze het weg. Het is niet duidelijk welke regel zij hierbij hanteerden. De herzieners zijn daarom op zoek geweest naar een duidelijke criteria voor de vertaling van panim. In alle gevallen waar dit woordje samen met een voorzetsel gebruikt wordt om een exactere plaats- of tijdsbepaling weer te geven, wordt het in principe niet vertaald. Dit is het uitgangspunt dat de Statenvertalers meestal ook volgden, maar dat nu alleen wat consequenter toegepast wordt. Daar waar het gaat om het gelaat van mensen gebruiken de herzieners gewoonlijk het woord ‘gezicht’, zoals in Genesis 4:6: ‘En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u zo boos en waarom is uw gezicht betrokken?’ Het woordje ‘aangezicht’ is nu eenmaal ietwat archaïsch. Wanneer het echter om het aangezicht van de Heere gaat, hebben de herzieners er de voorkeur aan gegeven om het woordje ‘aangezicht’ te laten staan. Dat is deels uit eerbied en deels uit theologische overwegingen. Het gaat hier immers om een meer figuurlijk gebruik van ‘aangezicht’ met een veelal diepere theologische lading, die wellicht bij nadere aanpassingen niet meer zo goed tot zijn recht zou komen.
Vertaalproblemen
Er blijven natuurlijk in incidentele gevallen vertaalproblemen over. Een voorbeeld is Genesis 17:17 waar, volgens de Statenvertaling Abraham op zijn aangezicht viel. Volgens de richtlijnen van de herziening hadden de herzieners hier het woordje ‘gezicht’ moeten gebruiken. Toch kan dat niet goed, want de zin ‘Toen viel Abraham op zijn gezicht’ heeft andere connotaties en is verre van eerbiedig. Bovendien geeft het de indruk dat Abraham omviel, wat uiteraard niet de bedoeling van de tekst is: Abraham liet zich uit eerbied op de grond vallen. Daar komt nog bij dat de Statenvertaling onvoldoende aangeeft dat Abraham plat op de grond kwam te liggen. Het woordje panim verwijst hier immers niet alleen naar het gezicht maar naar het hele ‘vooraanzicht’ van Abraham. De herzieners hebben daarom gekozen voor: ‘Abraham liet zich voorovervallen’ en zijn van mening dat dit de bedoeling van de Hebreeuwse tekst zeker zo zuiver weergeeft als de oorspronkelijke versie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 2006
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 2006
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's