De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

In zijn boek De Ware Vrijheid, een nieuwe geschiedschrijving over Johan en Cornelis de Witt (uitgave Atlas, Antwerpen; zie Boekbespreking), schrijft de auteur, Luc van Panhuysen, in de proloog het volgende:

21 augustus 1672 – Maria van Berckel was nog maar een dag weduwe. De dag tevoren waren haar man, Cornelis de Witt, en diens broer Johan in Den Haag op beestachtige wijze vermoord. Toen ze het nieuws hoorde, bevond ze zich in Rijswijk. Nu zat ze in de trekschuit op weg naar Rotterdam, weg van de plek des onheils. Knotwilgen gleden voorbij. De kajuit zat vol met reizigers, die een levendig gesprek voerden. Er was iemand, een man uit Den Haag, die het hoogste woord voerde. Hij beweerde dat hij de afslachting van de gebroeders De Witt met eigen ogen had aanschouwd. De Hagenaar vertelde hoe ze uit de gevangenis waren gesleurd. Van een afstand had hij gezien hoe de schutters waren begonnen met schieten. Hij beschreef de razernij van het volk daarna, het tieren, steken, snijden en scheuren. Maria keek naar buiten en probeerde het niet te horen. Toen haalde de spreker een prop uit zijn zak, wikkelde die open en stak iets zwarts omhoog. 'Dit', zei hij, 'heb ik voor enkele stuivers in Den Haag gekocht: een vinger van Cornelis de Witt'. Maria stond op, doorkruiste de volle kajuit en ging voor de spreker staan. Ze zei: 'Deze vinger heeft nog gisteren behoord aan de hand van mijn beminde man.' De passagier verschoot van kleur en viel flauw. De anekdote is afkomstig van Joachim Oudaen, een sympathisant van de gebroeders De Witt. Hij beschikte over voldoende dramatisch talent om dit schuitenpraatje te bedenken. Maar het verhaal is aannemelijk. De moord op de broers en de verminking van hun lichamen vormden het gesprek van de dag en van lang daarna. Wie daags na de gebeurtenis gebruik maakte van het openbaar vervoer, ontdekte hoe snel geruchten zich konden verspreiden. Ook de confrontatie van Maria met de vinger kan hebben plaatsgehad. Het had zelfs nog erger gekund. Veel lichaamsdelen gingen op tournee. De harten van de broers waren kort na de moord op weg naar een koper in Engeland. In Leiden trok het geslachtsorgaan van Cornelis honderden kijkers.
Het was ramptoerisme van een bevolking in paniek. Reeds drie maanden was het land verwikkeld in een uitzichtloze oorlog en het had de donkerste angsten en het primitiefste bijgeloof in de mensen naar boven gebracht. De gebroeders De Witt waren geofferd op een altaar van nationale redding, hun lichamen en hun bloed waren relikwieën geworden. In het Museum Gevangenpoort is een reliekschrijn uit die tijd te bezichtigen, met daarin de tong van Johan en een teen van Cornelis.

In De Bazuin (hervormde gemeenten Benschop e.o.) schreef ds. M. van Kooten onder de gemeenteberichten van Montfoort over het consistoriegebed:
Zoals u weet komen kerkenraad en predikant voor en na de dienst bij elkaar in de consistoriekamer. Dat blijkt een gebruik te zijn dat dateert uit de periode van de Afscheiding 1834 waarbij de kerkdiensten nog wel eens uit elkaar werden geslagen. De ouderling die de predikant op de preekstoel brengt doet dan voor en na de dienst een gebed. Gevraagd wordt onder andere om ondersteuning voor de predikant en opening van het hart van de hoorders. Ook worden wel anderen die in de dienst een functie hebben opgedragen. Alles heeft echter zijn mate. Bekend is de anekdote over de ouderling die maar niet van ophouden wist en in de rede werd gevallen door de predikant die zei: 'Amen, de rest doe ik op de preekstoel.'
In Ouderkerk a/d IJssel gebeurde het dat ds. L. Kievit voor zou gaan. In het consistoriegebed deed de ouderling van dienst een gebed waarin hij vooral zijn eigen geestelijke ervaringen ventileerde. Ook hier werd het gebed afgebroken door de opmerking: 'Amen, het is meer dan tijd broeder.' Dezelfde ds. Kievit moest in de vooroorlogse jaren voorgaan in Maartensdijk. In het consistoriegebed maakte de ouderling van dienst die werkelijk de Heere mocht vrezen het toch ook wel erg lang. Wat deed Kievit? Hij draaide zich onder het gebed om en ging voor het raam staan kijken. In het Gereformeerde Weekblad schreef hij in 1940: 'Het gebed van de dienstdoende ouderling heeft een beperkte bedoeling. Het opdragen van de dienaar des Woords om het Woord Gods recht te snijden en voorlichting van de Heilige Geest. Het is niet de taak van dat gebed om kopie te zijn van het publieke gebod op de kansel voor zieken, land en volk, enzovoort. (…) Het gebed na de dienst mag nooit misbruikt worden om persoonlijke gevoelens over de preek naar voren te brengen.' Dat laatste overkwam eens ds. E. van Meer. Hij stond toen in ‘s-Gravenmoer en behoorde in die tijd nog tot de ethische richting. Vanuit die gemeente moest hij een vacaturebeurt vervullen in Loon op Zand. Het kwam nog wel eens voor dat hij in het dankgebed werd becommentarieerd door de dienstdoende ouderling. Op een keer moest hij weer voorgaan maar toen hij na de dienst in de consistoriekamer kwam wachtte hij het gebed niet af en maakte direct aanstalten om te vertrekken. Heel pertinent verklaarde hij aan de verwonderde kerkenraadsleden, gezien de afstand en de tijd, de terugreis naar ‘s-Gravenmoer te willen aanvaarden. Hij zei: 'Op de vleugelen van uw gebed spoed ik me op de fiets naar huis.'
Het is niet alles kommer en kwel rondom de consistoriegebeden. In de gereformeerde kerk van Benschop moest in 1922 kandidaat J.J. Buskes voorgaan. Hij was toch zo zenuwachtig! De ouderling van dienst bad voor het begin van de dienst: 'Heere, Gij hebt ons vanochtend een jongske gestuurd.' Hij vroeg tevens of de Heere de vijf broden en twee visjes wilde vermenigvuldigen opdat ze allen zouden verzadigd worden. De geschiedenis vermeldt niet of dit ook inderdaad het geval was. Buskes behoorde namelijk niet tot de uitgesproken rechtzinnige voorgangers. Een collega maakte onlangs ook iets verrassends mee bij het consistoriegebed. In een gemeente waar hij regelmatig preekt werd er voor en na de dienst in de consistoriekamer een 'gebed zonder end' gedaan door een ouderling. Hij was er nog niet achter gekomen dat we niet door veelheid van woorden bij de Heere iets gedaan krijgen. Maar wat gebeurde na de preek in de consistoriekamer? De collega die zijn voeten al schrap zette voor het ellenlange gebed werd verrast door de korte lofbede: 'Lof zij de Heere. Amen'. De prediking had de ouderling zo geraakt dat hij niets meer en minder kon stamelen. Dat was echt een gezegende dienst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's