Uit de pers
Gezocht: ambtsdragers
De laatste weken zijn in veel gemeenten ambtsdragers in het ambt bevestigd. Voor een eerste of voor een tweede periode. Onder de nieuwe kerkorde is de zittingstijd voor een ambtsdrager van twaalf naar acht jaar teruggebracht. Dat geeft in nogal wat situaties lange lijsten aftredende en niet langer herkiesbare ambtsdragers, met als gevolg vele vacatures. Niet overal verloopt de vervulling ervan even makkelijk en eenvoudig. Ook al is de kerk wel eens de grootste vrijwilligersorganisatie in ons land genoemd, de zoektocht naar gemeenteleden die bereid zijn zich beschikbaar te stellen voor een bepaalde periode van hun leven om in een ambt de gemeente te dienen verloopt in steeds meer gemeenten moeizaam.
Dat heeft met allerlei oorzaken te maken: het arbeidsproces vraagt steeds meer inzet van werkenden, mensen in onze tijd hechten (terecht) veel waarde aan het gezin en aan de opvoeding van opgroeiende kinderen, mensen kiezen bewust voor hun privéleven naast een drukbezette baan.
In zijn maandelijkse rubriek Kruimels in het weekblad Confessioneel (26 januari 2006) besteedt ds. B.H. Weegink (Katwijk aan Zee) aandacht aan dit probleem. Zijn bijdragen hebben altijd een wat ludieke toon, maar stellen juist daardoor bepaalde zaken in een scherper licht. Hij bewerkt twee stukken uit een kerkblad elders in het land onder het opschrift Actief in de kerk.
Toen ik 14 was, kwam er iemand van de jeugdraad om te vragen of ik lid wilde worden van de jeugdclub. 'Nou nee', zei ik toen, 'ik moet nogal veel huiswerk maken en bovendien zit ik op korfbal en bij de scouting. Dat van de kerk kan er nu niet bij. Als ik 18 ben, heb ik vast meer tijd. Dan misschien wel.'
Toen ik 18 was, kwam er een jeugdouderling bij me. Die vroeg of ik lid wilde worden van de jeugddienstcommissie, zo vaak vergaderde die niet en het duurde maar kort. Ik vond het jammer om te weigeren, zei dat ik net een pittige studie was begonnen en hoe dat zat met studiepunten en geld en zo. Dus vroeg ik om nog even geduld te hebben. Dat van de kerk kon er echt niet bij. Na mijn studie, ja dan zou ik wel iets voor de kerk kunnen doen misschien.
Rond mijn 25e vroeg de voorzitter van de kerkenraad of ik diaken wilde worden, jeugddiaken noemden ze dat. Ik had tussendoor belijdenis gedaan, gelukkig dat ze er thuis een beetje op hadden aangedrongen dat ik een paar avonden een uurtje vrij maakte voor de kattebak van de kerk. Maar ja, die kerkenraad, dat kwam toch wel erg slecht uit. Je bent ook stik de jongste in zo’n club. Ik was net met een baan begonnen, dacht aan mijn c.v. en aan mijn carrièrekansen. Eerlijk, dan begin je met dat van die kerk niet zoveel. En bovendien zou ik over een poosje nog trouwen ook. Allemaal net heavy genoeg. Nee, een functie kon beter nog maar even wachten. In de planning over een jaar of twee misschien?
Tien jaar later of zo, we hadden al drie kinderen, kwam de dominee langs met de vraag of ik ouderling wilde worden. Ouderling? Ik schrok ervan. Dat haal je niet zomaar uit de kast. Het lukte helaas niet. Groot respect hoor, voor die man. En voor al die mensen die het er in hun vrije tijd toch maar even naast doen. Moet je kunnen. We hadden een nieuw huis gekocht en we hadden het nogal druk met de kinderen. ‘s Zaterdags mee naar de voetbal en regelmatig rijden als ze moesten optreden met hun koor. Ik een volledige baan en mijn vrouw een deeltijdfunctie. Dat van die kerk, het zat er toch echt niet in. Later misschien.
Inmiddels was ik 50 geworden en op een dag stond een wijkouderling op de stoep. Of hij een afspraak kon maken. Ze hadden nog mensen nodig voor het moderamen van de kerkenraad en een beetje sturing geven, dat was me toch niet vreemd. Of ik het misschien wilde doen, ik kon het wel. Ik heb ervoor bedankt hoor. 'Ach nee', zei ik, 'ik heb nog nooit wat in de kerk gedaan en dan is de stap om voorzitter of scriba te worden wel erg groot.' Dat van die kerk is echt een vak apart. Bovendien had ik net promotie op mijn werk gemaakt en het vroeg me nogal wat tijd om me daar in te werken. Nek uitsteken kun je niet op alle fronten doen. 'Over een jaar of tien ga ik met de Vut', zei ik, 'dus dan heb ik alle tijd.'
Een jaar of tien later werd me gevraagd of ik wijkbezoeker wilde worden, of seniorenouderling. Maar dat van die kerk, het kwam toch wel erg slecht uit. 'Weet u', zei ik, we passen veel op de kleinkinderen, we spelen eigenlijk weer voor vader en moeder want hun ouders zijn te druk. Dat brengt een boel werk mee en we gaan nogal eens uit.'
Nu ben ik 80 en zit ik hier achter de geraniums te kijken. Ik zit al een hele tijd te wachten tot er eens iemand van de kerk bij me op bezoek komt. Dat van die kerk … ‘t is ook maar niks, tegenwoordig. De mensen hebben nergens meer tijd voor …’
De opbouw en strekking van het betoog deden me denken aan wat ik in vroeger jaren wel eens hoorde gebruiken in het kader van het zoeken van het Koninkrijk van God: van uitstel dreigt afstel te komen.
Om over dit onderwerp ook weer niet al te zeer in mineur te eindigen: ik heb me er in eigen gemeente over verwonderd en verheugd dat ook weer zoveel jongere gemeenteleden bereid waren zich in te zetten voor de kerk voor een bepaalde periode. Er waren ook anderen die al eerder de kerk dienden en na een soms korte periode zich opnieuw beschikbaar hebben gesteld. Iets om dankbaar voor te zijn.
Religie als thema
In de laatste aflevering van Kerk en Theologie (jaargang 57 nr. 1 januari 2006) besteedt prof.dr. Jan A.B. Jongeneel in de Kroniek onder andere aandacht aan drie druk gelezen en besproken romans waarin, zoals hij het typeert, de ‘religie gethematiseerd wordt’.
Sinds ik getrouwd ben, neem ik geen theologische literatuur op vakantie mee. Wel gaat er een hoeveelheid romans mee. In de afgelopen najaarsvakantie zaten Jan Siebelink, Knielen op een bed violen, Salman Rushdie, Shalimar de clown, en Dan Brown, Da Vinci code in het pakket.
Siebelinks romans is deels autobiografisch: de hoofdfiguur is min of meer zijn vader, die tot de kring van ds. Jan Pieter Paauwe (1872-1956) behoorde. Deze figuur is op zoek naar wat eeuwigheidswaarde heeft, terwijl zijn vrouw zich vooral bekommert om het leven met haar man en kinderen in het hier en nu. De namen van de 'oefenaars' die in deze roman voorkomen, onder andere Mieras en Taverne, zijn zeker bekend bij wie geen vreemdeling in het bevindelijke Nederland van de twintigste eeuw is. Het door de schrijver geschetste beeld van Paauwianen klopt op hoofdpunten. Wel heb ik vraagtekens geplaatst bij de wijze waarop de auteur aangeeft hoe personen die claimen wedergeboren te zijn voor de vierschaar gedaagd worden en ook bij de wijze waarop hij de armetierige levensstijl der 'oefenaars' beschrijft. Hoewel Siebelink zich distantieert van zijn hoofdfiguur, heeft hij deze toch op een wijze beschreven die gunstig afsteekt bij de vrij polemische benadering van christenen door Maarten ‘t Hart in De Jacobsladder en andere romans. In het geseculariseerde Nederland kan godsdienst nu kennelijk weer a-polemisch hoofdthema zijn en ook nog eens met een literatuurprijs beloond worden. Overigens werpt Knielen op een bed violen wel onbedoeld de vraag op hoe ook in andere godsdiensten en geloven de wet en de wil van 'zo en niet anders' mensen jukken opleggen die moreel en psychisch te zwaar zijn om te dragen.
Het boek van Rushdie is eveneens uiterst authentiek. Evenals Knielen op een bed violen thematiseert het religie, maar anders dan Siebelink plaatst het dit onderwerp in een mondiale context. Het Kashmir van vóór de recente aardbeving is het toneel; doch ook Europa en de Verenigde Staten zijn locus.
Meer dan in vorige romans stelt de auteur in Shalimar de clown het terrorisme aan de orde en plaatst hij dit in het perspectief van religie (met name hindoeïsme, islam en christendom) en politiek. De auteur geeft er niet alleen blijk van zich goed ingelezen te hebben in de thematiek, maar ook te putten uit eigen waarneming en ervaring. De terroristische hoofdpersoon Shalimar de clown (die even dwangmatig handelt als de hoofdpersoon in Siebelinks roman), wordt ter dood veroordeeld en Kashmira, de vrouwelijke tegenspeler, is hierbij, om geheel andere redenen dan de vrouwelijke hoofdfiguur uit Knielen op een bed violen, zeer emotioneel betrokken. Bij het lezen van dit sublieme werk is mij opgevallen dat Rushdie evenmin als Siebelink rancuneus is. De drijfveren waarom mensen handelen zoals zij handelen fascineren de auteur; zij worden door hem tot op het bot geanalyseerd.
Bij Siebelink en Rushdie steekt Brown mager af. Weliswaar is zijn boek een bestseller in de Verenigde Staten en vervolgens ook elders in de wereld (inclusief Nederland), maar dit zegt helemaal niets over het 'uit het leven gegrepen zijn' van wat aan de orde gesteld wordt. Brown, die boeken als Michael Baigent-Richard Leigh-Henry Lincoln, The Messianic Legacy (1989), schijnt gelezen te hebben, brengt de grootst mogelijke onzin over de tempel in Jeruzalem, Jezus Christus en de Oude Kerk te berde: onder andere dat Jezus is getrouwd met Maria Magdalena, heeft een dochter uit die relatie, en is zo de stamvader van het Merovingische koningshuis in Frankrijk. Het vervelende van deze historische nonsens is dat zij in kringen van New Age als zoete koek geslikt wordt en bovendien koren op de molen is van allen die het evangelie en de kerk graag onderuit halen. Omdat de auteur boeiend vertellen kan, heb ik desalniettemin zijn roman in één adem uitgelezen.
Het wekt inderdaad verbazing dat boeken waarin religie de hoofdrol vervult zo druk gelezen worden. Ik kan daarom nog steeds niet begrijpen dat Siebelinks roman tot in de meest agnostische hoeken van onze samenleving kennelijk gelezen en zelfs gewaardeerd wordt. Dat moet ons eigenlijk wel wat te zeggen hebben. Maar wat? Ik kan er niet goed achter komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's