De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

7 minuten leestijd

Pastoraat onder druk
Een maand geleden (26 januari 2006) kwam in deze rubriek het pastoraat binnen de christelijke gemeente aan de orde. Iemand betreurde het dat veel predikanten nooit verder kwamen dan wat heet ‘crisispastoraat’. Ds. Pieter Meijer kwam aan het woord via de column van Marja Brak in CV•Koers: hij constateerde eveneens dat de pastorale aandacht voor de gemeente in haar breedte ernstig tekortschoot.
Twee weken geleden las ik opnieuw een bijdrage van zijn hand in het Centraal Weekblad (3 februari 2006) waar hij als opschrift boven plaatste: Hoe lang hebben we nog dominees?, met als tussenregel: Beknibbelen op pastoraat op langere termijn een ramp voor kerk en predikant. De aanleiding tot zijn artikel is het feit dat steeds meer gemeenten kiezen voor een (betaalbare) parttime predikant. Nu zijn er in de PKN nog ongeveer tweeduizend voltijdspredikantsplaatsen. Over vijftien à twintig jaar zal dat aantal wellicht gehalveerd zijn. Er zullen dan misschien nog wel tweeduizend predikanten zijn, maar de meesten zullen een deeltijdbaan in de kerk hebben. De laatste jaren is het aantal deeltijdbanen in de kerk aan het toenemen omdat bij vertrek van een voltijdsdominee de predikantsplaats voor minder dan 100% wordt ingevuld. Er zijn in nogal wat gemeenten niet voldoende financiën meer beschikbaar. De zorg die ds. Meijer in zijn artikel aan de orde stelt, is dat je dan wel een 75% dominee kunt beroepen maar het aantal pastorale eenheden vermindert daarmee niet. Het gevolg van deze ontwikkeling kan alleen maar zijn dat er beknibbeld gaat worden op het pastoraat. Volgens ds. Meijer wordt zo wel het paard achter de wagen gespannen. ‘Mensen die nu nog ingeschreven staan in de kerkelijke registers, maar weinig contact met de kerk meer hebben, zullen op een gegeven moment die relatie helemaal verbreken als er toch geen enkele aandacht aan ze wordt gegeven.’
Is die neerwaartse spiraal nog te doorbreken? Volgens mij zijn er mogelijkheden. Met een paar vergelijkingen – die niet iedereen gepast zal vinden – hoop ik wat aan te reiken.
In mijn studententijd was ik zomers twee tot drie maanden vakantievertegenwoordiger bij margarinefabrikant Unilever. In het eerste jaar kregen we als studenten een week lang training in Breda. Ons werd onder meer goed duidelijk gemaakt dat er grote en kleine klanten waren en klanten die zelden of nooit wat bestelden. Toch moesten we ook die kleine klanten elke week bezoeken en keurig behandelen. Want een kleine klant kon een grote worden. Als ze niet meer regelmatig bezocht werden zouden die klanten op een gegeven moment helemaal afhaken als klant. En een klant die je kwijt bent, krijg je niet zo gauw terug. Dat is in de kerk meestal niet anders.
Dominees worden ook wel aangeduid als 'herder en leraar'. Als beroepskrachten van de kerk zullen zij als vertegenwoordigers van de kerk contact moeten houden met de klanten van de kerk. Dat kost tijd, erg veel tijd, ja! Maar het levert ook veel op. Als vertegenwoordiger kreeg ik suggesties en klachten te horen. Daarmee hield je rekening en zo nodig gaf je het door aan kantoor, die daarmee z’n winst kon doen. Ook pastoraat kan een heel nuttige terugkoppeling opleveren voor het kerkelijk reilen en zeilen.
Een onthullende terugkoppeling naar het domineeswerk leverde een recent onderzoek in de VS. Daaruit bleek namelijk dat Amerikaanse dominees soms heel anders denken over wat kerkgangers bezighoudt dan die kerkgangers zelf. Hoe kan zo’n misvatting ontstaan? Leven ze te veel in hun theologenwereldje en te weinig in dat van die kerkleden? Dan houden ze misschien prachtige en theologisch zeer doorwrochte preken. Maar als die kerkgangers geen verband merken met wat in hun levens speelt? Dat versnelt het proces van kerkverlating. En zonder klanten houdt Unilever noch kerk het vol en wordt personeel overbodig.
Nog een vergelijking. Artsen moeten, om hun bevoegdheid te behouden, elke vier jaar een bepaald aantal studiepunten voor bijscholing hebben gehaald om die bevoegdheid te behouden. Daarvoor moet elke arts een keuze maken uit een aanbod van bijscholingsactiviteiten, vastgesteld door een daarvoor ingestelde landelijke commissie. Gemiddeld kost dat een arts ongeveer veertig uur per jaar, zeg maar een week.
Predikanten krijgen een keer per vijf jaar drie maanden studieverlof. Daarvoor moeten ze eerst zelf een plan maken, het met de kerkenraad overleggen, er kennis van geven aan het moderamen van de classicale vergadering en er nadien ook nog een verslag van uitbrengen. Dertien weken studeren met – geschat – ook nog een week voor- en een week nawerk.
Dat is vijftien weken in vijf jaar terwijl artsen in zo’n zelfde periode voor bij- en nascholing vijf weken kwijt zijn. Maar die zijn dan ook strikt op de praktische beroepsuitoefening gericht. Ze moeten kiezen uit een vastgestelde lijst. Dominees kunnen naar believen een wellicht o zo aardige studieuze interesse uitdiepen in hun studieverlof. Met alle kans dat hun keuze die kloof dominee-kerkganger versterkt. Zo buigt de tak waarop dominees zitten hoe langer hoe meer door.

Dienstjaren
Waar valt nog meer wat te verdienen om het domineesberoep voor verdwijnen te behoeden? Bij hervormden en gereformeerden was het salaris afhankelijk van dienstjaren en van gemeentegrootte of - klasse. In de PKN bestaat nog wel het systeem van dienstjaren. Maar elke predikant met bijvoorbeeld tien dienstjaren krijgt hetzelfde bedrag, of ze nu werken in ‘s-Gravenhage of in ‘s-Gravendeel. Misschien heel mooi bedoeld, maar wel kostbaar. Een aantal kleine gemeenten kan nu niet meer aanvangssalaris plus de bijdragen voor de landelijke kas predikantstraktementen opbrengen en dus geen dominee beroepen.
En dat, terwijl juist die kleine gemeenten vaak een prachtige praktijkschool waren voor de nog onervaren predikant. Ik heb zeer dierbare herinneringen aan mijn eerste standplaats. We hadden het bepaald niet breed. We hadden wel een tuin waaruit we, met hulp van onze koster, veel lekkere dingen hebben gegeten. En aardige mensen kwamen wel eens een maaltje bonen brengen. Misschien dat je zodoende ook heel dichtbij je gemeenteleden leefde. Ik was geen dominee, ik ben het daar geworden. En ik denk dat het veel collega’s zo gegaan is. Doodzonde om zulke kweekplaatsen voor dominees om zeep te helpen
.

Ik weet niet of deze cri de coeur veel zal helpen. Ontwikkelingen lijken ook in de kerk vaak onomkeerbaar. Er dient ons wel alles aan gelegen te zijn om te bewaren wat we nog hebben in de kaalslag van de tijd. Onder ons is altijd veel waarde gehecht aan de gedachte van de volkskerk vanwege de breedte van het verbond. Alleen maar gedoopten en zelfs (nog) niet gedoopten horen ook bij de gemeente. De theorie is juist, maar is er in de praktijk werkelijk invulling aan gegeven? Is het überhaupt haalbare kaart gebleken om deze principiële stellingname concreet handen en voeten te geven. Ik bedoel: pastorale handen en voeten. En dan hebben we het nog niet eens over de rand- en grensbewoners, maar vooral over hen die toch nog wel betrokkenheid tonen voor het kerkelijk leven. Hoe gaan we pastoraal met hen om als predikant en ouderling? Is daar tijd en ook werkelijke aandacht voor? Intussen zijn er ook nieuwe ontwikkelingen als het gaat om de vervulling van onbetaalbaar geworden predikantsplaatsen: de Hbo-opgeleide kerkelijk werker. De Christelijke Hogeschool Ede (CHE) telt op dit moment al 550 studenten die de opleiding godsdienst pastoraal werk volgen. In het EO-radioprogramma Kerk in Beweging (11 februari 2006) bepleitte dr. M.J. Paul dat deze kerkelijk werkers ook de bevoegdheid tot sacramentsbediening moeten krijgen. En in hetzelfde programma liet dr. H. de Leede blijken dat het slechts een kwestie van tijd is en er zullen in de kerk twee typen werkers aan de slag gaan: de academisch geschoolde predikant en de hbo-gevormde kerkelijk werker. Binnen afzienbare tijd zal daarvoor in de kerk een principiële stap moeten worden gezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's