De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een bepaalde houding vereist

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bepaalde houding vereist

THEOLOGIEBEOEFENING IN NEDERLAND [1]

11 minuten leestijd

Inleiding
De uitnodiging in uw midden een referaat te houden over de theologiebeoefening in Nederland heb ik slechts aarzelend aanvaard. Ik ben geen theoloog, zelfs geen amateur-theoloog. In mijn functies van rector van de Universiteit van Tilburg en voorzitter van de Raad van Toezicht van het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs (TWO) krijg ik met enige regelmaat theologische proefschriften onder ogen. Die gaan echter vrijwel altijd ongelezen door naar mijn voormalig wijkpredikant, in de wetenschap dat ze bij hem de aandacht en behandeling krijgen die ze ongetwijfeld verdienen.
Mijn aarzeling werd nog versterkt toen mij door uw secretaris te verstaan werd gegeven dat het niet de bedoeling was zomaar een lezing te geven, maar dat het een causerie moest zijn. Nu blijkt een causerie een ‘in losse onderhoudende vorm voorgedragen behandeling’ te zijn ‘van enig onderwerp van wetenschap, kunst of dergelijke voor een publiek van leken’. Aangezien de leek achter het spreekgestoelte staat en de deskundigen in de zaal zitten, lijkt hiermee de voorwaarde geschapen voor een alleszins onorthodoxe causerie.
De vrijmoedigheid om desondanks deze uitnodiging te aanvaarden ontleen ik aan drie overwegingen.
In de eerste plaats ben ik met het bestuur van de Gereformeerde Bond van mening dat het heilzaam kan zijn wanneer deskundigen zich van tijd tot tijd een spiegel willen laten voorhouden door iemand die niet al te zeer wordt gehinderd door kennis vanuit het binnenperspectief van de professie. Het kan leiden tot vragen en reflectie die vanuit de eigen discipline soms als vanzelfsprekend niet aan de orde komen.
Ten tweede word ik zowel als rector van een universiteit als in de rol van voorzitter van TWO geacht een bestuurlijke mening te hebben over de theologiebeoefening, ook al heb ik er inhoudelijk weinig verstand van. Door mijn opvattingen in uw midden neer te leggen, hoop ik mijn mening te kunnen toetsen op zijn houdbaarheid ten overstaan van een groep deskundigen.
Ten slotte, de derde overweging om toch maar ja te zeggen, is het besef dat ik waarschijnlijk geen tweede kans zou krijgen een degelijk illuster gezelschap ooit te mogen toespreken.
Nog één opmerking vooraf. Ik heb vandaag een vrije dag. Ik ben dus niet in functie, noch als rector van de Universiteit van Tilburg, noch als voorzitter van TWO. Wat ik te berde zal brengen, zijn dus persoonlijke observaties, meningen en overtuigingen, maar geen bestuurlijke standpunten van organisaties die ik morgen weer hoop te vertegenwoordigen.
Aan het onderwerp theologiebeoefening in Nederland zie ik drie, weliswaar nauw met elkaar verbonden, maar desalniettemin toch te onderscheiden aspecten:
het theologisch wetenschappelijk onderwijs,
het theologisch wetenschappelijk onderzoek en
de praktijk van de theologiebeoefening door predikanten en geestelijk verzorgers.
Ik sta om te beginnen stil bij het theologisch wetenschappelijk onderwijs, vervolgens wil ik ingaan op het theologisch wetenschappelijk onderzoek, terwijl ik de praktijk van de theologiebeoefening slechts zijdelings zal aanroeren, voor zover ze direct in verband staat tot onderwijs en onderzoek.

Theologisch wetenschappelijk onderwijs
Het hanteren van de term theologisch wetenschappelijk onderwijs duidt erop dat er ook ander theologisch onderwijs is. Daarbij moeten we dan vooral denken aan de sterke groei van het onderwijs zoals dat in het Hbo ook op theologisch gebied wordt aangeboden. De vraag dringt zich op of het onderscheid tussen die beide vormen van onderwijs in de toekomst nog zinvol te maken is. Mijn antwoord daarop is een volmondig ja. Naar mijn overtuiging is een van de meest wezenlijke kenmerken van wetenschappelijk onderwijs in het algemeen dat het wordt gevoed vanuit een actieve beoefening van wetenschappelijk onderzoek. Waar die koppeling wordt losgelaten, verliest een opleiding het recht op het voeren van het predikaat wetenschappelijk. Een universitair docent, hoofddocent of hoogleraar dient een substantieel deel van zijn of haar wetenschappelijke loopbaan actief bij wetenschapsbeoefening betrokken te zijn om als leermeester te kunnen functioneren.
Deze stellingname wordt niet ingegeven door universitaire arrogantie ten opzichte van het Hbo, maar door een fundamentele stellingname dat universiteit en Hbo hun eigen onderscheiden missie hebben. Door de nadrukkelijke en zelfbewuste wijze waarop het hbo zich de laatste jaren profileert, worden de universiteiten terecht gedwongen hun positie ten opzichte van het hbo nader te preciseren en te expliciteren. Met de gebruikelijke dooddoener: ‘Wetenschappelijk onderwijs leidt op voor functies in de samenleving, waarvoor een wetenschappelijke opleiding vereist is’ komt de wetenschap niet langer weg.

Gescherpt denkvermogen
Wetenschappelijk onderwijs leidt ten principale niet op voor een beroep, maar voor leidinggevende posities in de samenleving waarvoor naast een hoeveelheid kennis en vaardigheden ook een bepaalde attitude vereist is, die zich beter laat karakteriseren door een aantal kwalificaties dan dat deze zich scherp laat definiëren. Daarbij denk ik aan kwalificaties als intellectuele zelfstandigheid, analytisch vermogen, heldere denktrant, wetenschappelijke integriteit, maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, een nieuwsgierige en kritische (ook zelfkritische) instelling en het vermogen

Tijdens de onlangs gehouden predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond hield prof.dr. F.A. van der Duyn Schouten, voorzitter van de Raad van Toezicht van het Theologisch Wetenschappelijk Instituut (TWI), een causerie over Theologiebeoefening in Nederland. Binnen de Protestantse Kerk is TWI verantwoordelijk voor de opleiding van aanstaande predikanten. Ook omdat de synode op 6 en 7 april over de toekomst van de opleiding zal spreken, plaatsen we in enkele afleveringen zijn bijdrage.

RED. DE WAARHEIDSVRIEND

verbanden te leggen waar ze ogenschijnlijk niet zijn. Dit vergt van een opleiding zowel diepte als breedte. Alleen door studenten de diepte van een wetenschappelijke discipline in te leiden wordt het denkvermogen gescherpt, zonder dat het bestudeerde nu altijd ‘bruikbaar’ hoeft te zijn in de latere beroepsuitoefening. Door de breedte in een opleiding aan te brengen wordt de student getraind zijn opvattingen en meningen te toetsen aan datgene wat hem uit andere perspectieven wordt aangereikt. Het aanleren van een kritisch vragende instelling is misschien wel de meest essentiële karakterisering van wat een wetenschappelijke opleiding zou moeten nastreven. Het belang van het weten van het ‘hoe’ staat in de schaduw van het weten van het ‘waarom’ en het ‘waarom niet’. Of om het nog weer wat anders te zeggen: ‘Het leren stellen van de juiste vragen is in een wetenschappelijke opleiding belangrijker dan het geven van de juiste antwoorden.’ Het aanleren en ontwikkelen van dergelijke attitudes staat in bepaalde opzichten op gespannen voet met een opleiding die zich ten doel stelt iemand in een beperkt aantal jaren voor te bereiden op de feitelijke uitoefening van een specifiek beroep.

Rechters en advocaten
Laat ik dit mogen illustreren met een voorbeeld. In het hbo is men onlangs gestart met het aanbieden van opleidingen op het terrein van het recht. Een prima initiatief. Een goede voorbereiding op het beroep van bijvoorbeeld deurwaarder vergt niet noodzakelijk een wetenschappelijke opleiding, terwijl ook voor heel veel juridisch getinte functies in het bedrijfsleven een beroepsmatige opleiding beter voldoet dan een wetenschappelijke. Maar dat ligt anders voor rechters en advocaten. Een rechter heeft in zijn ambtsuitoefening andere kwalificaties nodig dan een deurwaarder.
Als een toekomstig rechter tijdens zijn opleiding alleen wordt getraind op wetskennis en vaardigheid in het omgaan met mensen en niet heeft geleerd een kritische en doorvragende attitude te ontwikkelen, is het met de rechterlijke macht droevig gesteld. Een rechter en een advocaat moeten, om goed te kunnen functioneren, onder meer in staat zijn de inbreng van deskundigen uit andere disciplines kritisch te analyseren, zonder zelf deskundig op het betreffende gebied te zijn. Door het stellen van de juiste vragen moeten ze zich een oordeel kunnen vormen omtrent de kwaliteit van het door anderen geleverde werk. Dit soort karakteriseringen maken mijns inziens een blijvend onderscheid tussen beroepsvoorbereidend en wetenschappelijk onderwijs ook naar de toekomst toe absoluut noodzakelijk.
Daarbij zijn classificaties als ‘hoger’ en ‘lager’ buiten de orde, maar het zou heel veel schade aan de samenleving aanbrengen als we het hele hoger onderwijs in alle opzichten over één kam gaan scheren. Ik haast mij op te merken dat het bepaald niet alleen de Hbo-instellingen zijn die de branchevervaging veroorzaken. Ook de universiteiten dragen hieraan soms bij door hun wetenschappelijke missie te verzaken.

Accountants
Om dat nader te illustreren noem ik het vakgebied van de accountancy. Accountants worden voornamelijk opgeleid in een universitaire context. Maar de uitvoering van de opleiding wordt nogal eens bijna exclusief overgelaten aan beoefenaars van het accountantsberoep zelf, die daartoe voor een dag in de week als bijzonder hoogleraar aan een universiteit worden benoemd. Iedere serieuze vorm van actieve wetenschapsbeoefening is daarbij afwezig. Daar ontbreekt eenvoudigweg de tijd voor. Men krijgt dus als student de kneepjes van het vak aangeleerd door de beroepsbeoefenaren zelf, waarmee in feite sprake is van een beroepsopleiding in een wetenschappelijke context. De student krijgt te horen: ‘Zo zijn onze manieren’ en hem wordt voorgehouden dat hij een goede accountant kan worden als hij zich die manieren zo goed mogelijk eigen maakt.
In dergelijke situaties, waarin het beroep van binnenuit wordt gedoceerd, kunnen licht verstarring en deformaties optreden, zoals in het recente verleden bij bedrijven als Enron en Ahold aan het licht zijn gekomen. Deze schandalen hebben de ogen geopend voor de wenselijkheid de opleiding van accountant op een meer afstandelijke wetenschappelijke leest te schoeien en in de opleiding meer kritische reflectie op het beroep zelf aan bod te laten komen vanuit het buitenperspectief. Een soortgelijke bezinning op het wezen van de academische juridische opleiding vindt op steeds meer universiteiten plaats: meer abstractie, meer filosofie, meer geschiedenis en dan misschien maar wat minder wetsteksten en jurisprudentie.

Verwachting van theoloog?
Wat heeft ons dit nu te zeggen over de theologiebeoefening? Wel, de vraag dringt zich op wat we van een afgestudeerd theoloog verwachten. Is dat iemand die (uiteraard vanuit een roeping en gedreven vanuit een persoonlijk geloof ), vooral optimaal voorbereid moet worden de pastorie te betreden en het beroep van predikant in de verscheidenheid van de zich aandienende taken uit te oefenen? Iedere week tenminste een goed doorwrochte gereformeerde preek maken en daarbij in staat zijn na te vorsen wat anderen over een bepaalde tekst hebben gezegd om dat vervolgens in goed verstaanbaar Nederlands aan de gemeente over te dragen? Bekwaam in het geven van onderwijs aan de jeugd, een vergadering kunnen leiden en persoonlijke pastorale zorg kunnen bieden aan hen die daaraan behoefte hebben?
Is het dat of verwachten we van een afgestudeerd theoloog en dus van onze predikanten toch nog iets meer? Verwachten we ook van hen dat ze in staat zijn de ontwikkelingen in de wereld en maatschappij te duiden vanuit het perspectief van Gods Woord, dat ze verbanden kunnen leggen tussen de Bijbel en het geschiedenisboek en tussen de Bijbel en de leefsituatie van het individuele gemeentelid? Moeten ze überhaupt in staat zijn zich in te leven in de situatie waarin gemeenteleden (ook jonge gemeenteleden in hun opleiding) zich bevinden? Moeten ze tijdens vergaderingen van kerkenraad en classis door ondeugdelijke redeneringen heen kunnen prikken?
Moeten we hun het vermogen toedichten tot abstractie en generalisatie, waardoor ze in staat zijn problemen op te lossen door ze terug te brengen tot zaken die al eerder in een ander verband aan de orde zijn geweest? Moeten ze in staat zijn tot kritische zelfreflectie om in het geval van conflicten constructief naar oplossingswegen te zoeken, zonder zichzelf daarbij al te zeer in de weg te staan?

Diepgaande studie
Door deze vragen zo te formuleren lijken de antwoorden gegeven. Het zou mij echter niet verbazen als uit een enquête, uitgezet onder de breedte van onze gemeenten, de eerstgenoemde praktische vaardigheden veel hoger op de prioriteitenlijst komen dan de meer abstracte die ik in tweede instantie noemde. Maar dat laat onverlet dat het noodzakelijk is bij de opleiding van predikanten helder voor ogen te blijven houden wat we van predikanten in spe verwachten.
Persoonlijk acht ik het voor de toekomst van onze kerk zeer problematisch als wij onze predikanten voornamelijk zouden gaan opleiden in een Hbo-achtige setting, waarin de zeer specifieke beroepsvoorbereiding de wetenschappelijke vorming naar de achtergrond zou gaan verdringen.
Maar dat betekent dan wel dat de theologische opleiding ook voluit haar wetenschappelijke doelstellingen serieus moet blijven nemen en zich in haar ontwikkeling niet kan onttrekken aan de internationale gang van de wetenschap. De opleiding zal ruimte moeten bieden voor zelfstandige diepgaande studie. Student en docent zullen bereid moeten zijn zich op nieuwe, onontgonnen en onvertrouwde terreinen te bewegen en er zal in de opleiding ruimschoots gelegenheid moeten zijn de tijd waarin we leven te duiden, de ontwikkeling van techniek en maatschappij te leren beoordelen en daarover zich niet alleen een mening te vormen, maar die mening ook in voortdurende wisselwerking met anderen en met het Woord te toetsen en zonodig bij te stellen.
De consequenties hiervan moeten we dan wel open onder ogen zien. Volgende week hoop ik nader in te gaan op deze consequenties voor opleidingstructuur en de houding van de (aankomende) student. In de laatste aflevering wil ik stilstaan bij de consequenties voor de kwalificaties van het wetenschappelijk personeel en de rol van het wetenschappelijk onderzoek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 2006

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een bepaalde houding vereist

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 2006

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's