De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het imago van een theoloog

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het imago van een theoloog

THEOLOGIEBEOEFENING IN NEDERLAND [3]

9 minuten leestijd

Wetenschappelijk personeel
De keuze voor een wetenschappelijke setting voor de theologieopleidingen heeft ook consequenties voor het personeelsbeleid van de kerkelijke universiteit. De tijd dat aan een universiteit wetenschappelijk personeel werd benoemd zonder een afgeronde promotie, ligt inmiddels definitief achter ons. Het hebben afgerond van een promotietraject is een noodzakelijke, maar lang niet meer voldoende voorwaarde voor een loopbaan in de wetenschap. Dat is voor sommige disciplines nog wel wat wennen, maar een wetenschappelijke discipline zal zich slechts aan deze trend kunnen onttrekken op straffe van een bestaan in de wetenschappelijke marge.
In dat licht zien we een verschuiving in de waardering van de academische promotie en het academisch proefschrift. De tijd ligt nog niet zo ver achter ons dat in bepaalde disciplines het proefschrift veelal niet werd opgevat als een eerste proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap, maar min of meer als levenswerk dat eerder het einde van actieve wetenschapsbeoefening markeerde. Het proefschrift werd beschouwd als het ticket waarop men zich in de wetenschappelijke wereld vestigde en vervolgens droogde de bron van wetenschappelijke arbeid heel snel op. Daaraan is tegenwoordig aan alle Nederlandse universiteiten nadrukkelijk een einde gekomen. Dit heeft tot gevolg dat de waarde die aan het proefschrift wordt verbonden enerzijds toeneemt, omdat je zonder een proefschrift de universiteit niet meer binnen komt, maar anderzijds afneemt, omdat de wetenschappelijk reputatie veelal pas na de promotie wordt gevestigd.

Benoemingsbeleid van de kerk
Een consequentie van deze ontwikkeling is wel dat de keuze voor een loopbaan in de wetenschap vroeg (eigenlijk al tijdens de studie) moet worden gemaakt. De tijd dat men zich via een docentschap in het voortgezet onderwijs in de avonduren wijdde aan een academische promotie om vervolgens een universitaire positie te aanvaarden is voorbij, hoe aantrekkelijk het traject in de ogen van velen ooit ook is geweest.
Dit heeft ook gevolgen voor het benoemingsbeleid dat de kerk tot nu toe voerde ten aanzien van kerkelijke docenten en hoogleraren. De stringente eis die ongenuanceerd voorschrijft dat om voor benoeming als kerkelijk universitair docent en hoogleraar in aanmerking te komen, men in ieder geval eerst enige jaren als gemeentepredikant actief moet zijn geweest, lijkt mij in dit licht naar de toekomst toe onhoudbaar. Als de kerk deze eis in algemene zin onopgeefbaar acht, zal zij haar wetenschappelijke ambitie moeten laten varen. Naar mijn oordeel zou de kerk er goed aan doen zich erop te bezinnen of de koppeling aan het actieve predikantschap zich niet zou moeten beperken tot die functies waarin de predikantservaring aantoonbare meerwaarde oplevert voor het onderwijs. De eerder gemaakte opmerkingen over wetenschappelijk onderwijs vanuit binnen- en buitenperspectief zouden daarbij kunnen worden betrokken.

Wetenschappelijk onderzoek
De plaats van de theologie in het geheel van de wetenschap is in de loop der eeuwen ingrijpend veranderd. In de Middeleeuwen stond de theologie onbetwist bovenaan in de wetenschappelijke pikorde. In de zeventiende eeuw trok het theologisch debat bovendien nog diepe sporen in de breedte van de samenleving. Theologie was wetenschap die ertoe deed en voor velen zelfs de enige wetenschap die ertoe deed. Maar in de negentiende eeuw nam, met de opkomst van de sociale wetenschappen, de maatschappelijke relevantie van de theologie af en namen uiteindelijk de exacte wetenschappen geleidelijk de leidende positie van de theologie over.
In de twintigste eeuw is de rol van de theologie verder gemarginaliseerd, hetgeen onder meer zichtbaar is geworden in het verdwijnen van zelfstandige theologische faculteiten aan veel universiteiten, waarbij ze of geheel zijn opgeheven dan wel zijn opgegaan in een groter geheel van een faculteit der geesteswetenschappen. Soms zijn er nog theologische sporen te vinden in een discipline die wordt aangeduid met de term religiewetenschappen, waarin in feite, naar analogie van bijvoorbeeld vrijetijdswetenschappen, religie tot sociologisch object van studie wordt gekozen.

Afnemend aantal beoefenaars
Nu hoeft deze ontwikkeling op zich geen al te grote zorgen te baren. Sterrenkunde is in Nederland nooit aan veel universiteiten onderwezen, maar Nederland mag zich desalniettemin verheugen in een wereldreputatie op dit vakgebied. In de veelheid van betrokken wetenschappers ligt lang niet altijd de garantie tot succes en status van een wetenschappelijke discipline. Daar komt bij dat in sommige gevallen een noodlijdend bestaan juist kan worden uitgebuit om extra politieke aandacht en, daaruit voortvloeiend, extra financiële steun te verwerven. Met enige regelmaat staan vakgebieden als Wiskunde en Keltisch in de Haagse schijnwerpers vanwege de geringe studentenbelangstelling, waardoor de overheid zich geroepen voelt via extra maatregelen deze disciplines voor uitsterven te behoeden.
Overigens lijkt het mij niet raadzaam het voor de theologie hierop aan te laten komen, omdat ik er niet op gerust op zou zijn dat de lobby om de theologie van een eventuele ondergang te redden sterk genoeg zal blijken. Maar ik wil hiermee maar zeggen dat een natie kan uitblinken in een wetenschappelijke discipline met slechts een beperkt aantal beoefenaars ervan. En het aantal wetenschapsbeoefenaars op het terrein van de theologie zal in de toekomst eerder af- dan toenemen. Het is in het Nederlandse bestel nu eenmaal zo dat de financiële armslag van een wetenschappelijke discipline in de eerste plaats bepaald wordt door de studentenbelangstelling. Dat is de belangrijkste parameter waarop de overheidsbekostiging wordt gebaseerd. Als er minder studenten zijn, zijn er minder wetenschappelijke docenten nodig en is er derhalve minder ruimte voor wetenschappelijk onderzoek. Vanuit dat perspectief zijn de vooruitzichten voor de theologie bepaald niet rooskleurig, tenzij we het tij weten te keren.
Ook hier kan een blik naar het buitenland wellicht nuttig zijn. In een land als het Verenigd Koninkrijk worden opleidingen als theologie en filosofie veel hoger gewaardeerd als een toegangsbewijs tot interessante loopbanen in de breedte van de maatschappij, waaronder het bedrijfsleven. In de Nederlandse context staan filosofen als nogal wereldvreemd te boek en een theoloog kan men zich in Nederland nauwelijks buiten de kerk voorstellen. Dat is een kwestie van imago en een eigenschap van imago’s is dat je ze kunt bijstellen. Maar daaraan moet dan wel gericht worden gewerkt.

Gefundeerd geheel van kennis
Een andere schijnbare bedreiging voor de theologie komt uit de wetenschap zelf. We zijn de laatste tijd nogal eens getuige van debatten waarin het bestaansrecht van de theologie als wetenschappelijke discipline ter discussie wordt gesteld, onder inbreng van het voorspelbare argument dat datgene wat zich aan waarneming onttrekt, geen voorwerp van wetenschappelijke studie kan zijn. Ik maak mij over deze aanvallen op de theologie eerlijk gezegd nog het minst ongerust, omdat deze stellingname door de meeste wetenschappers als onhoudbaar wordt aangemerkt. Immers daarmee zou niet alleen de theologie maar ook veel andere wetenschapsgebieden, zoals filosofie, literatuurwetenschap en een groot deel van de juridische discipline, buiten de omheining van de wetenschap worden geplaatst. Is bovendien de wetenschap juist niet op haar best daar waar de theorievorming aan de zichtbare waarneming voorafgaat? Deze discussie laat ik daarom met een gerust hart aan de theologen zelf over, getuige onder meer de voortreffelijke wijze waarop iemand als Gijsbert van den Brink zich op verschillende fronten in dit debat manifesteert. Vertrekpunt in dit soort debatten zal moeten zijn dat ook aan de theologie de algemeen gangbare academische maatstaven en doelstellingen worden opgelegd. Wetenschap is geen opeenhoping van weetjes, maar een terdege gefundeerd geheel van kennis. Daarbij is wetenschap niet alleen een kwestie van weten dat iets zo is, maar ook waarom iets zo is. Wetenschap stelt zich ten doel ons inzicht in het hoe en waarom der dingen te vergroten, ook al zijn we ons bewust van onze beperkingen en dat ons weten en kennen altijd slechts zeer ten dele zal zijn. Wetenschappelijke uitspraken moeten consistent zijn en vrij van innerlijke tegenspraken. Ze moeten berusten op heldere en in principe algemeen aanvaardbare vooronderstellingen. Het komt mij voor dat de theologie zich uitstekend binnen deze randvoorwaarden kan ontwikkelen. Ik stem daarom van harte in met de Tilburgse theologe Saskia Wendel, als zij opmerkt dat geloof niet iets is wat pas in het vizier komt waar het weten eindigt, maar dat het een vorm van kennen is die aan het weten voorafgaat. Geloof manifesteert zich in vooronderstellingen en axioma’s die als betrouwbaar worden beschouwd zonder dat ze zelf bewezen kunnen en behoeven te worden. Dat theologie uitgaat van geloof in God en dat geloof tot onderwerp van bezinning maakt, ontneemt haar haar wetenschappelijkheid niet.

Ingaan op urgente thema’s
Als ten slotte de vraag aan de orde wordt gesteld waarop het theologieonderwijs zich bij voorkeur zou moeten richten, ben ik in eerste instantie geneigd een blad voor de mond te nemen. Als bestuurder van een wetenschappelijke instelling hanteer ik consequent een voor mij gouden grondregel, dat de wetenschapper zelf bepaalt waarop zijn wetenschappelijk arbeid zich richt. Iedere vorm van bestuurlijke, laat staan politieke, sturing en bemoeienis kan slechts kwaliteitsverlagend werken. Wetenschap kan alleen daar tot bloei komen waar ze wordt gestuurd door datgene wat wetenschappers zelf beweegt, hetzij uit pure nieuwsgierigheid, hetzij uit een drive om de wereld te verbeteren dan wel de waarheid te ontdekken.
Maar als mij persoonlijk zou worden gevraagd om hierover toch iets te zeggen, dan zou ik het wel mooi vinden als de theologische wetenschap wat meer haar vraagstelling zou ontlenen aan een aantal actuele en urgente maatschappelijke thema’s, zoals daar zijn globalisering, Europa, islam, terreur, veiligheid en veroudering, om er maar een paar te noemen. En om dan te bezien of vanuit theologisch perspectief deze problemen en verschijnselen kunnen worden geduid (dat zou al heel mooi zijn) en misschien zelfs kunnen worden begrepen (dat zou nog mooier zijn), zodat er een houding en standpunt tegenover deze verschijnselen kan worden bepaald, om er uiteindelijk ook sturend in te kunnen optreden. Duiden, begrijpen en besturen dat is per slot van rekening de drieslag die wetenschap inkadert in de opdracht die de mensheid vanaf het begin van haar bestaan van haar Schepper heeft ontvangen.

F.A. VAN DER DUYN SCHOUTEN, RIDDERKERK

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's

Het imago van een theoloog

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 2006

De Waarheidsvriend | 14 Pagina's