Boekbespreking
Willem Oosterbeek: Gordel van God. Een voettocht langs s Heeren wegen. Uitg. Inmerc, Wormer; 144 blz.; € 19,95. Evelyne M.F. Verheggen: Passie en hartstocht. Uitgave Walburg Pers, Zutphen, 368 pag., € 44,95.
Willem Oosterbeek:
Gordel van God. Een voettocht langs ’s Heeren wegen.
Uitg. Inmerc, Wormer; 144 blz.; € 19,95.
De schrijver (freelance journalist in dag- en weekbladen) maakte in het voorjaar en de zomer van 2005 een voettocht door wat hij noemt de Bible Belt of de Gordel van God. Hij begon in de kop van Overijssel en wandelde via de Veluwe, de Betuwe, de Zuid-Hollandse waarden en eilanden naar Zeeland. Het deed me even denken aan een onderdeel van het NCRV-tv-programma Man bijt hond, waarin ook door Nederland wordt gereisd van Lutjelollum naar Limmel om onderweg te kijken wat de mensen aan het doen zijn.
Oosterbeek begint zijn tocht in Staphorst en woont er een kerkdienst bij, om de andere dag een bijeenkomst van de Bond tegen het vloeken mee te maken in Rouveen. Overal heeft hij zijn informanten, want de refo-wereld is hem geheel en al onbekend. Dat maakt dat dit boek over wat onaardig de wereld van de ‘zwartekousenkerken’ wordt genoemd, een sympathieke toon heeft. De schrijver heeft echte belangstelling voor wat deze bevolkingsgroep beweegt. Tegelijk zit hier ook een zwakke kant. Ik vind de keuze van de informanten niet altijd gelukkig. Je leest zodoende soms wel heel erg veel over uiterlijkheden en bijkomstigheden. Of onthult de niet-insider Oosterbeek juist zo heel scherp en zonder dat hij er zelf naar op zoek is, dat het in deze wereld toch wel erg vaak over de buitenkant van het leven van kerkgangers en voorgangers gaat: de kledingvoorschriften voor de zusters der gemeente – ik wist het niet, maar er zijn er die zelfs hun dochters verbieden een pyjamabroek in bed te dragen – voorgangers met een stippeltje in de stropdas zijn verdacht, een ander die in zijn kerkblad Here schrijft en niet Heere geeft er blijk van een tikkeltje lichter te zijn dan een ander bij name genoemd predikant enzovoort, enzovoort. Ik raakte er al lezend wel een beetje geprikkeld door: hebben we nu niet meer te melden dan dit soort uiterlijkheden en verschijnselen, die vooral te maken hebben met het in stand houden van een subcultuur?
En als Oosterbeek serieus navraag doet naar de inhoud van wat men belijdt en leert, roept hij ergens uit: ik kan er helemaal niets van volgen. Wat een gemiste kans, denk ik dan. Of zouden velen van zijn zegslieden het zelf ook niet echt begrijpen waar het in de Schriften om gaat? En zoeken we daarom maar ons houvast in uiterlijkheden en sjibbolets, dan lijkt het tenminste nog ergens op?
Irritant is de foute manier waarop hij steeds de naam van ds. Vreugdenhil (gereformeerde gemeente Vlissingen) schrijft: Vreugdehill en Vreugdenhill. Het zal toch geen grap zijn, dacht ik nog even: heuvel van vreugde. Maar dat zou in het kader van dit boek niet passen.
Ik vind de titel van het boek ook niet fraai. Je moet de heilige Naam niet in een boektitel opnemen. Daar zal de schrijver echter niet aan gedacht hebben. Maar wat wil hij er nu mee zeggen? Hoe is hij er aan gekomen? Dat vertelt hij niet. Heeft hij soms aan de gordel van Smaragd gedacht?
J. MAASLAND
Evelyne M.F. Verheggen:
Passie en hartstocht.
Uitgave Walburg Pers, Zutphen, 368 pag., € 44,95.
‘Bid- en devotieprenten’, ze behoren tot de typisch rooms-religieuze cultuur. Al in de 6e eeuw rechtvaardigde paus Gregorius de Grote (590-604) het gebruik van beelden om daarmee het geloof aanschouwelijk uit te leggen aan ongeletterden. Hij vond het een geschikt middel bij de catechese. Vol
gens middeleeuwse schrijvers, zoals ook Thomas van Aquino, konden afbeeldingen en later ook beelden gevoelens van vroomheid opwekken. De Reformatie heeft, gedachtig aan het tweede gebod, met die beeldcultuur radicaal afgerekend.
Voor ons ligt een wel zeer curieus proefschrift. De schrijfster ervan inventariseerde vanaf 1991 in het kader van Deltaplan voor Cultuurbehoud, meer dan 18.000 bid- en devotieprenten in het kader van haar aanstelling bij het Museum Catharijneconvent in Utrecht. Ze raakte geboeid door de afbeeldingen van ‘aantrekkelijke doch kwetsbare Christussen, goedmoedige en vrome Maria’s en al de heiligen die zelfs bij de meest gruwelijke marteldood de aanschouwer wisten te ontroeren met hun devote blik’.
In 1994 startte ze een promotieonderzoek, dat resulteerde in dit proefschrift waarin de beeldcultuur in de Noordelijke Nederlanden tussen 1540 en 1840 in kaart is gebracht.
Het werd een lijvig boek, met liefst 600 afbeeldingen van prenten en beelden. Na een inleiding volgen hoofdstukken over Bidden met beelden, Handschriften van Haarlemse Begijnen, ‘Emblematische voorstellingen, Haarlemse kloppenhandschriften, Amsterdamse kloppen- en begijnenhandschriften, Devotieprenten met teksten, Sulffragia in de Noordelijke Nederlanden, Beelden tegen de pest, Prenten en devotionalia ter verering en als decoratie en ‘Devotieprenten uit de Noordelijke Nederlanden.
Het boek sluit af met een samenvatting in het Nederlands en het Engels. Noten en register nemen ruim 100 pagina’s in beslag. Veel aandacht krijgen de begijnen en de kloppen (geestelijke maagden buiten de kloosters). Enige aandacht krijgt ook de functie die de ‘katholieke voorstellingen’ in niet-roomse kring hebben gehad. Hier worden genoemd de prenten van de doopsgezinde Jan Luyken. Vooral de emblemata van Boëtius in Bolsward krijgen aandacht. De doopsgezinde Boëtius voorzag stichtelijke werken (bv. Pia desideria van Herman Hugo) van gravures. Wanneer overigens de afbeeldingen werden overgenomen door ‘gelovigen uit protestantse stromingen, onder meer in zogenoemde “piëtistische” kringen’ kwamen er geen heiligen op voor.
Aandacht krijgt ook de illegaliteit van de prentcultuur. Toen in en na de Tachtigjarige Oorlog rooms-katholieke erediensten verboden waren, kwam juist deze cultuur tot bloei. Toen ging men overigens ook op devotieprenten opdrachten schrijven, bijvoorbeeld voor het bidden van de zielen van overledenen.
We hebben hier te maken met een typisch rooms thema, maar dan wetenschappelijk beschreven in de context van onze geschiedenis in de ‘protestantse’ Noordelijke Nederlanden, waarbij van tijd tot tijd ook het ‘roomse Zuiden’ in beeld komt.
Als gezegd was deze beeldcultuur in het protestantisme buiten beeld. Toch niet en nooit helemaal. Ik noemde al de doopsgezinden. Maar allengs kwamen binnen de protestantse cultuur toch ook de afbeeldingen terug, zij het niet met heiligen of Maria-devotie of in de vorm van bidprenten. Maar ook kunnen we denken aan de vele afbeeldingen van Jezus op zondagsschoolplaatjes. En moderne catechese wordt ook ondersteund door beeldmateriaal, hetzij in de catechisatieboekjes zelf, hetzij in onderwijsondersteunende middelen. Waar ligt de grens?
Het imposante boek dat we hier bespraken tekent rechtgeaarde protestanten hoe het niet moet, maar stelt ons ook voor de vraag hoe het wel mag.
J. VAN DER GRAAF
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's