Schrijvende ds. Egbert van Meer
EEUW GB-GESCHIEDENIS IN PORTRETTEN [1]
Rond het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond starten we in de Waarheidsvriend een reeks portretten van personen die in de honderdjarige geschiedenis van de hervormd-gereformeerden in positieve zin van betekenis zijn geweest. Vandaag in het eerste I deel ds. E. van Meer.
RED. DE WAARHEIDSVRIEND
Een van de predikanten, met een eigensoortige kerkelijke betekenis gedurende het bestaan van de nu honderdjarige Gereformeerde Bond, was ds. Egbert van Meer (1891-1954). Hij kwam ter wereld in de hervormde pastorie te Meteren als zoon van de uitgesproken confessionele predikant dr. Bernardus van Meer. Deze diende onder meer de gemeenten te Wijk bij Heusden en Leiden. Tijdens zijn theologische studie te Utrecht ontplooide de jonge Egbert zich in confessionele en in ethische richting. Na de afgelegde examens kon hij zich niet direct beroepbaar stellen, omdat hij nog geen 23 jaar telde. Toen het op 1 september 1914 zover was, nam hij een beroep naar 's Gravenmoer aan. In januari 1915 vond de intrede plaats. Er hing een geborduurde spreuk boven de deur van zijn studeerkamer: 'Spreek een goed woord voor Jezus'. Dit geschenk zou hem zijn leven lang begeleiden. Na ruim vier jaar preekte hij in 1919 afscheid.
Ethisch- confessioneel
Zijn tweede standplaats was Noordgouwe. Onder zijn voorganger aldaar. was er een kentering gekomen van. een min of meer vrijzinnige naar een ethische prediking, hoewel de moderne onderstroom bleef. Ds. Van Meer voelde zich er wel thuis, maar ging al weer weg in februari 1922.
Markelo was zijn derde gemeente. Daar nam hij de plaats in van de latere Utrechtse hoogleraar ds. A H. Edelkoort. Van Meer was dominee in de tijd dat er nog niet een minimumverblijf van vier jaar voor een predikant was gesteld. Zodoende kon men vanuit Wageningen al na enkele jaren een beroep op hem uitbrengen. Deze roeping werd aanvaard. In mei 1925 was er de intrede. Van Meer kwam er evenals in zijn voorgaande gemeenten - als ethisch-confessionele voorganger. Hij nam zijn plaats in naast de eerste hervormd-gereformeerde predikant, die ongeveer gelijk met hem intrede deed, ds. J.H.van der Wal. Ze konden het uitstekend met elkaar vinden en trokken in kerkelijk opzicht vaak één lijn.
Utrecht
In 1930 klopte Utrecht aan zijn deur. Het was de plaats waar Van Meer had gestudeerd en waar zijn vader van 1894 tot 1904 had gestaan. Niet onbekend dus. Utrecht zou zijn vijfde en laatste gemeente worden. Hij kwam er als - opvolger van de overleden ds. J. Quast Hzn. In september 1930 deed hij er - opnieuw als predikant met een ethisch en confessioneel stempel - intrede en verrichtte zijn arbeid in het gebied Tolsteeg/ Vaartsche Rijn, ofwel de Rivierenwijk. Zijn hervormd-gereformeerde collega's waren ds. J. Goslinga en ds. A. Meijers. De Julianakerk (gebouwd in 1931, maar inmiddels weer afgebroken) werd 'zijn' kerk. De jaren dertig, de crisisjaren, waren voor hem niet makkelijk, evenmin als de oorlogsjaren.
1940-1945
In die jaren verloor hij zijn oudste zoon. Inmiddels ging hij last krijgen van een spierziekte, waardoor hij lichamelijk minder bezig kon zijn. Het beklimmen van de preekstoel vergde steeds meer moeite. Op den duur droegen goede vrienden hem zelfs de kansel op. Ongetwijfeld zullen er onder de lezers van de Waarheidsvriend zijn, die zich dit herinneren. Zijn rugkwaal noodzaakte hem - 54 jaar oud - eind 1945 met emeritaat te gaan. In zijn plaats kwam ds. G.J. Geurtsen. Ds. Van Meer bleef wel voorgaan, zolang hij kon. Toch werd hem nog levenstijd geschonken tot 1954. Op 23 oktober overleed hij, nog maar 63 jaar oud.
Stichtelijke literatuur
Waarom we over hem schrijven in het orgaan van de Gereformeerde Bond, terwijl Van Meer zich er nooit bij heeft aangesloten? Omdat er zich in zijn leven aan het eind van de jaren dertig een wijziging voltrok, waardoor hij er geestelijk heel dichtbij kwam te staan en hij met name voor veel hervormd-gereformeerden en zelfs voor een aantal niet-hervormden die zich met hem verwant voelden, van grote betekenis is geworden. Het geheel van de hervormd-gereformeerde beweging is breder dan de Gereformeerde Bond als organisatie. Daarom komt aan Van Meer een plaats toe.
Hij ontving veel waardering niet alleen door de preken die hij mocht uitspreken, maar ook door zijn pennenvruchten. Wanneer iemand als schrijvende dominee zijn emeritaatsperiode vruchtbaar heeft gemaakt, dan wel hij. Met name de bladen Om Sions wil en het Gereformeerd Weekblad (uitg. Bout, Huizen) telden Van Meer onder hun medewerkers. Zo werd zijn actieradius als pastor - dat wilde hij als voorganger vooral zijn - beduidend groter dan alleen de kerkgangers in de Domstad. Overigens was de wijze waarop hij schreef, niet minder indrukwekkend: de letters werden op een moeizame manier met de pen op papier gezet vanwege de spierziekte. Mede door zijn gevoel voor humor vond hij de kracht om vol te houden.
Hoewel hij ook voluit theoloog wilde zijn, zag van zijn hand niet zozeer theologische als wel stichtelijke literatuur het licht. Te denken is aan zijn dagboeken, zoals Leer mij uwe paden en Leer ons alzo onze dagen tellen. Maar we vergeten niet zijn verklaring van het Hooglied, Christus en zijn bruidskerk en, die van het boek Ruth onder de titel Gij zijt de Losser. Ze beleefden verschillende herdrukken. Zijn meditaties over de Openbaring van Johannes onder de titel De Alpha en de Omega vonden eveneens veel lezers.
Verdieping
Begrijpelijk dat de vraag gesteld wordt naar het verschil tussen 'vroeger' en 'later' bij ds. Van Meer en naar het eigene van zijn preken en geschriften uit de latere tijd. Wat het eerste betreft kunnen we zeggen dat er zich in de late jaren dertig mede door zijn toenemende invaliditeit een verdieping voordeed. Deze kwam naar voren in de preken en meditaties van die periode. Van Meer liet toen ook geen gezangen meer zingen. Men kan dit niet zozeer als een krachtdadige 'bekering' typeren, waarbij de eerdere periode als duister en de latere als licht werd gekarakteriseerd. Hij heeft zich nooit tegen de 'ethischen' afgezet en ook niet de mogelijkheid gebruikt om zich in het openbaar als lid van de Gereformeerde Bond aan te melden als markering van zijn verandering. Hij streefde er evenmin naar uit Utrecht weg te gaan en naar een hervormd-gereformeerde gemeente elders beroepen te worden. Hij was gekomen en hij bleef op een predikantsplaats die niet voor een 'bonder' was bestemd. Hij zou ook later niet door een 'bonder' worden opgevolgd. Dit geeft aan de 'ommekeer' van ds. Van Meer een eigen cachet.
Ten aanzien van het tweede, het eigene van zijn preken en geschriften, kan worden gesteld dat velen zich door hem aangesproken voelden, niet het minst uit 'bevindelijke' kringen die verwant waren aan bijvoorbeeld de Oud-Gereformeerde Gemeenten en de 'gezelschappen'. Hij paarde het gevoelsmatige en personalistische, dat niet vreemd was aan de ethischen, aan een taaleigen, dat hen aansprak. Dit woordgebruik vormde een eenheid met een sterkere nadruk op de persoonlijke heilsbeleving dan op de structuur van de heilsgeschiedenis. Van Meer had wel een nauwkeurige exegese, maar deed deze samengaan met een allegorisch getinte toepassing. Wie zijn boeken over Ruth en over het Hooglied leest, zal dit onmiddellijk herkennen.
Persoonlijkheid
In hoeverre bleef er bij hem nog iets aanwezig van zijn vroegere ethische gedachtegoed, of heeft hij dit geheel achter zich gelaten en heeft hij bewust adhesie betuigd aan de gereformeerde lijn, zoals deze aanwezig was en is bij de hervormd-gereformeerde richting? Wanneer 'confessioneel' betekent dat men zich wil houden aan de gereformeerde belijdenis, dan zien we bij Van Meer geen echte verandering of het moest zijn in de wijziging van de liturgie in zijn diensten: 'geen gezangen meer, alleen psalmen.
Blijft de vraag naar het 'ethische' element. Was dat er later nog of niet meer? Evenals vele ethischen voelde Van Meer zich niet betrokken bij de politiek en ook niet bij kerkelijke richtingsorganisaties. Al was hij best wel actief op verenigingsgebied, toch lag dit hem niet. Het ging hem om het geheel, niet om groepen. Daarnaast is er bij hem een accent op het 'persoonlijke' ofwel de 'persoonlijkheid'. Deze was kenmerkend voor de ethischen en is aan Van Meer niet vreemd. Het risico bestaat dan dat de eigen ervaring ofwel het persoonlijke geloof - met een sterk gevoelsmatige kant - meer de nadruk gaat krijgen dan hetgeen waarin men gelooft. Als we dit overzien, ligt het voor de hand te vragen hoe Van Meer bijvoorbeeld stond tegenover Kohlbrugge en hoe hij reageerde op de visie van iemand als Miskotte. Helaas heeft hij zich over beiden niet uitgelaten. Concluderend kan gesteld worden dat Van Meer niet vreemd was aan ethische gedachtegangen, maar dat hij deze combineerde met een in bevindelijke kringen gangbaar woordgebruik. Hij wist in elk geval door zijn 'Woordwerk' vele rechtzinnigen in en buiten de Hervormde Kerk aan zich te verplichten. Zij waren begerig naar zijn preken en naar zijn geschriften. Als iemand zich afvraagt of hij als 'buitenbeentje' onder de gereformeerden in de Hervormde Kerk kan worden gerangschikt, komt onwillekeurig een andere probleem naar voren: aan welke figuren uit de hervormd-gereformeerde richting zou men zich wél kunnen afmeten als continu richtinggevend voor het gereformeerde in de afgelopen eeuw? Hadden ze niet allen hun beperkingen en tekorten?
B.J. WIEGERAAD, VEENENDAAL
Met dank voor de gegevens uit H. Hille, Een parel in de kroon van de Levensvorst en voor de mededelingen van dr. S. Meijers te Zeist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 2006
De Waarheidsvriend | 25 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 2006
De Waarheidsvriend | 25 Pagina's