In de hoofdstroom van de kerk der eeuwen
HERDENKINGSREDE VÓÓR DE KERK [ 2 ]
Tijdens de herdenking van het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond, op 22 april in de Utrechtse Jacobikerk, hield dr. G. van den Brink de herdenkingsrede 'Vóór de kerk'. Honderd jaar Gereformeerde Bond en verder … Vandaag plaatsen we het tweede deel.
Wanneer we nu proberen iets dieper te peilen wat wezenlijk geweest is voor de Bond gedurende de afgelopen eeuw, dan is dat nog niet zo eenvoudig te zeggen. In elk geval moeten we daarvoor door allerlei stereotiepe beeldvorming heen prikken. Die beeldvorming laat zich gemakkelijk samenvatten in het ene woordje ‘tegen’.
Buitenstaanders zien de Bond vaak vooral als een wat schimmige, oerconservatieve organisatie die overal op tégen is, en in feite slechts een versteend verleden wil handhaven. Een soort Opus Dei maar dan in de Protestantse Kerk. De Bond is tegen liturgische vernieuwingen, tegen vrouwelijke ambtsdragers, tegen de NBV, tegen zegening van homoseksuele relaties enzovoort.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond betreurt dat imago. En hoezeer we er misschien ook zelf aanleiding toe gegeven hebben, we menen toch dat daarmee niet gepeild is waar het de Bond de jaren door ten diepste om gegaan is, en waar het hem tot op vandaag toe om gaat. De Bond is namelijk niet primair op allerlei dingen tegen, en zeker niet óm maar tegen te zijn. Hij is in de allereerste plaats ergens voor. De Bond is zelfs op verschillende dingen voor, maar waar zij vooral op voor is, dat is de kerk.
‘Vóór de kerk’ – met die drie woorden zou men het streven van de Gereformeerde Bond kunnen typeren. Juist de afgelopen periode is nog weer duidelijk geworden dat hier het zwaartepunt ligt, als het erop aankomt misschien zelfs nog meer dan bij dat andere waar de Gereformeerde Bond even hartstochtelijk op voor is, namelijk het gereformeerd belijden. Dat is in de Protestantse Kerk immers niet onvermengd en onveranderd gehandhaafd, en nochtans zijn we in meerderheid gebleven, misschien wel tot onze eigen verbazing. Maar het is natuurlijk geen tegenstelling, want juist de belijdenis zelf geeft ons deze hartstocht voor de kerk in (bv. NGB art.27-29).
Kerk als instituut
Vóór de kerk dus. Men kan bepaald niet zeggen dat iedereen daar voor is. Integendeel, de kerk ligt vandaag slecht in de markt. Kuitert omschreef haar ooit als ‘de samenvatting van alle frustraties’. Dat is zeker het geval in het publieke domein. Wanneer in een tv-programma als Het elfde uur het k-woord valt – kerk, of kerkelijk betrokken – maken de kijkcijfers onmiddellijk een dramatische val. Het woord valt er daarom ook nauwelijks, want zo’n val kan men zich kennelijk niet permitteren. Ongelooflijk: half Nederland zapt meteen weg wanneer er iets positiefs over de kerk gezegd wordt. Maar ook christenen verhouden zich vaak ongemakkelijk tot de kerk. ‘De gemeente’, dát gaat nog. Daar kun je, als je het althans enigszins getroffen hebt, nog een keer enthousiast over worden. De kerk daarentegen als het instituut dat al die gemeenten bijeenhoudt en tegelijk overstijgt, als gestalte van de algemene christelijke kerk – die kerk staat bij velen uiterst laag genoteerd. De secretarisgeneraal van onze kerk, dr. B. Plaisier, beschreef de situatie onlangs treffend als volgt: ‘Het behoren tot een kerk of het hebben van een band met de kerk, wordt vaak verzwegen of in tussenzinnetjes verwoord. Het lijkt hierdoor steeds uitzonderlijker. [Het] is niet meer iets waarop mensen trots zijn. Kortom, ook christenen hebben grote moeite om hun verhouding tot het instituut kerk positief en constructief vorm te geven. Het gevolg is dat de kerk nog meer naar de rand geschoven is dan in ons omringende landen.’
Dat lijkt me een rake kenschets. En deze situatie gaat niet alleen dr. Plaisier aan het hart, maar evenzeer de Gereformeerde Bond. Wij zouden zo graag een kerk willen om weer enthousiast met onze buren en anderen over te kunnen spreken.
Daarvoor is eigenlijk ook helemaal niet zoveel nodig, in elk geval niet meer dan dat de kerk werkelijk en voluit kerk is. Welnu, dáár is de Gereformeerde Bond dus bij uitstek op voor. Dat de kerk, ook de Protestantse Kerk, voluit kerk zal zijn. Dat wil inderdaad zeggen gestalte van de ene apostolische kerk der eeuwen, die gebouwd is op het getuigenis van profeten en apostelen, en die dat getuigenis dan ook door alles heen hooghoudt. Een kerk die het er vóór alles om begonnen is de schatten van het evangelie zuiver te houden en door te geven aan komende generaties. Als hoedster van de waarheid, laten we de grote klassieke woorden maar niet te veel schuwen. In de Vroege Kerk had je bisschoppen, en die zagen het niet als hun taak om de boel bij elkaar te houden en ieder zijn deel te geven, om alle modaliteiten wat te laten meepraten aan de moderamentafel, maar om de Kerk te bewaren bij de waarheid van het evangelie. Dát was hun roeping. Gestalte te geven aan de kerk als hoedster van de waarheid. In de Bond beschouwen we ons nog altijd als vrienden van de Waarheid, en daar lijkt me ondanks veel gegniffel om die aanduiding eigenlijk weinig mis mee. Maar laat de kerk vooral wat meer pretentie hebben, en hoedster willen zijn van de waarheid die haar in de Schriften van Oude en Nieuwe Testament is toevertrouwd. Of, met een nog krachtiger beeld uit de eerste Timotheüsbrief (1 Tim. 3:15): fundament en pijler van de waarheid.
Werkelijk kérk zijn
En: laat de kerk die waarheid dan ook verkondigen. Dat is haar primaire opdracht. Niet als verfijnd leerstellig systeem van losse verstandelijke waarheidjes. Maar als de éne bevrijdende waarheid van het evangelie. Het evangelie van Gods beloften die in Jezus Christus ja en amen zijn, van Gods geboden die in Hem zijn vervuld. Laat de kerk alle moderne twijfelzucht en postmoderne vrijblijvendheid doorbreken, zich niet laten voeden door de tijdgeest, maar in verbondenheid met haar eeuwenoude belijdenis de haar toevertrouwde boodschap onbekrompen en ondubbelzinnig blijven uitdragen. Niet pretentieus, niet hoog van de toren blazend, niet onbescheiden. Maar wel vanuit een innerlijk doorleefde overtuiging. In één woord: laat de kerk werkelijk kérk zijn, verworteld in het geloof van de kerk der eeuwen, en daarmee gebouwd op het ene fundament, Jezus Christus, die de Waarheid in persoon is. Daar is de Gereformeerde Bond geweldig op vóór!
Toen bij het vorige jubileum oud-voorzitter ds. W.L. Tukker gevraagd werd om een reactie op 75 jaar GB, schreef hij niet over de Bond en ook maar nauwelijks over de Hervormde Kerk, maar enkel over de verworteling van beide in de ene Kerk der eeuwen, die hij overigens niet met de Reformatie maar met de Vroege Kerk liet beginnen. Het betreffende stuk behoort wat mij betreft tot de hoogtepunten van wat destijds gezegd en geschreven werd.
Vanuit dit perspectief bezien is de Bond niet extreem, geen ultraconservatieve beweging ergens op de rechterflank van het spectrum zoals het dan heet. Hij behoort juist tot de mainstream Christianity, want hij wil zich voluit bewegen in de hoofdstroom van de kerk der eeuwen. Vóór de kerk dus, als gemeenschap die haar roeping serieus neemt om het heil in Christus te verkondigen en ons daarbij te bewaren.
Stenen voor brood
Onlangs sprak ik Anita, een jonge, hbo-opgeleide moeder uit een doorsnee ‘bondsgemeente’. Zij had de voorafgaande zondag voor een bepaalde gelegenheid een kerkdienst van een andere modaliteit bezocht. Ik vroeg haar hoe die dienst geweest was. En ik zag eigenlijk meteen haar gezicht betrekken. Met enige aarzeling, want ze spreekt niet graag kwaad, antwoordde ze mij eerlijk dat ze teleurgesteld was. Niet zozeer vanwege de sterk liturgische invulling van de dienst, maar wel omdat er, zoals ze het uitdrukte, niet zozeer een preek werd gehouden alswel een praatje. Ik kon natuurlijk niet oordelen over de betreffende dienst, maar ik herkende uit eigen ervaring onmiddellijk wat ze bedoelde, en vond het eigenlijk ook heel raak getypeerd. Geen preek maar een praatje. Zoiets zal best ook eens wat te snel gezegd worden, en we weten maar al te goed dat er ook op onze bondspreken vaak het nodige valt aan te merken; maar het is in sommige andere delen van de kerk helaas wel een patroon geworden: geen preek meer, maar een korte ‘overweging’ zoals het dan heet, in zo vaag mogelijke termen verwoord, waar ieder vooral z’n eigen invulling aan moet kunnen geven. Want je zou als dominee iemand eens iets opdringen. Dat is wel ongeveer de grootste zonde die je kunt begaan in de kerkdienst.
Dát klimaat, daar zijn we dus op tegen. Want daarin smoort de krachtige boodschap van zonde en genade, van oordeel en vrijspraak, in een doffe woordenbrij waarin vaagheid en vrijblijvendheid troef zijn. Maar moeten we elkaar dan niet vrij laten, moet elke gemeente niet zelf bepalen wat ze ’s zondags wil horen? Nee. Want je bent kerk of je bent het niet, en wie de preek als verkondiging van het evangelie inruilt voor een vrijblijvend praatje, gedraagt zich de kerk onwaardig en geeft de gemeente uiteindelijk stenen voor brood. Niet elke gemeente op zichzelf, reguleert wat er gepreekt zal worden, maar het belijden van de kerk. Daar heeft de Gereformeerde Bond kerk en gemeenten de jaren door dan ook op aangesproken. Eerder nog te weinig dan te veel, eerder sloten we ons te veel op in onszelf dan dat we elkaar wérkelijk aanspraken! Maar dat was en is wel de roeping van de Bond – elkaar in de kerk aanspreken op het belijden, niet uit betweterigheid, wel om daarover wezenlijk met elkaar in gesprek te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's