God en het kwaad
BESTE BRAM & BESTE ROELOF
God kan geen kwaad gedogen en Schepping en zonde – over beide themas vervolgen ds. R.H. Kieskamp en prof. A. van de Beek vandaag hun briefwisseling, die in het nummer van 11 mei begon.
Hij schiep geen mens als marionet
Beste Bram,
Inzake de kwestie Boer-Berkhof geef ik wat mij betreft enkele afrondende opmerkingen. Dankbaar heb ik opgemerkt dat je zegt dat de vraag: ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ niet altijd illegitiem is. Maar je plaatst de vraag dan in het kader van geloof dat volop aanwezig is, hoewel zeer aangevochten. Naar mijn gevoelen plaatste ds. Boer de vraag echter bij het moment dat het geloof gaat functioneren, waarin er nog geen sprake is van zalige kennis van Christus, maar enkel van zonde en schuld. De vraag is dus of jij dan de vraag ook legitiem acht.
Wat betreft de vraag ‘Is er wel een God?’ het volgende. Voor zover mijn inzicht strekt, zag Boer dit als een ongeloofsvraag, gesteld vanuit de twijfel van het Verlichtingsdenken. Of deze vraag ook een geloofsvraag kan zijn vanuit een buitengewoon aangevochten geloof, bleef dus buiten de discussie. Zou het kunnen dat het geloof zo diep aangevochten wordt? Of zou het enkel influistering van satan kunnen zijn?
Dan de kwestie waar we het in deze discussie eigenlijk over willen hebben, namelijk God en het kwaad. Als ik het goed begrijp, herken je jezelf in het door mij geschetste beeld van jouw denken. In ieder geval ga je er positief op in dat, althans voor mij, verheldering gezocht moet worden. Je begint dan met de goedheid van God en Zijn almacht naast elkaar te zetten. Mijn vraag hierbij is of je de almacht van God niet te absoluut stelt. Immers, dat God almachtig is, heeft wel beperkingen. Hij is niet zo almachtig dat Hij ook het kwade kan doen. Gods almacht staat in het kader van Zijn wil, Zijn goddelijk recht, Zijn heiligheid, Zijn barmhartigheid, Zijn liefde. We komen hiermee op het terrein van Gods eigenschappen, Zijn deugden. Deze kunnen en mogen we nooit tegen elkaar uitspelen, temeer niet daar elke deugd niet een deel van God vertegenwoordigt maar het gehele God-zijn. De goedheid van God en Zijn almacht zijn dus met elkaar in harmonie.
Dat hier ondertussen vragen liggen die we nooit geheel onder de knie krijgen, is duidelijk. Dat hangt, zoals je zelf ook stelt, inderdaad samen met het feit dat er onderscheid is tussen het niveau van God en van ons. Het hangt ook samen met het feit dat God eeuwig is en wij in de tijd leven. Wijsgerig komen we er dus niet uit. We zijn aangewezen op Gods openbaring, zoals je terecht zegt. Doch ook als we hierin de openbaring trachten na te spreken, blijft het een kwestie van stamelen en krijgen we het verstandelijk niet geheel op een rij. Al is het wel nodig binnen bepaalde grenzen te denken en te letten op het vermaan van Calvijn dat we onze nieuwsgierigheid dienen in te perken.
De vraag die zich hierbij aandient, is of God in Zijn almacht de zonde(val) had kunnen voorkomen. Hier moeten we in elk geval zeggen dat God dat niet gedaan heeft. Tegelijk moeten we huizenhoog vasthouden dat God de zondeval niet gewild heeft, want Hij kan inderdaad geen kwaad gedogen. Is het God dan ontglipt? We komen hier enigszins uit door te stellen dat God de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid zo hoog heeft willen waarderen dat de mogelijkheid van zondigen bleef. Dat heeft niets van doen met onvolkomenheid in de schepping, wel met de grootheid van God waarin het Zijn eer te na was van de mens een soort marionet te maken die willoos aan Zijn almacht was overgeleverd.
Ondertussen is hiermee wel duidelijk dat God mens en wereld goed heeft geschapen, zodat het geheel beantwoordde aan Zijn glorie in het verheerlijken van al Zijn deugden. Open blijft dan de vraag welke plaats de zondeval in het denken van God heeft. Is toelaten hierbij te zwak uitgedrukt? In elk geval kan God nooit iets besluiten wat tegen Zijn wil ingaat. Mijn gevoelen is dat we hier de volle verantwoordelijkheid bij de mens moeten leggen, want God had hem zo geschapen dat hij geheel zondeloos had kunnen blijven. Tegelijk speelt er in mee de grote macht van de duivel. Een macht zo groot dat je de duivel wel de ‘uitvinder’ van het kwaad zou kunnen noemen. Gods almacht zal de handen vol hebben aan het verslaan van deze vijand.
Tot slot nog iets over je wedervraag aan het eind van je schrijven. Je vraagt hoe ik openbaring van God buiten Christus om zie? Voor mij is daarbij wezenlijk het onderscheid tussen de Zoon van God als (nog) niet vleesgeworden en de Zoon die als Woord vleesgeworden is. Als vleesgeworden Zoon spreken we dan van Christus. Dat betekent dat er openbaring van God is buiten Christus om, hoewel niet buiten de Zoon om, want door het Woord (= de Zoon) zijn alle dingen gemaakt (Joh. 1:3). Overigens spreekt de Schrift wel over Christus als haar kerninhoud, maar gaat de Schrift niet op in het Christusgetuigenis. Ben je het daar mee eens? Indien niet, waar blijft bij jou dan het tota scriptura, dat is de Schrift geheel, zoals verwoord in de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 3 t/m 7? Genoeg stof voor je om op in te gaan, dunkt me.
Roelof Kieskamp
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's