Heeft Hem overgeleverd
EERHERSTEL VOOR JUDAS? [ 2 ]
Geeft het Evangelie van Judas aanleiding ons beeld van Judas bij te stellen? Wordt eindelijk recht gedaan aan deze zo vaak verguisde leerling van Jezus? In allerlei kringen – met name onder hen die geporteerd zijn voor de gnostische Jezusbeelden – wordt die vraag bevestigend beantwoord.
Overigens is een pleidooi om Judas te rehabiliteren niet van vandaag of gisteren. In de vorige eeuw publiceerden twee Franse schrijvers het toneelstuk Een man genaamd Judas. Ook daar wordt Judas getekend als de man die Jezus helpt om het goddelijke in Hem tot openbaring te brengen en zo het wonder van de verlossing te verhaasten (vgl. P. A van Stempvoort, Waarheid en Verbeelding rondom het Nieuwe Testament, p. 97-98).
Nu is beeldvorming geen onschuldige zaak, ook als het om de uitleg van de Bijbel gaat. Voor je er erg in hebt, leg je jouw beeld op aan de Schrift. Dan is het goed als andere gegevens je dwingen tot correctie. Maar als het gaat om het Evangelie van Judas is nuchterheid geboden. Sterker, er is geen enkele reden om de canonieke evangeliën als het ware in te ruilen voor dit gnostische geschrift. Terecht is erop gewezen dat het Judas-evangelie van jongere datum is dan de vier evangeliën in de Bijbel. Het geeft vanuit een gnostische ideologie bepaald geen serieuze beschrijving van de ware toedracht rondom Jezus’ lijdensweg. Het voert te ver dit breed uit te werken. Ik volsta met enkele opmerkingen.
Vroege Kerk
Vooreerst vormt de ontdekking van het Judas-evangelie een welkome aanvulling op onze kennis van de Vroege Kerk van de eerste eeuwen. In het verleden was het zo dat we onze kennis van de gnostiek moesten halen uit de geschriften van de tegenstanders. Dankzij Nag Hammadi en nu ook dankzij de recente vondst beschikken we over authentiek bronnenmateriaal. Daar kunnen wetenschappers hun winst mee doen. Opnieuw ontdekken we – wat door kerkhistorici trouwens al decennialang gezien is – dat het beeld van de Vroege Kerk veel geschakeerder is dan we vaak gedacht hebben. Pluraliteit is niet alleen iets van vandaag. Ook de kerk van de eerste eeuwen kende stromingen en bewegingen naast en soms in nauw contact met wat we noemen de rechtzinnige christenen. Dat vraagt de nodige voorzichtigheid in onze beoordeling van het verloop van die geschiedenis. Als het over de geschiedenis gaat, dan hebben we, zoals ik in mijn bijdrage van 11 mei al meldde, te maken met de tendens het portret van Judas met steeds zwartere kleuren te schetsen. Dat is gevaarlijk en misleidend. Het Evangelie van Judas laat ons ook een andere kant zien. Er bleken in de Vroege Kerk ook andere beelden van Judas te circuleren.
Overleveren
En als het gaat om de evangeliën? We zijn vertrouwd met het beeld van Judas als de verrader. Zo noemen we hem: de verrader. Op dit punt is enige voorzichtigheid geboden. Het Griekse woord dat doorgaans gebruikt wordt voor de daad van Judas, paradidonai, betekent ‘overleveren’ ‘overhandigen’. Het wordt in verschillende verbanden gebruikt, zowel met betrekking tot God als van mensen. Zo lezen we in Romeinen 8:32 dat God Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd (zie ook Rom. 4: 25; 1 Kor. 11:23; Gal.2:20). In een van de oudste lijdensaankondigingen lezen we: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de mensen (Mark. 9:31).
Hetzelfde woord wordt gebruikt als het om mensen gaat in de lijdensgeschiedenis die Jezus overleveren (het Sanhedrin, Matth. 27:2; Pilatus, Matth. 27:26).
Wie Nederlandse bijbelvertalingen van Mattheüs 27:2 en 3 opslaat, constateert een merkwaardig feit. Als de overpriesters het onderwerp van de zin vormen, wordt van ‘overleveren’ gesproken. Maar in vers 3, als het om Judas gaat, vertaalt men het werkwoord met ‘verraden’. Het is de vraag of die tweeërlei vertaling terecht is. Prof. J. van Oort – maar al veel eerder ook Aalbers en andere exegeten – pleiten er voor om in de Judas-passages het hierboven genoemde Griekse woord met ‘overleveren, overhandigen’ te vertalen. Op zich lijkt me dat niet onjuist. Overigens neemt dat de ernst van Judas’ daad niet weg. Heel duidelijk lezen we in de evangeliën ook dat Judas door satanische invloeden tot zijn daad werd gedreven.
De vraag is bovendien of je ook het tekstverband niet moet laten gelden. Hoe je eenzelfde woord moet vertalen, wordt immers vooral door het verband van de zin en de context bepaald. Het grote Griekse Woordenboek Liddell and Scott noemen uit de Griekse literatuur enkele plaatsen waar het woord de betekenis ‘verraden’ krijgt.
In de evangeliën wordt in de aankondiging van Judas’ daad teruggegrepen op Psalm 41:10: ‘Zelfs mijn vriend op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven’ (zie vooral Joh. 13:18). De bewoordingen in dit psalmvers doen toch denken aan verraderlijk handelen. Is het dan zo vreemd om in de context van het lijdensverhaal waarin op dit psalmvers gezinspeeld wordt, te spreken over het verraad van Judas? Niettemin, gezien de emotionele lading van woorden als ‘verraad’ kan ik me het pleidooi van hen die pleiten voor de vertaling ‘overleveren’ wel indenken.
Ik ben het
Pleit dit nu Judas vrij? Het is stellig waar dat in het gebeuren van Jezus’ kruisgang er sprake is van een goddelijk ‘moeten’. Telkens weer lees je dat de Schriften in vervulling moeten gaan. Dwars door het menselijk handelen, volvoert God Zijn plan. Maar we kunnen dat nooit aangrijpen om het doen en laten van mensen als Kajafas, Judas, Petrus en Pilatus te vergoelijken. We staan hier voor het mysterie van Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid. Die moeten we naast elkaar laten staan. Mensen zijn geen marionetten. Spreekt Jezus zelf niet het ‘wee u’ uit over Judas’ daad? En heeft Hij zijn leerling niet tot het laatste toe vastgehouden? Het gaat dan ook niet aan om te spreken over de kus van Judas als de kus die Jezus bevrijdt.
We moeten het afgrondelijke van Judas’ daad laten staan. Wat we daarom niet moeten doen, is hem in een uitzonderingspositie plaatsen.
Ik wijs daartoe ten slotte op de reactie van de leerlingen op de aankondiging van het verraad. Ze worden bedroefd en zeggen allen: 'Ben ik het, Heere?' Ze weten: ik zou het kunnen zijn. Is dat het niet waartoe de prediking van Jezus’ lijdensgang ons moet brengen. Bach heeft dat als geen ander begrepen wanneer hij in de Mattheüs-Passion op de evangeliewoorden van de leerlingen en hun vraag, het koraal laat zingen: Ich bins’s, ich sollte büssen. Dat lijkt me een beste antwoord dat gegeven kan worden. Nogmaals: we zullen wel nooit het raadsel van zonde en verharding, van verraad kunnen doorgronden.
‘Het was nacht,’ schrijft Johannes, als Judas de zaal waarin Jezus met Zijn discipelen de maaltijd houdt, verlaat. Maar in de nacht schijnt het licht van verzoening en vergeving voor ieder die met zijn schuld tot Christus gaat. Dat licht is sterker dan het donker van kwaad en demonie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's