De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

Dezer dagen verscheen een imposant boek (955 pagina’s!) van J.L. van der Pauw, onder de titel Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog (uitg. Boom, Rotterdam). Twee fragmenten over een tijd, die de jongere generatie zich niet meer kan voorstellen, maar bij een oudere generatie, vooral uit Rotterdam en omgeving, nog onuitwisbaar in het geheugen staat gegrift:

De man die tweemaal gefusilleerd werd
In de vroege avond van 20 september 1944 vielen drie leden van de Vrije Garde, een kleinere Rotterdamse verzetsgroep die zich vooral met de hulp aan onderduikers bezighield, in handen van de Sicherheitspolizei. Zij hadden deserteurs van de Kriegsmarine helpen onderduiken en daarbij hun wapens ingenomen ten behoeve van het verzet. Bovendien hadden zij wapentransporten verzorgd voor de RVV. Na verhoor, waarbij dit alles aan het licht kwam, werden zij voor de nacht opgesloten om de volgende dag als ‘terroristen’ overeenkomstig het Niedermachungsbefehl te worden doodgeschoten. Op 21 september tegen vijf uur, nog geen etmaal na hun arrestatie, werden zij door een commando van drie leden van de Sicherheitspolizei naar de schietbaan aan de Kralingseweg gevoerd en daar geboeid voor de kogelvangers opgesteld. Een van de leden van het commando schoot hen vervolgens met zijn machinepistool neer. Het was een kort gebeuren zonder plichtplegingen, waarna het commando weer vertrok.
In een weiland naast de schietbaan stond een maaier met zijn zeis. Onopgemerkt was hij van de fusillade getuige geweest. Na het vertrek van het commando merkte hij dat een van de gefusilleerden nog bewoog. Hij durfde er alleen niet heen te gaan en ging hulp halen. Kort daarop kwam hij terug met een dokter, vergezeld van een politieagent. De dokter constateerde dat een van de gefusilleerden, de 30-jarige Joh.J.M. van der Loo, nog leefde en zelfs volkomen bij kennis was. Verscheidene schoten hadden zijn benen getroffen, die daardoor gebroken waren, en één schot had zijn hoofd geschampt, maar het was niet hopeloos met hem.
De dokter zorgde ervoor dat de gewonde naar het Zuiderziekenhuis werd gebracht. Het voorval werd echter in het dagrapport van de politie opgenomen en deze rapporten moesten ook worden doorgegeven aan het hoofd van de Aussenstelle van de Sicherheitspolizei, H.J. Wölk.
Toen Wölk de volgende ochtend, 22 september, van de zaak in kennis werd gesteld, besliste hij dat de executie niet naar behoren was uitgevoerd. De overlevende, Jan van der Loo, moest alsnog worden doodgeschoten. Hetzelfde drietal Sipo-leden als daags tevoren werd nogmaals met deze opdracht belast. Zij moesten de zwaargewonde man uit het Zuiderziekenhuis weghalen onder het voorwendsel dat hij voor verpleging naar het lazaret in Kamp Vught diende te worden overgebracht – dit om consternatie te voorkomen. Het ziekenhuispersoneel protesteerde niettemin krachtig: iemand met dergelijke verwondingen kon onmogelijk vervoerd worden. Maar Van der Loo moest mee. Met hoofd en benen in het verband en krimpend van de pijn werd hij in een legerwagen gehesen. En voor de tweede keer moest hij de tocht naar de Kralingseweg maken. Daar aangekomen laadden drie Sipo-mannen hem uit de wagen. Lopen of staan kon hij ditmaal niet meer. Een van hen schoot hem toen door het hoofd.

De hongerdood
‘Noch vierzehn Tage, Herr Doctor, dann fängt das grosse Sterben an’, kreeg een arts van het Bergwegziekenhuis begin januari 1945 van een Duitse officier te horen. Die voorspelling kwam uit. De grote sterfte als gevolg van honger en kou kwam in de loop van die januarimaand op gang. Hoe de voedselvoorziening, de ziekenhuizen en de illegaliteit zich ook inspanden, de hongersnood ging op grote schaal zijn tol eisen. De Rotterdamse arts dr. J. Bok schreef hierover:

 Men teerde uit, vervuilde, werd ziek. Velen zakten op straat in elkaar en werden door anderen naar huis gesleept, omdat de ziekenauto’s voor het vervoer ontbraken. Soms stierven mensen op straat op klaarlichte dag, zo dikwijls zelfs, dat men het ‘gewoon’ ging vinden, er zich niet meer druk over maakte en er dus ook geen oploop ontstond. Men maakte zich ook geen zorgen meer over het lijden van anderen, toen men machteloos begon te staan tegenover eigen zorgen en leed. Velen werden dood in schuren gevonden, waar ze zich te ruste hadden gelegd, terugkerend van een hongertocht, te laat om eigen huis te bereiken vóór de intrede van de spertijd om 6 uur des avonds.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2006

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2006

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's