We kunnen de zeilen hijsen
JUBILEUMBOEK GEREFORMEERDE BOND [ 2 ]
Het is een goede keus geweest van het hoofdbestuur om in het gedenkboek 'Uw Naam geef eer' niet in de eerste plaats geschiedschrijving te bieden, maar een aantal thema's aan de orde te stellen waarin het karakter en de positie van de Gereformeerde Bond worden geschetst. Zo wordt de lezer een blik naar binnen geboden en blijft toch de geschiedenis van de Bond niet geheel buiten beeld.
Vanuit een jarenlange betrokkenheid bij het werk van de GB in de tweede helft van de vorige eeuw maak ik enkele opmerkingen. Ik knoop daarvoor aan bij de twee hoofdstukken die naar mijn gevoelen het hart van de Gereformeerde Bond uitmaken. Namelijk het hoofdstuk over de geestelijke grondslagen van de Bond en dat betreffende zijn doelstelling binnen de kerk, geschreven door prof.dr. A.de Reuver en ds. G.D. Kamphuis.
Grondslag
Het eigene van de GB wordt in het opstel van prof. De Reuver kernachtig uiteengezet. Er is geen sprake van een eigen theologie, zo lezen we. De Bond staat in de traditie van de kerk der eeuwen en zet voort wat de reformatoren en nadere-reformatoren met hun theologie beoogden. Dit geloofsgoed wordt nader gekarakteriseerd aan de hand van de drie sola’s (van de Schrift, de genade en het geloof ), de drie formulieren en de drie stukken (ellende, verlossing en dankbaarheid).
Ondanks verscheidenheid was er binnen de Bond in deze zaken verbondenheid. Niet formalistisch, maar geestelijk. Het gaat om de religie van de belijdenis, die niet alleen een zaak is van het hoofd, maar ook van het hart. Daarom is steeds kenmerkend voor de GB geweest de bevindelijke dimensie van het reformatorisch schriftgeloof, dat zijn wortels ook in de Nadere Reformatie heeft, en ook verwantschap heeft met de kringen van de Afscheiding.
Met deze typering van het geestesmerk plaatst De Reuver de Bond helder in de geestelijke lijn van de voorgeslachten. In zijn prediking gekenmerkt door wat ds. W.L. Tukker eens noemde, het ruime evangelie van de smalle weg. Tijdens de achter ons liggende halve eeuw werd deze belijdenis in de kerk nadrukkelijk ook theologisch gefundeerd. Te denken is aan de gedachtewisseling Boer-Berkhof over eigentijds geloven, aan de polemiek Kievit-Woelderink over verbond en verkiezing, aan de inzet van ds. G. Boer inzake de verzoening en van ds. L. Vroegindeweij met betrekking tot de verkiezing. Zo werd stelling genomen tegenover afwijkingen van het klassiek-gereformeerde dogma van de kerk.
Andere tijden
Nu kan de vraag gesteld worden: Is dit geloofsgoed waarvoor de GB in zijn beleid wil staan, ook nog onveranderd aanwezig in de Bond als verzameling van hervormd-gereformeerde gemeenten? Hebben de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen van de afgelopen decennia de identiteit van de Bond onaangetast gelaten? Het gaat mij nu met name om de vraag naar de rechtvaardiging door het geloof. Prof. De Reuver zegt hiervan dat de Bond in navolging van de reformatoren en nadere reformatoren een concentratie op de heilsleer kende. Met het artikel van de rechtvaardiging staat of valt de kerk, aldus Luther. Of, met de woorden van een van mijn vroegere wijkpredikanten: Opwekking tot geloof is niet een oproep zich aan te sluiten bij een gemeenschap die een goede toekomst heeft, maar redding uit een staat van verlorenheid, de rechtvaardiging van de mens als goddeloze.
Over dit centrale gegeven zijn de laatste tijd in de pers enkele opmerkelijke uitspraken gedaan. Zo merkte prof. J. Hoek naar aanleiding van het verschijnen van de biografie van ds. G. Boer onlangs in Theologia Reformata op dat, afgezien van wat sinds de tijd van Boer veranderd mag zijn, we ons mogen afvragen of de wezenlijke kernen van de prediking van de predikers van een kwart-eeuw geleden, in de hedendaagse verkondiging van hervormd-gereformeerde predikanten nog voluit doorklinken. In eenzelfde lijn sprak ds. C. den Boer onlangs zijn verontrusting uit over het ontbreken van aandacht voor de vraag naar de toe-eigening van het heil in de prediking. Anderzijds klinkt juist de vraag of de klassiek-gereformeerde geloofsbeleving van verzoening door voldoening, waarvan ds. G. Boer uitging, in deze tijd nog wel begrepen wordt. Juist omdat de vraag ‘hoe krijg ik een genadig God?’, voor veel mensen geen vraag meer is.
Ds. J. Maasland wijst daarop in een kroniek van een recent verschenen nummer van Kontekstueel. Zijn ervaring is dat de rechtvaardiging aan catechisanten en jonge gemeenteleden nauwelijks uit te leggen is. Er is verschuiving in de Godsbeleving. Het accent ligt vandaag in de prediking meer op de liefde van God. Meer op Zijn barmhartigheid dan op Zijn rechtvaardigheid. Ook anderen hebben zich hierover uitgesproken. Hoewel er uiterlijk nog veel in orde is en ‘Schrift en belijdenis’ gemakkelijk op de lippen genomen wordt, zouden er ook onder hervormd-gereformeerden verschijnselen zijn van vervreemding van het klassieke geloofsgoed. Het zou voor velen veel meer gaan om de zinvraag dan om de schuldvraag. In dit verband is ook te denken aan een recente uitspraak van ds. W.J Dekker in De Waarheidsvriend, dat het gereformeerd belijden veel ambtsdragers weinig of niets meer zou doen.
De Bond als verzameling van gemeenten, als beweging, is blijkbaar bij zijn honderdjarig bestaan breder en verscheidener geworden.
Doelstelling
Hoe staan we met de erfenis van de voorgeslachten in de Protestantse Kerk? Daarop geeft het opstel van ds. G.D. Kamphuis een antwoord. Het gaat de Bond onveranderd om de verbreiding en verdediging van de gereformeerde waarheid. Formeel, volgens de statuten. Maar ten diepste, omdat ‘we geloven en belijden dat de gereformeerde belijdenis het hart van het bijbels getuigenis onnavolgbaar diep, rijk en schoon heeft verwoord en daarmee staat in de katholieke traditie van de kerk der eeuwen’. Daarmee wil de Bond midden in de kerk staan. ‘Een roeping die niet is opgehouden met de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland.’
Dit standpunt is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. De scheuring heeft diepe sporen nagelaten onder broeders van hetzelfde huis. Velen zullen prof. Graafland nazeggen dat dit niet had mogen gebeuren. En wie denkt aan de inspanningen die naar twee kanten zijn gedaan om breuken te voorkomen, en aan de alternatieve wegen die zijn voorgesteld, zal hieraan toevoegen dat dit ook niet had hoeven te gebeuren. Daarop gelet gaat de liefde tot de Hervormde Kerk, die diep geworteld was in de geschiedenis van ons land, niet zo maar over naar de Protestantse Kerk. Het kan dan ook alleen vanuit roepingsbesef begrepen worden dat ds. Kamphuis zich zo nadrukkelijk uitspreekt. Maar in trouw aan de voorgeslachten kon het ook niet anders.
In Positie en Beleid, 1974 heeft het toenmalige hoofdbestuur gesteld middenin de Hervormde Kerk te willen staan, voluit deel te willen nemen aan de ambtelijke vergaderingen van de kerk en voluit in de theologische bezinning te willen staan. ‘Elke poging om aan de verantwoordelijkheid te ontsnappen door te vluchten in een isolementspositie is ons vreemd, tenzij die positie ons wordt opgedrongen.’
Dit betekent niet dat er destijds nooit van groepsbelang en isolementsdenken sprake is geweest. Maar de positie van de Bond in de kerk was toen ook een andere dan nu. Veel meer in de marge en in een tijdsbeeld dat sterk door organisaties en verzuiling werd gekenmerkt. De scheidslijnen waren scherper. De waarheidsvraag kwam scherper en met meer beslistheid aan de orde. Ook de kritiek op de kerk en de kerkelijke leiding was vaak niet mals. Maar alle ruis ten spijt, kan het optreden van de Bond alleen goed verstaan worden vanuit een heilige verontwaardiging over de aantasting van de waarheid van Gods Woord en de schadelijke werking daarvan op het geestelijk leven van de gemeenten.
In de Protestantse Kerk
Intussen is de positie van de GB een andere, niet het minst vanwege zijn plaats in de Protestantse Kerk. Niet langer in de marge, maar er middenin. Dat biedt nieuwe mogelijkheden. Te denken is aan onder andere de Raad van Advies voor het Gereformeerd Belijden. Maar ook aan eigen moeilijkheden. We kunnen met een beroep op de kerkorde bezwaarlijk nog spreken vanuit het alleenrecht van de gereformeerde belijdenis. Daar komt bij dat het plurale karakter van de kerk meer of minder het democratisch principe veronderstelt en de relativerende dialoog legitimeert. Zo kan de toestand van verval van de kerk gemakkelijk normaal gevonden gaan worden.
Daartegenover moet erkend worden dat de mogelijkheid van beroep op de letter van de kerkorde de Hervormde Kerk in het verleden ook niet bij het gereformeerd belijden heeft kunnen bewaren. Meer dan ooit zal het nu dan ook moeten gaan om de wijze waarop we ons van onze verantwoordelijkheid kwijten. Niet juridisch, maar geestelijk. Niet alleen met het hoofd, maar vooral ook met het hart. Dat neemt niet weg dat het staan van de GB in de kerk zijn grenzen heeft. Daarom stelt ds. Kamphuis dat de kerk in haar midden niet alles kan tolereren. En dat er ‘momenten zijn dat wij als gereformeerde belijders tegenover (delen van) de kerk kunnen komen staan’.
Zoals altijd blijft de vraag hoe we als hervormd-gereformeerden samen met de ‘anderen’ kerk kunnen zijn. Theologisch, geestelijk en ethisch liggen de opvattingen vaak ver uiteen. In de meerdere vergaderingen van classes en synode, maar vooral plaatselijk wordt dat ervaren. De afstand en afgrenzing ten opzichte van de ‘anderen’ wordt bovendien niet slechts bepaald door de meer uiterlijke kenmerken van liturgie, bijbelvertaling en vrouw in het ambt, maar vooral ook door verschillen van opvatting over de Schrift en een andere geloofsopvatting. Voor alles komt het er op aan dat de gereformeerde waarheid leeft in het hoofd en het hart van de plaatselijke gemeenten. Daarmee komt de prediking weer in beeld. ‘Het hart van de gereformeerde eredienst klopt in de prediking’, zo lezen we. En in de brochure van de GB over de prediking: Wat er gepreekt wordt, wordt er geloofd (en gezongen, mag ik er wel aan toevoegen met verwijzing naar het hoofdstuk over de liturgie van drs. P.J. Vergunst). Welnu, niet zonder reden zijn in de jubileumbundel ook enkele instructieve artikelen over de prediking opgenomen. Ter bezinning, en gedachtig aan de woorden van Whitefield: ‘Wij kunnen de wind van de Geest niet laten waaien, maar we kunnen wel de zeilen hijsen’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's