De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De inhoud van de vroomheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De inhoud van de vroomheid

ASPECTEN VAN DE GEREFORMEERDE BELIJDENIS [ 2 ]

8 minuten leestijd

Welk aspect van de gereformeerde belijdenis verdient in onze kerken momenteel vooral de aandacht? Deze vraag legde de redactie van De Waarheidsvriend voor aan diverse leidinggevenden, van binnen en buiten de Protestantse Kerk. Vandaag deel 2 van een serie, die staat in het kader van het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond.

Bij het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond zou het mijns inziens niet op zijn plaats zijn de jarige Bond te feliciteren. Dat er een Gereformeerde Bond nodig was, honderd jaar geleden, en nog steeds nodig is in de pluralistische Protestantse Kerk van Nederland, bepaalt ons immers bij het verval van de kerk in ons vaderland. Daarbij is er de verscheurdheid van de kerk en zijn er nieuwe scheuren gekomen in veel hervormde gemeenten. Quis non fleret? Wie zou niet wenen? Dan is er meer reden om te wenen dan om te feliciteren. Het ‘gruis van Sion’ klaagt ons allen aan en bepaalt ons bij onze schuld. Niemand, van welke kerk ook, staat daarbuiten. Dat neemt echter niet weg dat ik de Bond van harte zou willen toewensen dat het hem gegeven mag worden, ook in de toekomst binnen de Protestantse Kerk op te komen voor onze gereformeerde belijdenis en de doorwerking daarvan te bevorderen, waar dat maar mogelijk is.

Geestelijk leven
Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan is mij gevraagd weer te geven welk aspect van onze belijdenis momenteel vooral onze aandacht verdient. In dat verband zou ik aandacht willen vragen voor de spiritualiteit van onze belijdenis. Prof. W. van ’t Spijker heeft erop gewezen dat het begrip spiritualiteit nauwelijks te omschrijven is (Spiritualiteit, Kampen 1993, blz.13). Hij wijst in dat verband op de uitingen van het geestelijke leven. Als ik aandacht vraag voor de spiritualiteit van de belijdenis, dan plaatst ons dat voor de vraag wat de inhoud van de vroomheid was, van het geestelijk leven waaruit onze belijdenis is opgekomen en waarin de waarheid van de Schrift toen door het geloof werd doorleefd. Ik zou er zo van harte naar verlangen dat allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben, elkaar in dat geestelijke leven, in die vroomheid herkennen.
Immers, de kerkelijke actualiteit maakt ons duidelijk dat we voor dezelfde gereformeerde belijdenis kunnen staan, zonder dat die geestelijke herkenning er is. Ik vrees dat dit in toenemende mate het geval is. Kennen we nog het geestelijke leven, dat de opstellers van onze belijdenis doortrok? In dat opzicht kunnen we denken aan artikel 1 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond.’ Wat betekent een belijden met de mond zonder een geloven met het hart? De spiritualiteit van onze belijdenis heeft alles te maken met dat ‘geloven met het hart’.

Woorden en zaken
In dit verband denk ik aan hetgeen ds. L. Vroegindeweij, die in de Gereformeerde Bond zo’n grote plaats heeft ingenomen, jaren geleden naar aanleiding van zijn behandeling van de Dordtse Leerregels III/IV, artikel 15 schreef in De Waarheidsvriend. Hij wees in dat verband op Luther, die ‘doorhuiverd was van schrik’ vanwege de onmetelijke schuld van de mens en in verband daarmee vanwege de erfzonde. Ds. Vroegindeweij schrijft dan het volgende: ‘In veel prediking en veel kerkgangers mist in onze dagen de genade deze achtergrond, zelfs wel in zeer rechtzinnige preken. Men kent persoonlijk de grote schrik niet, de ontzettende diepte van de erfzonde. Het ontbreken van de bevindelijke kennis, die bij Luther en Calvijn niet ontbrak, betreffende de diepte van onze schuld, maakt preken en leven zo vlak. Daarom mag er wel veel gebeden worden om ontdekkend licht. Want het is niet genoeg dat wij de woorden der zaken van de reformatie bewaren, wij moeten ook de zaken van de woorden bewaren door ze te verwerven (cursivering van mij, JJvE). Immers wat wij van de vaderen erven, moeten wij ook weer persoonlijk verwerven. Anders heeft het bij ons geen diepte.’ (De troost der verkiezing, LV-fonds 1991, blz.239).
Naar mijn stellige overtuiging moeten wij beducht zijn voor die toenemende vlakheid, die ds. Vroegindeweij in de jaren zestig van de vorige eeuw reeds vreesde. Het is te vrezen dat de redenen voor die vrees alleen maar zijn toegenomen. Kennen wij nog die ‘doorhuivering van schrik’ vanwege onze onmetelijke schuld? Belijden we dat alleen als gereformeerde belijders met de mond of geloven we dat nog in het diepst van ons hart? Er is zoveel vlakheid onder ons, gereformeerde belijders, omdat wij niet meer weten hoe groot het gewicht van onze zonde is, omdat wij niet meer weten van die doorhuivering. Raken we hier niet een wezenlijk punt in de spiritualiteit waaruit onze belijdenis is opgekomen? Juist tegen de achtergrond van die doorhuivering wordt genade werkelijk genade en krijgt Christus werkelijk heerlijkheid en wordt het wonder van zalig worden ook werkelijk een wonder.

Hartslag
In dit verband gaat het om de drie stukken, ellende, verlossing en dankbaarheid, die door de Heidelbergse Catechismus zo helder worden geformuleerd. Ik ben ervan overtuigd dat de hartslag van het geestelijke leven, dat leeft uit het Woord en in de gereformeerde belijdenis de waarheid van dat Woord vertolkt vindt, klopt in de doorleving van die drie stukken. Daar vinden we het geestelijke leven waaruit de belijdenis opkomt. Het is bekend dat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis sterk beïnvloed is door Calvijn. Om de spiritualiteit van onze belijdenis te proeven, moeten wij ons oor dus te luisteren leggen bij Calvijn. De reformator uit Genève heeft naar aanleiding van Genesis15:4-7 vier indrukwekkende preken gehouden over de rechtvaardigmaking.
In zijn tweede preek zegt Calvijn het volgende: ‘Het is dus nodig, zoals ik reeds gezegd heb, dat de kennis van onze ellende ons zozeer raakt, dat wij werkelijk in de dood zijn, en dat wij de dood gevoelen waarvan de Schrift spreekt, om te haken naar het leven, dat onze Heere Jezus Christus ons aanbiedt door Zijn Evangelie, en daarom overtuigt de Schrift ons zo dikwijls van onze zonden, en doet ze ons als het ware een proces van misdaad aan.’ (Stemmen uit Genève, deel I, Meeuwen 1967, blz.33). In deze woorden van Calvijn klinkt door de huivering, de schrik vanwege het gewicht van de zonde. Juist dat doet haken naar het leven, dat Christus ons in het evangelie aanbiedt. A.de Reuver heeft er in zijn dissertatie Bedelen bij de Bron op gewezen dat er zowel bij Calvijn als bij Kohlbrugge, een eerst is van de kennis der ellende, voorafgaande aan de kennis van de verlossing. Kohlbrugge zegt in een kerstpreek over Lukas 2:1-5 dat niemand het heilig Kind Jezus in de kribbe zal aanbidden, ‘der nicht in der Hölle seiner Sünde und Verlorenheit gelegen hat … So würde ein Volk zubereitet.’ (J. Kommers, Ontwaakt, gij die slaapt!, Heerenveen 2005, blz. 365). Dat geeft diepte aan de genade en aan het werk van Christus, dat bewaart ons voor goedkope genade. Verstaan wij dit wezenlijke element in een waarlijk gereformeerde spiritualiteit nog?
In zijn Schatboek spreekt Ursinus ook in deze zin, als het gaat over de drie stukken. Hij stelt dan de vraag, waarom de kennis der ellende nodig is. Ursinus geeft daarop het volgende antwoord: ‘Omdat ze in ons een begeerte opwekt om verlost en getroost te worden. Want zoals bekendheid met de ziekte bij de zieke een begeerte naar de medicijnen opwekt, terwijl daarentegen het niet-beseffen der ziekte de zieke naar geen dokter doet omzien: zo staat het nu ook met de zondaar, die zijn ellende niet kent en gevoelt; zo iemand begeert noch zoekt, veel minder verkrijgt hij zijn verlossing … En daaruit blijkt dus, dat de kennis der ellende als een middel en oorzaak dienen moet, om naar de verlossing te staan, zonder welke men geen troost krijgen kan. Weliswaar brengt de ellendekennis in haarzelf aangemerkt, verschrikking; maar deze verschrikking dient de gelovigen tot zaligheid.’ (Het Schatboek, deel I, Dordrecht 1977, blz.27, 28). Ook hier weer die huivering, die schrik, die doet verlangen naar verlossing. Ook prof. C. Graafland heeft in dit verband opgemerkt dat er bij Ursinus iets volgordelijks is, als het gaat over de drie stukken.

Toenemende vlakheid?
Het is mijn diepe overtuiging dat het hier een wezenlijk onderdeel betreft van het geestelijke leven, dat de achtergrond vormt van onze gereformeerde belijdenis. Juist hier vrees ik een toenemende vlakheid. Het geloven met het hart kan en mag niet ontbreken. Zeker, de opstellers van onze belijdenis bleven niet stilstaan bij het stuk der ellende. Hun prediking bleef niet hangen in het eerste stuk.
Maar juist omdat zij de schrik vanwege de zonden kenden en de doorhuivering vanwege het rechtvaardige oordeel Gods, konden zij zo rijk en zo ruim spreken over de diepte en de ruimte van Gods genade en de rijkdom van Christus en de volkomenheid van Zijn werk. Juist daarom klonk in hun spreken en schrijven de diepe verwondering door dat zalig worden enkel en alleen genade is. Tegen de inktzwarte achtergrond van onze totale verlorenheid gaat Christus schitteren als de Parel van grote waarde. Wij mogen elkaar vinden, over kerkmuren heen, in onze gereformeerde belijdenis. Maar verstaan wij nog die waarachtig gereformeerde spiritualiteit, waaruit de belijdenis is opgekomen? Alleen dan zal er werkelijk geestelijke herkenning zijn in de doorleving van de waarheid van Schrift en belijdenis. En nogmaals, dan gaat het mij niet om de kennis der ellende en de huivering over de zonde op zichzelf, maar dan gaat het mij er wel om dat Christus alleen al Zijn heerlijkheid krijgt en dat genade ook werkelijk genade is en dat dankbaarheid ook werkelijk gedragen wordt door de verwondering.
Hoe moet dit nu concreet in de gemeenten aan de orde komen? Laat in de prediking die huivering en die verwondering werkelijk ten volle mogen doorklinken vanuit Gods Woord. Wat een rijke zegen als we elkaar daarin mogen verstaan vanuit Schrift en belijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De inhoud van de vroomheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 2006

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's