Dor hout in de kerkelijke boom
HOE HOUDBAAR IS DRIEVOUDIG GELIJKWAARDIG AMBT? [1]
Tijdens de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, op 30 mei jl., opende dr. H. de Leede de bezinning met zijn lezing: Hoe houdbaar is het drievoudig gelijkwaardig ambt. De stand van de discussie over het ambt en de drie ambten in de Protestantse Kerk. In drie afleveringen plaatsen we deze bijdrage.
Het gesprek over het ambt is in de geschiedenis van de drie in de Protestantse Kerk verenigde kerken een continuing story. Vooral in de Nederlandse Hervormde Kerk is in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw intensief nagedacht over het specifieke van een reformatorische ambtsopvatting. Men is er toen niet uitgekomen. De bekende tweeslagen van ‘van Boven’ en ‘vanuit de gemeente opkomend’, van ‘ambt’ en ‘charisma’, van ‘bijzondere ambten’ en ‘algemeen priesterschap van alle gelovigen’ blijven sedertdien het gesprek bepalen. De wording van de Protestantse Kerk dwong opnieuw tot een bepaling van de visie van de kerk op het ambt en de ambten. De neerslag daarvan treffen we aan in de kerkorde van de Protestantse Kerk. Een afgewogen resultante van twee tradities, de gereformeerde en de lutherse. Deze doordenking in het kader van de kerkvereniging vindt natuurlijk niet plaats in een luchtledig, maar in een concreet zich bewegende kerk, waar heel veel in ontwikkeling is. We denken aan de ambtsdiscussie in de brede oecumene (rooms-katholieke, anglicaanse, oosters-orthodoxe tradities met de vraag naar een authentiek protestantse ambtsopvatting daartussen). We denken ook aan de groter wordende invloed van de evangelische beweging, wereldwijd en in eigen kerk. Daarnaast zijn er specifieke ontwikkelingen in onze kerk die het gesprek over het ambt actueel maken. De gesprekken over de verhouding van predikant en kerkelijk werker raken direct de vragen van de bevoegdheid van de bediening van Woord en sacrament en bepalen ons bij de vraag naar het wezen van het ambt.
We zetten in met een schets van de situatie en de probleemstelling. Doel is een verscherpt bewustzijn bij ons dat de vragen niet nieuw zijn, maar wel op een nieuwe wijze ons allen kerkbreed aangaan. Daarna schetsen we hoe de kerkorde van de Protestantse Kerk over het ambt en de ambten spreekt. De kerkorde is altijd de neerslag van het laatste moment van de gezamenlijke doordenking in de kerk. Zij is verouderd op het moment van verschijnen. Nieuwe knelpunten en vragen dienen zich aan. We stellen de vraag op welke oplossingsrichtingen de kerk aan koerst. Ik eindig met een persoonlijke overweging. In welke richting hoop ik dat de Protestantse Kerk inzake de knelpunten rond het ambt besluiten zal nemen?
Situatie en probleemstelling
Kerkbreed is er in de oecumene verlegenheid met het ambt. De Rooms-Katholieke Kerk lost die verlegenheid op haar eigen wijze op in de centrale plaats van de geordineerde priester (m) enerzijds en de marginalisatie van de niet-geordineerde pastoraal werker (m/v) anderzijds. De Protestantse Kerk heeft eveneens een probleem met het ambt. Wij dus. Om ons dat bewust te worden, som ik een aantal vragen op waarvan ik benieuwd zou zijn of wij daar echt zomaar een antwoord, laat staan een eenduidig antwoord, op zouden weten.
a. Waarom wordt een predikant bevestigd in het ambt met handoplegging en de diaken en de ouderling niet? We spreken toch over de gelijkwaardigheid van de drie ambten?
b. Waarom wordt een predikant voor het leven in het ambt bevestigd en zijn de beide andere ambten aan twee of drie termijnen gebonden? Hoe zit het met hoog geroemde gelijkwaardigheid van de drie ambten?
c. Waarom mag een kerkelijk werker in pastoraat of diaconaat of jeugdwerk niet in het ambt? Alleen maar omdat hij een werknemers-verhouding heeft tot de kerkenraad?
d. De bevoegdheid tot de bediening van Woord én sacrament is voorbehouden aan de predikant. Waarom zouden wij de sacramentsbediening niet ook toekennen aan de kerkelijk werker met preekbevoegdheid? Maar dán moet hij wel in het ambt staan. Inderdaad, maar is dat voor de bediening van het Woord dan niet nodig? Woord en sacrament zijn toch één?
e. Waarom mag een ouderling of zeker de hbo-opgeleide kerkelijk werker die in het ambt staat, niet de sacramenten bedienen? Voor de prediking kun je nog zeggen dat je Hebreeuws en Grieks moet kennen, en verder op academisch niveau geschoold moet zijn, maar dat kun je toch niet waarmaken ten aanzien van de bediening van de sacramenten?
f. En dan de predikant-in-deeltijd. Kán dat wel? Verdraagt zich dat met elkaar, ‘deeltijd’ en ‘staan in het ambt’?
g. Nog een keer dat adagium van de Reformatie dat de drie ambten gelijkwaardig zijn. Ook in de protestantse kerkorde staat het weer met zoveel woorden: ‘Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding in de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.’ Echter – het klopt niet met de praktijk. Het ambt van de dienaar des Woords is in de praktijk en in het gevoel van de gemeente van ander en meer gewicht dan dat van ouderling en diaken. Nu is de praktijk nooit doorslaggevend. Maar het is in dit geval wel een vraag of het niet veelbetekenend is dat de praktijk zich maar niet heeft willen richten naar de theorie. Het is toch een feit dat ook de Reformatie de dienaar des Woords ordineert met handoplegging, en de ouderling en diaken niet? Wat zegt dat?
h. En dan nog zo’n vraag. Hoe zou het toch komen dat het diakenambt altijd ondergewaardeerd is ten opzichte van het ambt van ouderling. Van menig manlijk lidmaat is gezegd dat hij eerst maar eens een paar jaar diaken moest zijn, alvorens hij ouderling kon worden. Waar komt dat toch vandaan?
i. Is er een verschil tussen een ambt en een charisma, een gave? Wat is dan het verschil?
j. Kortom – wat is eigenlijk een ambt? Wat is het wezen van het ambt? Een tegenover van de gemeente of uit de gemeente opkomend? Christus-representatie? Is de protestantse predikant de nieuwtestamentische equivalent van de priester uit het Oude Testament? En is de kerkelijk werker dan wellicht de nieuwtestamentische leviet?
k. Nogmaals – wat maakt nu het verschil? Of iemand ‘staande in het ambt’ dient, leiding geeft, onderricht geeft, verkondigt en voorgaat in de liturgie. Of zonder in het ambt te staan. Wat maakt het ambt? En wat maakt het uit?
l. Ten slotte – verdraagt zich ‘staan in het ambt’ met een werknemersverhouding van predikant en kerkenraad? Moeten we die kant op?
Na de jaren zestig twaalf vragen en ik kan nog wel even doorgaan. Ik vermoed dat ook hervormd-gereformeerden niet zomaar gelijkelijk zouden antwoorden op deze vragen. Er is in de Protestantse Kerk eigenlijk al sinds de jaren zestig, kerkbreed verlegenheid rond het ambt. De ingrijpende culturele revolutie van die jaren maakte dat er ook stevig aan de theologische en kerkelijke boom geschud werd. De veranderingen in de maatschappelijke verhoudingen hadden zo grote impact dat binnen één generatie een wereld veranderde. Ik denk in dit verband alleen maar aan de intermenselijke verhoudingen van man-vrouw, werkgever-werknemer, ouders-kinderen, et cetera. Democratisering, einde van de hiërarchisch gestructureerde samenleving, een tot in het denken en voelen verankerde andere visie op gezag en op gezagsdragers – dat alles haalde vele, vaak eeuwenlang verankerde en vaak onbewust religieus geduide, verhoudingen omver. Een paar decennia later is een groot aantal van deze veranderingen ons vertrouwd geworden, en zouden we ze niet graag meer missen. Maar toen beleefden onze ouders ze als een aardverschuiving.
Wat bleek houdbaar en wat niet?
Het voordeel van zo’n schoksgewijze zich voltrekkende culturele omslag is dat zaken waarvoor wij staan op hun houdbaarheid getoetst worden. Veel franje, uiterlijke schijn en oneigenlijke aangroeisels worden uitgezuiverd. Ook inzake ons zicht op het ambt is sinds de jaren zestig en zeventig een heleboel dor hout uit de kerkelijke boom gewaaid. Ik noem een paar van die ‘dorre takken’.
- De zo hoog geroemde gelijkwaardigheid van de drie ambten in de Reformatie. Die gelijkwaardigheid was voor een groot deel schijn. In de werkelijkheid was er al sinds de achttiende eeuw sprake van een volstrekte dominocratie. De dominees waren oververtegenwoordigd in de meerdere vergaderingen, bekleedden een cultureel bevoorrechte positie, waren academisch gevormd, hadden een intellectuele voorsprong, et cetera. Wat: gelijkwaardigheid!?
Met de culturele en maatschappelijke veranderingen zijn de randvoorwaarden van deze bevoorrechte positie van de dominee in onze tijd goeddeels verleden tijd. Daarmee kwam er ruimte voor de vraag: Hoe zit dat eigenlijk met die gelijkwaardigheid van de drie ambten? Kun je die wel zo hard maken, vanuit de Schrift en de traditie. Wanneer je de dienst van Woord en sacrament voorbehoudt aan de ene met handoplegging geordineerde dienaar des Woords; wanneer het wezen van het ambt is de Christus-representatie, dan heb je als predikant toch een stevige voorsprong op de ouderling en de diaken!?
Kortom – er is reden genoeg om die verhouding tussen predikant en ouderling/diaken nog maar eens goed tegen het theologische licht te houden.
Omslag in kerkorden
- En dan de verhouding van gemeente, algemeen priesterschap van alle gelovigen en de bijzondere ambten. Het algemeen priesterschap van alle gelovigen was een van de ontdekkingen van de Reformatie. Iedere gelovige is een ambtsdrager, mag het Woord verkondigen, volgens Luther zelfs dopen. We weten hoe het verder ging. Toen de doperse radicalen hun anti-clericale en anti-hiërarchische consequenties trokken uit dit algemeen priesterschap van alle gelovigen, sloeg Luther de schrik om het hart. Calvijn was al heel wat gereserveerder. Al gauw werden ook in de Reformatie de pastorale brieven uit het Nieuwe Testament leidend ten aanzien van de definiëring van plaats en invulling van de ambten. Regeren, leren, voorgaan, ‘voorstander zijn’ – dat werden de kenmerken van het ambt. En dat alles verbond zich al gauw met de maatschappelijke verhoudingen, waarin de gegoede burgerij de leiding had.
In de praktijk zien we in de zeventiende eeuw de latere regentenkerk ontstaan.
In de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw komen dan de lekenbewegingen op voor diaconaal en maatschappelijk werk, voor zendingswerk en evangelisatie. In die bewegingen kreeg het algemeen priesterschap van alle gelovigen weer handen en voeten. Maar dat drong nog niet door tot de organisatie van de gemeente. Dat valt je ook op bij de lezing van de hervormde kerkorde van 1951. De KO-1951 denkt sterk vanuit de bijzondere ambten. Het algemeen priesterschap van alle gelovigen komt er nog heel bekaaid af. In de KO-1951 is geen sprake van de gemeente als subject van de missio Dei in de wereld. Cultureel heeft dat onmiskenbaar te maken met de nogal regenteske verhoudingen die de naoorlogse Hervormde Kerk op dat moment nog bepaalden. De culturele omslag van de jaren zestig moest in 1951 nog komen. Het is boeiend te zien dat op dit punt de belangrijkste omslag zit in de protestantse kerkorde ten opzichte van 1951. In de kerkorde van de Protestantse Kerk heeft de gemeente het primaat. De bijzondere ambten zijn dienstbaar aan de dienst van het Woord in de wereld.
Ambt als tegenover
- En dan een ander adagium uit de gereformeerde ambtstheologie. Het ambt als tegenover. Zeker rond dat punt wordt de patstelling in de ambtsdiscussie in de kerk duidelijk. Het tegenover van het ambt is in de traditie van de Reformatie gebonden aan het gezag van het Woord. Kort gezegd: Het gezag van het ambt is het gezag van het Woord. Ook de reformatorische traditie kent een vorm van de apostolische successie. Dan gaat het om de inhoudelijke continuïteit van de rechte bediening van Woord en sacramenten nu met de dienst van apostelen en profeten. De continuïteit is niet een historische, maar een geestelijke. Daarom kon de jonge Luther zeggen dat ieder gelovige dienaar is van het Woord en het Woord Gods tot mij verkondigen kan. Tegelijkertijd heeft de Reformatie de dienst van Woord en sacrament toevertrouwd aan de dienaar des Woords, onder handoplegging. In het vervolg daarvan is de Reformatie de roeping en verkiezing van de dienaar des Woords bijzonder gaan waarderen en toetsen. De Reformatie kent het ambt van de predikant dan wel geen character indelibilis (een onuitwisbaar stempel, zoals bij de priesterwijding in de RKK) toe, maar in principe ben je wel dominee voor het leven. Je wordt één keer bevestigd onder handoplegging. Opvallend is in dat verband dat wanneer predikanten een andere functie in de samenleving aannemen, zij toch vaak wel in het ambt willen blijven, als predikant met de rechten als van een emeritus.
- Hoe zit dat? Voegt het staan in het ambt iets toe aan het verkondigde Woord? Heeft de dienaar des Woords gezag, omdat en in zoverre hij het Woord Gods recht bedient? Of krijgt het recht verkondigde Woord bijzonder gezag, wanneer en omdat hij het staande in de ambtelijke bediening verkondigt? Nu sinds de jaren zestig alle franje en wereldlijke status van het predikantschap af is, komt de vraag tot zijn essentie. Is het iets anders wanneer het de dienaar des Woords is die in de kerkdienst het Woord verkondigt dan dat ik op een bijbelkring in een goed gesprek bezig ben met de Bijbel en die door de opmerkingen van een medegelovige echt voor mij open gaat? Laten we niet te gauw ‘ja’ zeggen.
- Dat ligt wel dichtbij ons. De bijzondere ambten staan immers in het kader van Gods bijzondere zorg voor ons mensen. Als Hij rechtstreeks tot ons zou spreken, dan zouden wij verteerd worden. Hij werkt middellijk, via mensjes ‘uit het stof verrezen’. Het is een oefening in gehoorzaamheid dat ik het uit de mond van een mens van gelijke beweging als ik ontvang, aldus Calvijn. Dus ‘ja’, het maakt wezenlijk verschil.
- Maar toch raak je daarmee ook, reformatorisch gezien, in de knoop. Voordat je het weet, zit je met dat ‘ja’ in rooms vaarwater. Dichtbij ligt namelijk een sacramentalisering van het ambt, vooral dat van de predikant, aan wie nu eenmaal de dienst van Woord en sacramenten is voorbehouden. De predikant wordt dan onvermijdelijk de priester en profeet aan wie de Woorden Gods worden toevertrouwd. Hij bemiddelt het heil voor het volk. De predikant zou dan de nieuwtestamentische equivalent zijn van de priester uit het Oude Testament!? Maar tussen de priester en profeet van het Oude Testament ligt Pinksteren. ‘Uw zonen en uw dochters zullen profeteren.’ Allen zullen priester en profeet zijn.
Kerk toetst de roeping
- Houdt dit laatste in dat het staan in het ambt niet iets toevoegt? Moet ons antwoord dus ‘neen’ zijn? Wie dat zegt, zegt dat de predikant op de kansel niets anders is dan iemand die de Bijbel uitlegt en de liturgie leidt, omdat hij er nu eenmaal voor geleerd heeft. Alleen dat onderscheidt hem van de gemeente. Als we dat zeggen, dan gaat er ook iets mis. Beter gezegd, dan gaat er iets wezenlijks verloren. Dan gaat verloren wat Paulus in de Brief aan de Efeziërs uitdrukt in het bekende ‘sommigen heeft Hij geroepen …’ Efeze 4:16 vv. is voor de ambtsleer altijd cruciaal geweest. We zien dat bij Calvijn in zijn Institutie. In Efeze 4:16 vv gaat het om het ambt. En bij het ambt heb je het over ‘roeping’, ‘legitimatie’, ‘zending’, ‘toegekend gezag’ en daarmee ‘vrijheid’ om ‘tegenover’ te zijn. Daar draait het altijd om. En dat is meer dan functioneel. Het gaat dan bij de (aanstaande) predikant om geloof, belijdenis, wandel, integriteit, stabiliteit, beschikbaarheid.
Kortom: roeping. En de kerk toetst die. Dat moet zij ook doen. En de predikant legt een plechtige belofte af bij het colloquium. Hij moet weten dat hij dan iets anders doet dan een baan aannemen voor een aantal uren per week.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's