Blijvende vitaliteit
ASPECTEN VAN DE GEREFORMEERDE BELIJDENIS [4]
Welk aspect van de gereformeerde belijdenis verdient in onze kerken momenteel vooral de aandacht? Deze vraag legde de redactie van De Waarheidsvriend voor aan diverse leidinggevenden, van binnen de buiten de Protestantse Kerk. Vandaag deel 4 van een serie, die staat in het kader van het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond.
Wat zeg je tegen een honderdjarige? Om te beginnen feliciteer je die van harte met het bereiken van deze leeftijd. In de kerk spreken we dan over een zegen, te danken aan de trouw van God. Welnu, dat mogen we in dit geval ook zeggen. In het ontstaan en voortbestaan van de Gereformeerde Bond mogen we ‘de goede hand van God over ons’ opmerken, net zoals Nehemia die zag in zijn activiteit tot herbouw van Jeruzalems vervallen muren. Zonder elkaar over de bol te aaien, mogen wij na deze honderd jaar constateren dat zijn bevindelijk gereformeerde insteek en inzet de kerk op talloze momenten en manieren ten goede is gekomen, zowel plaatselijk als landelijk.
Ootmoed
In verschillende publicaties die de afgelopen tijd verschenen, is dit zegenrijke verleden gedetailleerd opgehaald en breed uitgemeten. Tot roem van Gods genade. Maar eveneens – hoe zou het anders kunnen! – tot beschaming van onszelf. Eerlijk achterom zien na honderd jaar brengt ook allerlei fouten en gebreken aan het licht. Dingen waarmee de GB de kerk geen dienst bewees, waardoor hij mede schuldig is aan het voortschrijdende verval van het kerkelijk leven in de voorbije eeuw. Dit vraagt om een doorleefd besef dat onze jarenlange inzet uiteindelijk stukwerk bleef, dat veel genade behoeft en altijd beter kan. Op allerlei momenten, recent nog rond de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland, heeft het hoofdbestuur van de GB dit ook met zoveel woorden beleden. Dat doet weldadig aan en belooft wat. Als je zulke woorden hoort, ben je echter wel benieuwd naar de gevolgen van een dergelijke kritische zelfbeschouwing. Benieuwd op welke wijze deze ootmoedige belijdenis gestalte zal krijgen in een stuk vernieuwing, waardoor de GB in de toekomst mogelijk méér vrucht zal kunnen dragen voor de kerk.
Bescheidenheid
Als voorzitter van de Raad van Advies voor Gereformeerd Belijden (RAGB) werd me gevraagd ook ‘een woordje te spreken ter ere van de honderdjarige’, met daarbij het verzoek om hem bij deze gelegenheid namens die Raad van het nodige advies te dienen. Mijn eerste reactie hierop is dat wij ons als Raad, die nog niet eens zijn eerste verjaardag vierde en derhalve nog in de kinderschoenen staat, toch wat verlegen voelen met zo’n vraag. Bent u met uw honderd jaar niet veel ouder, ervarener en wijzer dan wij? Moeten wij niet juist in de leer bij u? Welnu, wees ervan overtuigd dat wij dit graag zullen doen. Tegelijk echter geeft dit mij reden om u namens de Raad enkele overwegingen aan te reiken, opdat u ook in de toekomst een ‘meester’ zult blijven in het gereformeerde belijden. Ik doe dit in bescheidenheid. In de hoop dat u er iets mee kunt en er door verder geholpen wordt.
Routine
Het is niet ondenkbaar dat een honderdjarige naar eigen beleving wel zo ongeveer weet waar het wel en niet om gaat. Met als gevolg dat er een zekere mate van zelfgenoegzaamheid en routine optreedt. Zo kan het ons ook als gereformeerde beweging vergaan: na een eeuw van theologische bezinning en kerkelijke ervaring zou het kunnen zijn dat binnen de GB de gedachte leeft dat wij wel zo ongeveer helder hebben waar wij theologisch voor staan en kerkelijk voor gaan.
Ongemerkt en onbedoeld zou dit kunnen leiden tot een nogal routinematige aanpak en benadering. Zowel van theologische thema’s als van kerkelijke vraagstukken. Dan hebben wij de antwoorden al, voordat de vragen gesteld zijn. Het kan niet anders dan dat een dergelijke herhaling van standpunten – hetzij met dezelfde, hetzij met andere woorden – op den duur tot verstarring leidt. Waardoor de Bond als beweging verkrampt en gaandeweg verlamd raakt. Dat zou zonde zijn.
Dynamiek
Het zou echter geweldig zijn als de GB een vitale en krachtige beweging wordt binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Hij het gereformeerde belijden op zo’n doordachte wijze zal weten in te brengen dat binnen het geheel van de kerk een besef zal doordringen dat uitgerekend de kernen van dit belijden een blijvende dynamiek bezitten in een seculariserende wereld. Dat dit belijden niet alleen maar goed was voor de eeuw van mijn vader, maar dat wij in een stervende eeuw daar met elkaar weer op worden teruggeworpen worden. Raken wij, om maar iets te noemen, bij alle kerkelijke neergang in de breedte van de kerk niet meer en meer verlegen om de verkiezende God, die Zichzelf ondanks ons aan ons openbaart? En is er, nadat er door kerk en theologie veel verkwanseld is, geen sprake van een kerkbreed verlangen naar hernieuwde existentiële (bevindelijke!) betrokkenheid op God? Is dat ook niet de ondertoon van de synodale nota Leren leven van de verwondering?
Door-denken
Zou het bovenstaande voor de GB geen stimulans kunnen zijn om intern tot een verdiepte doordenking te komen van de kernbegrippen van zijn belijden. Van belang is dat hij bij deze bezinning, meer dan tot nu toe het geval is, de volle bandbreedte van zijn theologische kader betrekt en met elkaar in gesprek brengt. Ondanks alle waardering die men hebben kan voor wat geboden wordt in het onlangs verschenen standaardwerk Belijden met hoofd en hart, blijven het bijdragen van individuele theologen en komt het niet tot een gezamenlijke exercitie, die bevruchtend doorwerkt in het geheel van de beweging. Terecht waarschuwde prof.dr. F.G. Immink tijdens de laatste predikantencontio voor het gevaar dat de kernbegrippen die identiteitsbepalend zijn, tot uitgesleten begrippen en abstracte groepscodes worden, die hun zeggingskracht gaandeweg verliezen. Eerlijk stelde hij de vraag: Is het onder ons niet zo dat wij er inhoudelijk op achteruit zijn gegaan?
Ik onderschrijf zijn oproep om de kernen van het belijden zo te doordenken en te vertolken dat we ‘zowel onze betrokkenheid op de werkelijkheid van de levende God voor het voetlicht brengen als de concrete menselijke werkelijkheid van alle dag’. Met hem ben ik ervan overtuigd dat de bevindelijke gereformeerde traditie dat vermogen in zich draagt. Maar dan zal dit potentieel wel moeten worden uitgebuit. Om het concreet te maken: zou de GB geen werkgezelschappen kunnen instellen om deze theologische denkoefeningen met elkaar te maken? Waarin wij ons aan elkaar opscherpen en door elkaar laten corrigeren, als het gaat om de vraag hoe wij vandaag het Woord en de werkelijkheid op elkaar betrekken.
Alleen dan, wanneer de GB de krachtsinspanning doet om zijn geheim – het doorleefde verstaan van de waarheid – te revitaliseren, kan hij naar binnen toe een krachtige beweging blijven en tegelijk aan de Protestantse Kerk van vandaag en morgen goede diensten bewijzen bij de vervulling van haar (missionaire) opdracht om mensen opnieuw te brengen tot het hart van God en heil in Christus.
Met anderen
In dit proces zou de GB er tevens goed aan doen om het theologische gesprek aan te gaan met die stromingen binnen de Protestantse Kerk die in confessioneel opzicht met hem verwant zijn. Hierdoor kan de inhoud van het gereformeerde belijden worden verdiept en de impact van dit belijden in het geheel van de kerk worden verbreed. Binnen de RAGB, die deze confessionele breedte weerspiegelt, worden inmiddels vingeroefeningen gemaakt.
Het lijkt mij echter van wezenlijk belang dat deze ontwikkeling niet beperkt blijft tot deze Raad – en daarmee tot een achterkamergebeuren kan worden – maar dat er structureel een inhoudelijke bezinning tot stand komt tussen vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond, de Confessionele Vereniging, het Confessioneel Gereformeerd Beraad en het Evangelisch Werkverband. Ik ben ervan overtuigd dat de GB dan veel heeft in te brengen met zijn specifieke bevindelijke gereformeerde traditie – mits zij deze up to date houdt –terwijl hij omgekeerd gestimuleerd wordt om zijn verstaan van en omgaan met de Schrift steeds kritisch onder de loep te nemen. In ieder geval kan op deze wijze de zaak van het gereformeerde belijden weggehaald worden uit het isolement waarin het nu vaak terecht dreigt te komen, omdat het te exclusief verbonden wordt met één modaliteit.
Gegeven ruimte
De synode heeft met de samenstelling van de Raad een aanzet gegeven om het gereformeerde belijden te ontdoen van het ‘GB-etiket’ en het zodoende voluit een plaats te geven binnen het veelkleurige spectrum van de kerk. Laat de GB dankbaar gebruik maken van deze gegeven ruimte. En de actuele mogelijkheden benutten om in (kritische) samenspraak met anderen de bijbelse rijkdommen, die in het gereformeerde belijden liggen opgetast, op een vernieuwende manier in de kerk op tafel te leggen. Zou het niet tot zegen van de kerk zijn, als er in haar midden een brede belijdende beweging ontstaat? We kunnen ons de luxe (of is het zonde? !) niet langer veroorloven om langs elkaar heen te leven, terwijl we zoveel gemeenschappelijks hebben waarmee wij elkaar van dienst kunnen zijn. Graag reik ik u namens de RAGB bij deze gelegenheid de hand om u, waar mogelijk, in dit spannende en boeiende proces van dienst te zijn.
Volgende week deel 5 in deze reeks: ds. L. den Breejen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's