De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingewonnen en gehoorzaam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingewonnen en gehoorzaam

HET AMBT IN DE KERK ALS GEZAG VAN HET WOORD [ 1 ]

7 minuten leestijd

Tijdens de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, op 30 mei jl., sprak ds. R.H. Kieskamp over Het ambt in de kerk als gezag van het Woord. In twee afleveringen plaatsen we deze bijdrage.

Er moet nog heel wat gebeuren voordat ons Nederlandse volk tot geloof in Christus gekomen is. Immers, dat mag toch als een wezenlijk doel gesteld worden. Het is een van de redenen geweest waarom de Gereformeerde Bond op post gebleven is. Vanuit het verbondsdenken hebben we ons volk niet los kunnen laten. Vandaar ook dat de statuten van de Gereformeerde Bond reeds vanaf het begin spreken over ‘te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepe val en tot wederverkrijging van haar plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door de Heere aangewezen’. Als gedoopte natie leeft Nederland helaas lang niet meer naar de eis van het verbond, maar het verbond heeft kracht tot in duizend geslachten (Ps. 105:8). De klem van dit verbondsdenken zet ons op scherp om de hoogste ernst te maken met de verkondiging van het evangelie in Nederland.

Arbeiders nodig
Dat betekent dat er veel arbeiders nodig zijn, dat het ons op de ziel gebonden dient te zijn om gehoor te geven aan het gebod van Jezus, waarin Hij ons beveelt 'de Heere van de oogst te bidden dat Hij arbeiders in zijn oogst zal uitstoten' (Matth. 9:37).
We letten er op dat het hierbij gaat om arbeiders die op initiatief van God aan de slag gaan. God Zelf zal hen uitstoten. Paulus zegt in Romeinen 10:15: ‘Hoe zullen ze prediken, indien ze niet gezonden worden?’ Het kerkelijk ambt heeft haar oorsprong in God die zendt, is dus apostolisch. Het woord apostel stamt immers af van een woord dat zenden betekent, wat weer gefundeerd is in Christus de bij uitstek door de Vader Gezondene.

God zendt.
Het kerkelijk ambt wortelt dus zowel in Christus alsook in het ambt der apostelen. Het initiatief tot het ambt komt niet op uit mensen, maar uit God die arbeiders zendt, hen uitstoot en roept. Hierbij is het de roeping tot het ambt die mensen in beweging zet om zich te laten uitstoten en zenden. Een roeping door het Woord in de kracht van de Heilige Geest, waarin we bereid gemaakt worden niet ons eigen belang, maar dat van het evangelie te zoeken. We kiezen dus niet voor het ambt, omdat het zo’n pracht beroep is, maar omdat we ons geroepen weten. Overigens is het vanuit die roeping terdege een pracht beroep. Ondertussen is het kerkelijke (= bijzondere) ambt niet los te denken van het algemene ambt van alle gelovigen in de gemeente. Het bijzondere ambt komt weliswaar van Boven, van God, maar staat tegelijk midden in de gemeente die tot het ambt roept. De roeping van Boven en die van beneden kunnen zo in de kracht van de Geest gaan samenvallen. Hiermee wordt het sacramentele ambtsgezag van de Rooms-Katholieke Kerk, alsook het laagkerkelijk (evangelicale) denken dat het ambt enkel uit de gemeente doet opkomen, afgewezen.
Daarmee samenhangend heeft het ambt ook ‘een tegenover’. We bedoelen het tegenover ten opzichte van de gemeente en het tegenover ten opzichte van de ambtsdrager zelf. Dat is het tegenover van het ‘alzo zegt de Heere’. Dus het tegenover van het Woord en daarin het tegenover van Gods heilige geboden en beloften.
Zowel gemeente als ambtsdrager moet onder het Woord buigen en uit het Woord leven. Anders gezegd: ‘Dat Jezus Kurios, Heer en Meester, is, dient huizenhoog gelding te krijgen.’ Het gezag van Christus heeft de intentie om als Woordgezag iedereen te bereiken en ons aller leven voor de tijd en voor de eeuwigheid terecht te brengen.

Woordgezag centraal
Ondertussen zijn we hiermee aangekomen bij het meest centrale van de gereformeerde ambtsvisie, namelijk dat het ambtsgezag staat of valt met het functioneren van het Woordgezag. Woordgezag dat haar hoogste vervulling vindt in het gezag van Christus waaraan gelovigen zich vrijwillig leren onderwerpen, als liefdedienst waarvan het juk zacht en de last licht is. Schending van het Woordgezag is dan ook Majesteitsschennis, want Christus komt te kort. Waar het gezag van het Woord vanuit menselijke gevoelens en behoeften of vanuit verstandelijk Verlichtingsdenken wordt ondermijnd, treedt afkalving van het ambtsgezag op. Afkalving die mede in de hand gewerkt wordt door de algemene crisis van elk gezagsdenken, veroorzaakt door de huidige cultuurcrisis waarin de individuele mens zichzelf als supermaat van alle dingen beschouwt.
Meer dan ooit hebben we daarom Woordgezag nodig. Dat betekent gehoorzaamheid aan het Woord. Niet als een formeel gebeuren waarin we ‘plat gaan’ voor het Woord. Het moet anders. Het gaat erom dat we door de kracht van de Heilige Geest ingewonnen worden tot gehoorzaamheid aan het gezag van het Woord en daarin tot liefdedienst aan Jezus Christus en Zijn heerlijk evangelie. Hierin dient het ambt voorop te gaan. De ambtsdrager zal dan, zelf overwonnen door het Woord, Woordgezag uitstralen en zo de gemeente motiveren tot dienende liefde.

Een besneden mens
De ambtsdrager is daarbij geen stralende persoonlijkheid die anderen aan zichzelf bindt. Hij is ook geen spraakwaterval die met uitnemendheid van woorden wil scoren. Hij is anders, namelijk een besneden mens. Besneden van hart door de herscheppende Geest van God betreffende alles wat met zijn oude mens te maken heeft, zoals trots, zelfgenoegzaamheid, zelfzucht, eigenbelang. Hij is als Paulus in 1 Korinthe 2: een mensje in zwakheid, in vrees en beven. Ondertussen wel met woorden in betoning van Geest en kracht. Dus vol Woordgezag. En daarin vol van evangeliegezag.

Reformatiegloed
Dat gebeurde in de Reformatietijd, toen het evangelie als werkelijk nieuw werd ontdekt en ontvangen. Een gebeuren van leven in ootmoedige verwondering over het feit dat men het bevrijdende evangelie (weer) terug had. Het formele lege hulsgeloof van de Rooms-Katholieke Kerk, dat het kerkelijk leergezag napraatte, werd ingeruild voor persoonlijk geloof boordevol gevuld met de gloed van Gods liefde in Christus. De blijde vreugde dus van genade voor goddelozen en verzoening voor vijanden. Wat we vandaag nodig hebben, is dat ambtelijke arbeid weer in die vreugde gaat wortelschieten. Een vreugde onder andere verwoord in Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus, namelijk dat Christus onze enige troost is in leven en in sterven, want Hij heeft ons vrijgekocht uit de macht van duivel en dood en voor onze zonde betaald met zijn eigen bloed. Vanuit die vreugde zou ambtsgezag vandaag opnieuw kleur krijgen. Want Woordgezag zou opbloeien, terwijl Schriftgezag ten principale geen probleem meer zou zijn, omdat de Geest ons zou leiden in alle waarheid. Bovendien zou de liefde van Christus ons dan dringen. De nood werd ons opgelegd, daar we beseffen dat mensen buiten Christus ten dode wankelen.

Zout
Ons pleidooi voor ambtsgezag als Woordgezag heeft kort gezegd drie achtergronden:
1. De eer en glorie die God toekomt op alle terreinen van het leven, zowel in de kerk als in het publieke leven, de politiek.
2. De gigantische verantwoordelijkheid voor het heerlijk evangelie, waardoor we beseffen dat mensen die zonder Jezus leven en sterven, geen dageraad zullen hebben. Een gegeven dat onze ziel zal doorpriemen, zodat we de Heere gaan afsmeken krachtig te willen gaan werken door Woord en Geest.
3. De niet ophoudende taak om hen die geloven te doen leven in de vreze des Heeren, zodat elke vorm van vriendschap met zonde van de huidige cultuur waarin we leven, wordt gehaat en ontvlucht. Het is ons hoogste verlangen voor God te mogen leven. Concreet betekent dit dat we er niet zijn als de kerken vol zitten, de jeugd betrokken is, de avondmaalsgang goed is. Hoe onwaardeerbaar rijk deze dingen op zich ook zijn, er is meer dat dieper gaat. Dat is dat we zout in onszelf zullen hebben en zout der aarde zullen zijn. Als dit weer volop ging functioneren, zou dat tegelijk veel onvolwassen vernieuwingsdrift tot kalmte brengen. Paulus bedoelt zoiets ook als hij van de Galaten zegt: ‘Mijn kinderkens die ik wederom arbeide te baren tot Christus een gestalte in U krijge’ (4:19).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 2006

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ingewonnen en gehoorzaam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 2006

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's