GLOBAAL BEKEKEN
In 1984, toen het 150 jaar geleden was dat de Afscheiding (1834) plaatsvond, verscheen een boekje onder de titel Geloven en beleven. (‘verhalen uit de tijd van de Afscheiding sedert 1834’, uitg. Filippus Arnhem). De dominees die niet met de Afscheiding meegingen, stonden er vaak gekleurd op. Uit een verhaal van W.J. Veltman, ‘Ons dorp en wat daar is voorgevallen!’ opgenomen in het Jaarboekje van de Gereformeerde kerken in Nederland van 1896, het volgende over ds. L. Sluimer, die sinds 1811 in Onsdorp stond en (ironisch) steevast onder de ‘braven’ wordt gerekend:
In 1811 was Ds. Sluimer tot predikant beroepen en bevestigd te Onsdorp. ’t Was een goedhartige man, vredelievend en die men graag, naar het modewoord van die tijd, een braven man noemde. In volle overeenstemming leefde hij met zijne echtgenoote, Martha. Met kinderen was zijn huwelijk niet gezegend. En toch hield hij veel van kinderen. Vooral waren de kinderen der Onsdorpers lieve kinderen, in zijne schatting. Och, kattekwaad, nu ja, dat deden zij wel eens; maar toch inwendig waren ze goed. Daarom maakte hij al jaren een feestje voor de lieve jeugd. Ds. had een grooten boomgaard. Tusschen de groote appel- en pereboomen waren bessenboompjes geplant. Als nu de bessen rijp waren mochten de kinderen, van bepaalden leeftijd op een bestemden dag bij Ds. komen bessenplukken, en naar hartelust ervan eten. En zoo kwamen ze weer als het de groote pluk was der appelen en peren. Ge kunt begrijpen dat de kinderen van dominé hielden. Een heele beste man was de dominé.
Maar hij bewees nog meer weldadigheid. In de Fransche tijden had dominé zijn lust tot rooken vrij moeten bedwingen. Bij het verdrijven der Franschen was tabak weer zooveel lager in prijs geworden, dat een burgermensch eens weer kon rooken. Dominé rookte er maar dapper op los. Altijd uit de lange goudsche pijp, met een rood pennetje voor mondstuk, en een dop, precies in den vorm van een steek gemaakt. Iedere week nam Ds. een nieuwe pijp, en daar verkwisting nooit aan te prijzen is, zette hij de afgedankte pijp der vorige week om ’t hoekje buiten de buitendeur. Hein, de metselaarsknecht, wist dit, en haalde de pijp er vandaan voor zijn eigen gebruik. Zoo had Hein nooit een duit uit te geven voor een pijp en daar dominé hem gaarne aanmoedigen wilde, altijd spaarzaam te zijn, ontving Hein op dominé’s verjaardag altijd een vol pond tabak. Een beste man, hoor! Zei Hein, is die dominé. Alle week een pijp en ieder jaar een vol pond tabak.
Ds. Sluimer was gewoon altijd in een deftig zwart pak gekleed te zijn. Hij droeg een paar lage schoenen met groote zilveren gespen, zijden kousen, een korte lakensche broek met zilveren gespjes om de kuit vastgemaakt, een vest met opstaande kraag, om den hals een witten doek. En een deftigen zwarten rok. Zijn schedel was gedekt met een driepuntigen hoek, steek genoemd. Zoo was hij altijd gekleed. Het Zondagsche pak moest glimmend zwart zijn; het daagse pak wat kaler. En werd dit te kaal, dan werd Joris, den tuinman, erfgenaam ervan. Dit was voor Joris een meevallertje. Ja dominé had wel wat voor een arm mensch over. En pastoorske was ook een braaf mensch. Wat vaak had zij een pannetje op het vuur met wat lekkers en versterkends voor een kraamvrouw of herstellende kranke. En zeer natuurlijk, menschen die zulke dingen doen moesten wel braaf zijn. Dominé had ook altijd een waardige houding. Wat kon hij deftig door de kerk stappen, als hij des Zondags naar den preekstoel ging. Rechts en links, met een waardige hoofdknik groetende, maakte hij geen onderscheid tusschen armen en rijken. Ja ’t was een vriendelijke man. Bij gelegenheid van de kermis ging dominé met de brave pastoorske de kramen eens langs, kocht een kermiskoek of iets anders, en vermaande tevens zijn kudde om in alles de maat te betrachten en op den stem van het geweten te letten. ‘’t Is een aardige man, ’ zeiden zelfs de kermisgasten.
Dit toppunt van braafheid, goedhartigheid, vriendelijkheid en aardigheid, vonden ze minder goed als prediker. Er zat geen bezieling in de voordracht, geen gloed van overtuiging. Ds. was altijd kalm zooals hij zelf zei; stokvischachtig droog, zooals zijne hoorders zeiden. Wat hij eigenlijk wilde, wisten zijne hoorders, na lange jaren hem gehoord te hebben, nog niet. Gaarne noemde hij zich leeraar van den gezuiverden protestantschen godsdienst; maar moeilijk zou hij kunnen verklaren, wat hij daarmede meende. Indertijd student te Franeker, was hij leerling van professor Regenbogen geweest, die de Gereformeerde leer scheen te verdedigen, metterdaad de tegenstanders voorstond. Ds. Sluimer had dit met professor gemeen. Aschgrauw, kleurloos, kameleonachtig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's