Onvanzelfsprekend geloven
ASPECTEN VAN DE GEREFORMEERDE BELIJDENIS [ 9 ]
Welk aspect van de gereformeerde belijdenis verdient in onze kerken momenteel vooral de aandacht? Deze vraag legde de redactie van De Waarheidsvriend voor aan diverse leidinggevenden, van binnen en buiten de Protestantse Kerk. Vandaag deel 9 van een serie, die staat in het kader van het honderdjarig bestaan van de Gereformeerde Bond.
Ooit was de gereformeerde belijdenis een articulatie en nadere uitleg van de katholieke christelijke belijdenis. In de tijd van de Reformatie was er geen geding over de grondslagen van het christelijke geloof. De drie belijdenissen van de oud-christelijke kerk waren onomstreden. De verschillen betroffen onderdelen van de belijdenis en vooral nadere uitwerkingen. Hoe krijgt een mens deel aan het heil? Wat is de rol hierbij van kerk, ambt en sacrament? Hoe is de verhouding van Gods genade en de menselijke vrije wil? Dit zijn zeker geen onbelangrijke zaken. Ik kom daar in deze bijdrage ook op terug. Eerst stel ik vast dat het grote geding waar we vandaag in staan, een ander geding is dan in de tijd van de Reformatie. Het gaat vandaag om de grondslagen van het christelijk geloof zelf. Dat geldt niet alleen wanneer we denken aan de grote theologische en filosofische debatten van deze tijd, waarin het steeds gaat om de vragen rond het bestaan van God, Zijn voorstelbaarheid en Zijn al dan niet persoon-zijn. Het geldt evenzeer in het catechisatielokaal. Jongeren worden al heel vroeg geconfronteerd met vragen als:
Is er een God en een leven na dit leven of niet?
Is het christelijke geloof het enige ware?
Mis ik eigenlijk iets, wanneer ik niet geloof?
Niet alleen in de theologische discussies, ook op het grondvlak is de situatie ingrijpend anders dan in de tijd van de Reformatie, maar in veel gevallen ook ingrijpend anders dan veertig jaar geleden.
Calvijn's Institutie, Boek I
Ooit hoorde ik de vroeger onder ons bekende ds. L. Blok zeggen in een lezing voor ons als CSFR-studenten: 'Wanneer je Calvijn gaat lezen, moet je niet in Boek I van zijn Institutie beginnen. Dan strand je waarschijnlijk, omdat dat te droog is. Maar begin in Boek III. Daarin gaat het over geloof, bekering, wedergeboorte, rechtvaardiging.' Dat deden we dan ook als studenten op onze Calvijnkring. Velen ervoeren het lezen van Calvijn op deze punten als het drinken uit een frisse bron.
Tegenover het subjectivisme van een bepaald soort bevindelijke prediking, waarin je steeds teruggeworpen wordt op jezelf, ervoer men Calvijn als bevrijdend met zijn nadruk op de zekerheid buiten onszelf in de beloften van God. Vandaag zou ik echter willen zeggen: Laten we, wanneer we Calvijn lezen, vooral nog eens beginnen in Boek I en dan niet snel er doorheen naar het eigenlijke, maar heel lang kauwen op wat daar staat. De titel van hoofdstuk 1 in Boek I is namelijk al zo buitengewoon belangwekkend: 'Dat de kennis van God en de kennis van onszelf ten nauwste aan elkander verbonden zijn, en hoe zij onderling samen' vervolgens met een verwijzing naar Handelingen 17:28, waar Paulus zegt (de dichter Aratus citerend): 'Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enigen van uw dichters gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht.' De kennis van God en de kennis van onszelf zijn door vele banden verbonden, zegt Calvijn, en het is niet gemakkelijk te onderscheiden welke van beide aan de andere voorafgaat en haar uit zichzelf voortbrengt.
Calvijn staat hiermee in de traditie van Augustinus, die in zijn beroemde Confessiones, het eerste boek, meteen deze zin schrijft: 'Want Gij hebt ons gemaakt naar U en rusteloos blijft ons hart, totdat het zijn rust vindt in U.' De kennis van onszelf en de kennis van God hangen volgens Augustinus daarom samen, omdat God in ons is en wij in God: 'Ik zou dus niet zijn, mijn God, totaal niet zijn, als Gij niet in mij waart. Of kan ik beter zeggen: ik zou niet zijn, als ik niet was in U, uit wie alles, door wie alles, in wie alles is?' (Boek 1, par.1 en 2).
In de gereformeerde traditie is dit gedachtegoed op een prachtige wijze vertolkt door de dichter Jan Luyken (1649-1712), van wiens gedicht: 'De ziele betracht de nabijheid Gods' ik hier de eerste strofen citeer:
Ik meende ook: de Godheid woonde verre
In enen troon, hoog boven maan en sterre,
En hefte menigmaal mijn oog
Met diep verzuchten naar omhoog.
Maar toen Gij u beliefde te openbaren,
Toen zag ik niets van boven nedervaren,
Maar in de grond van mijn gemoed,
Daar werd het liefelijk en zoet.
Daar kwaamt Gij uit de diepten uitwaarts dringen
En als een bron mijn dorstig hart bespringen,
Zodat ik U, o God, bevond
Te zijn de grond van mijne grond.
Op nieuwe wijze God ter sprake brengen
Als ik sta in de grote traditie van de christelijke kerk en in de gereformeerde traditie in het bijzonder, dagen zowel Augustinus, Calvijn als Jan Luyken mij uit vandaag in onze cultuur God opnieuw zo ter sprake te brengen dat mensen het gevoel hebben dat ze hun eigen mens-zijn tekort doen, wanneer ze God onbelangrijk vinden. Sinds de Verlichting staat de mens zelf in het middelpunt. Steeds meer leek God daarbij een hindernis, die moest worden afgeschaft.
Ook in de kritiek op de Verlichting, die we thans meemaken, komt God niet automatisch terug, hooguit in de religie van het 'ietsisme'. Maar de mogelijkheden tot gesprek liggen niet in dit 'ietsisme', met zijn zelfgekozen vaagheid in vergelijking met de God van de Bijbel. Dat leidt alleen maar tot onvruchtbare polemiek. De mogelijkheden tot gesprek liggen in het mens-zijn zelf. Wanneer we leven in een klimaat, waarin de mens in het middelpunt staat, dan is de uitdaging te laten zien dat de mens zelf vol van verwijzingen zit naar de God van de Bijbel en dat de God van de Bijbel de vervulling is van het menselijke bestaan. Dat kan op veel manieren. Maar het moet in ieder geval op een manier, die voor mensen vandaag herkenbaar is, die raakvlakken heeft met hun zelfverstaan.
Valkuilen
We moeten, wanneer we deze weg gaan, opletten voor drie valkuilen.
Ten eerste gaat het er niet om God te bewijzen. We kunnen niets bewijzen. We spreken vanuit ons geloof in God over de mens als aangelegd op God en Zijn heilsboodschap, zodat het herkenbaar is voor mensen, ze erover gaan nadenken en op z'n minst gaan merken dat geloven helemaal zo gek niet is. Dat doen we met het oog op buitenstaanders, maar evenzeer met het oog op al de twijfelaars in eigen kring, die wel willen geloven, maar lijden aan een erosie door de tijdgeest.
Ten tweede, we moeten niet werken met verouderde wereldbeelden of mensbeschouwingen. We moeten bijvoorbeeld, wanneer we deze weg gaan, niet letterlijk artikel 2 van de Nederlandse Geloofs belijdenis overnemen. Daar staat dat de schepping een schoon boek is, waarin we kunnen lezen van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. In de tijd van de opstellers gold dit, ook in de opkomende natuurwetenschap en sterrenkunde, zeker als argument om te geloven in de Schepper. Vandaag is dit allemaal veel problematischer en hebben we het gevoel dat geloven in God de Schepper net zo moeilijk is als geloven in Jezus Christus als Verlosser.
Het gaat dan ook om iets anders. We moeten niet met artikel 2 van de NGB of met Calvijn of Bavinck of wie dan ook, nog eens herhalen wat de tekenen zijn van Gods algemene openbaring, maar we moeten door hen aangespoord, zoeken naar de mogelijkheden om vandaag God ter sprake te brengen met een beroep op de ervaarbare werkelijkheid. En dan komen we het verst met de verschillende visies op het mens-zijn, de antropologie.
In de derde plaats, we moeten wel geleerd hebben van de kritiek van Barth en vele anderen in zijn spoor op alles wat naar natuurlijke theologie riekt. We nemen niet ons uitgangspunt in de antropologie om zo uit te komen bij een God, die de diepste verlangens van de mens vervult. We nemen ons uitgangspunt in de God, die Zich in Christus heeft geopenbaard, maar willen laten zien dat deze God niet ver is van welk mens dan ook in de eenentwintigste eeuw.
Verlangen, vertrouwen, verzet, vergeving
Iemand die ons kan helpen in dit spoor een eigentijdse toegang te vinden tot het verstaan van wie God is, acht ik Anton Houtepen met zijn studie God een open vraag (1997). Hij neemt zijn uitgangspunt in de antropologie, maar dan niet zoals de Verlichting deed, toegespitst op de menselijke ratio, maar toegespitst op de belevingskanten van het mens-zijn. Dat past bij onze tijd, waarin beleving centraal staat. Hij spreekt over de hierboven genoemde altijd weer terug kerende leefvormen van het mens-zijn. Er is geen mens zonder verlangen. Verlangen, dat altijd weer verder reikt dan het reeds bereikte. Er leeft geen mens zonder vertrouwen. Vertrouwen, dat het leven de moeite waard is, dat het ook op de een of andere manier goed komt. Er is geen mens die zich niet verzet tegen het negatieve, de krachten, die het leven kapot maken. Het protest tegen het onmenselijke verstomt nooit.
Ten slotte, de leefvorm van de vergeving, die is allerminst vanzelfsprekend. Die moeten we wel van God Zelf leren. Maar ieder mens zal ervaren dat zonder vergeving het leven een strijd wordt van allen tegen allen, de spiraal van geweld nooit wordt doorbroken. Zo kunnen we, ons uitgangspunt nemend in fundamentele belevingen van het mens-zijn op een zeer zinvolle wijze God ter sprake brengen. Gereformeerde christenen zullen dat weer op een andere wijze doen dan andere christenen. Nu zal blijken dat ook andere thema's van de gereformeerde theologie belangrijk blijven in deze tijd. Over verlangen, vertrouwen, verzet en vergeving zullen wij niet spreken buiten het kruis en de opstanding van Jezus Christus om, ook niet buiten het wonder van de rechtvaardiging van de goddeloze om en de vernieuwende werking van de Heilige Geest. Maar we hebben nu wel een gezamenlijk referentiekader, een gemeenschappelijke ervaringswereld geschapen, waarbinnen al deze bijzondere zaken van het christelijke geloof als relevant gezien kunnen worden. Er zijn nog veel kansen voor de gereformeerde theologie, als ze maar niet begint bij Boek III van de Institutie, maar op een eigentijdse wijze eerst aan de slag gaat met Boek I.
Volgende week deel 10 in deze reeks: prof.dr. A. Baars.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's