Heeft de dominee het zwaar?
Een treffelijk werk
Ik heb het bekende woord van Paulus in mijn jonge jaren tijdens de studie theologie meerdere keren toegevoegd gekregen: 'Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.' (1 Tim. 3:1) De Nieuwe Bijbelvertaling heeft van dat 'treffelijk werk' een 'eerzaam streven' gemaakt. Ik kan dat, eerlijk gezegd, geen werkelijke verbetering vinden. Er staat letterlijk: een 'schoon werk'.
Het ambt van predikant dreigde voorheen wel eens te veel geromantiseerd te worden. Zoiets als met 'Marietje in een pastorietje'. We werden in de studietijd alras gewaarschuwd voor valse romantiek. Het waren de jaren zestig van de vorige eeuw. Er zaten ingrijpende maatschappelijke en geestelijke veranderingen in de lucht. En ze zijn ook inderdaad gekomen. Alle veranderingen zijn de pastorieën en hun bewoners niet voorbijgegaan. In de negentiende eeuw typeerde zijn vrijzinnige collega De Genestet ds. Nicolaas Beets eens met de regels:
Ik sticht het Volk van uit mijn wolk.
Wel, die wolk is weggeblazen en ik acht dat geen verlies. In Kontekstueel (tijdschrift voor gereformeerd belijden nu) stond in de 19e en 20e jaargang een briefwisseling te lezen tussen een jonge collega die zijn eerste gemeente dient (drs. W.F. Schormans, Nijkerkerveen, 1974) en een collega die al vele jaren de kerk dient (dr. L. Westland, EIburg, 1944). Openhartig hebben ze elkaar hun vragen voorgelegd. Waar stuit een pasbeginnend collega op en hoe reageert een oudere collega die de nodige ervaring kreeg daarop? Indertijd hebben we in deze rubriek uit het begin van deze correspondentie een paar fragmenten geciteerd. Intussen is de briefwisseling afgerond. In Kontekstueel van juli 2006 sluit redactielid Marja Brak af met wat genoemd wordt 'een afrondende impressie'. Ze schrijft onder het opschrift Het wondere ambt is zwaar geworden.
Om te beginnen leg ik de vinger bij enkele verzuchtingen van de dominees die ik niet realistisch vind. Laat ze danken dat zij geen struggle for life te voeren hebben, omdat hun brood gewis is. Ze hebben wel goed geregelde arbeidsvoorwaarden, maar feitelijk geen werkgever en zijn zo vrij als een vogeltje in de lucht. Het is zelfs mogelijk heel lang niet goed te functioneren zonder dat iemand ingrijpt. Als in een van de brieven de dominee ietwat verlekkerd schrijft over 'leasebak' van een vriend uit het bedrijfsleven, moet hij wel bedenken dat die vriend elke dag targets moet halen en voortdurend een zwaard boven zijn hoofd heeft: morgen kan zijn baan, en daarmee zijn toekomst, weg zijn.
Ook hun veelheid aan taken vinden de dominees bijzonder. Heel wat mensen zullen daar hun schouders over ophalen. Het probleem lijkt mij ook niet de hoeveelheid, maar het ontbreken an een goede werkstructuur en het hebben van een aantal taken waarvan je je kunt afvragen of die niet door anderen gedaan kunnen worden. Het werk van een dominee is nooit af, zo verzuchten ze, er is altijd wel 'achterstallig bezoekwerk'. Mensen in andere beroepsgroepen of met een eigen zaak zullen daar om glimlachen: bij hen krijgt geen enkele taak de kans achterstallig te worden. De werkdruk wordt gewoon opgevoerd. En tot slot: een van de predikanten noemt zijn roeping in het gezin het allerbelangrijkste. Wie dat tegen zijn baas zegt, krijgt hoogstwaarschijnlijk het advies huisman te worden. Toen ik dit las, vond ik het celibaat toch weer niet zo verwerpelijk.
Het interessante van deze reactie is dat ze niet is geschreven door een collega, maar wel door iemand die vanuit haar positie (IZB) de wereld van de predikanten grondig kent. Ondanks de kritische noten die ze kraakt, geeft ze tegelijk aan oog te hebben voor de zwaarte van het domineesambt. 'Het is een weinig benijdenswaardige positie. De gemeente is van een gewillige kudde veranderd in een grillige horde.'
Dominees van de leeftijd van Westland (dichtbij het emeritaat) hebben het vak in betrekkelijke rust kunnen leren en zijn meegegroeid met de ontwikkelingen. Maar wie nu 25 jaar oud is en de pastorie in gaat, wordt in het diepe gegooid en moet maar zien dat hij het volhoudt 40 jaar de verraderlijke stromingen van de volle zee te trotseren. Dat betekent dat de opleiding aangepast zal moeten worden. Waarom wordt er bijvoorbeeld niet een flink aantal maatschappelijke stages in het pakket van de kerkelijke opleiding opgenomen? Om aan den lijve te ervaren wat voor veel mensen de dagelijkse realiteit is, om gestructureerd te leren werken en om levenswijsheid op te doen. Of waarom wordt men niet eerst een jaar junior predikant naast een senior, zoals men in Engeland schijnt te doen? Bekijk ook het hele bijscholingsprogramma eens: is dat niet veel te eenzijdig gericht op prediking en pastoraat? En moeten er niet veel strengere criteria komen voor de besteding van het studieverlof? Wie een cursus wil volgen in de tijd van de baas, is ook niet vrij in zijn keuze. In de brieven wordt ook geklaagd over het door elkaar lopen van werk en privéleven. Het hoofd van de school woonde vroeger bij de school en de huisarts bij zijn praktijk. Dat is achterhaald, maar de dominee werkt nog altijd thuis.
Waarom geen werkplek elders? Het is veel beter 's morgens de huisdeur achter je dicht te trekken en naar je werk te gaan dan te moeten schipperen met de afleidingen die de thuissituatie met zich meebrengt.
Hoeveel er ook veranderd is, de dominocratie lijkt nog niet geheel voorbij te zijn. Marja Brak: De dominee is degene geworden die altijd voorop moet lopen en ook degene die - zo zeggen de predikanten zelf - grotendeels de identiteit en de koers van de gemeente bepaalt.' En hoe is het dan met de omgang tussen de dominee en zijn kerkenraad?
In nogal wat gemeenten en kerkenraden heerst een dodelijke zwijgcultuur als het gaat om praten mét de dominee. Een nieuwe predikant wordt juichend binnengehaald, maar na een jaar of nog korter begint het gemurmureer: 'Hij doet toch wel weinig bezoekwerk. Met de jongeren kan-ie ook niks. Hij groeit niet in zijn preken.' Als ik dat hoor en verwonderd vraag: 'Bespreken jullie dat niet in de kerkenraad?' is de reactie: 'Nou, eh, nee, dat ligt nogal gevoelig en we worden het toch niet eens.' En in een persoonlijk gesprek dan? '0 nee, dat pakt-ie vast niet goed op. Nee, dan heb ik het gedaan.' Zo blijft de dominee de eenzame fietser en komt het erop aan hoe sterk hij is. Het is de hoogste tijd dat er structureel vertrouwelijke werkgesprekken komen met predikanten. Kies daarvoor een paar wijze mensen uit de kerkenraad (of eventueel uit de gemeente), die kunnen zwijgen als het graf.
Het doet me denken aan wat ooit eens over een collega werd verteld. 'Je kunt hem niet zó voorzichtig benaderen of je staat altijd op zijn tenen.' Hier ligt intussen wel een valkuil voor een dominee: bang zijn voor confrontaties en je daarom al te angstig terugtrekken op je eigen helft. De pastorie wordt zo een bunker waar niemand binnenkomt en waar geklaagd wordt over de eenzaamheid die het ambt met zich meebrengt.
Wens voor een jarige
De zojuist geciteerde aflevering van Kontekstueel is bijna in z'n geheel gewijd aan het feit dat de Gereformeerde Bond eerder dit jaar herdacht een eeuw geleden te zijn opgericht. Het themanummer kreeg als titel mee Gereformeerden in beweging en bevat o.a. bijdragen van prof.dr. F.G. Immink, dr. G. van den Brink, dr. J.D.T. Wassenaar, mevr. drs. H.B. Graafland. Voor de belangstellende lezer zeer de moeite waard.
Maar ik las naar aanleiding van dit gedenken nog een andere reactie van dr. G. van den Brink (Woerden), in het Nederlands Dagblad (10 juli 2006). Hij schrijft boven zijn maandelijkse column voor deze krant Pluspakket-christendom. Hij vraagt zich af wat we de jarige Bond nu zouden moeten toewensen? Hij verwijst onder andere naar de wens van synodepreses ds. Heetderks: Het wordt tijd dat de Bond zijn bezwaren tegen de vrouwelijke ambtsdrager eindelijk eens laat vallen. Van den Brink acht het juister de Bond iets toe te wensen wat geheel past bij zijn streven: verbreiding en verdediging van de bijbelse waarheid. En wat zouden we dan de Bond het beste kunnen toewensen?
Mij lijkt dat het grootste gevaar voor het streven van de Bond van binnenuit komt: de geleidelijke erosie van het eigen geloofsleven onder invloed van het (postmoderne) levensklimaat. De snijdende wind van de secularisatie maakt het steeds moeilijker om de hoogten en diepten (laat staan de alledaagsheid!) van het bestaan werkelijk voor Gods aangezicht te beleven. Wat overblijft is op den duur een afgevlakt christendom. Het 'pluspakketchristendom' dat je bij een nieuwe generatie bonders en anderen ziet opkomen: als christen heb je zo ongeveer alles wat anderen ook hebben (en als je het niet hebt, streef je er wel naar), plus dan gelukkig nog een paar dingen meer, zoals de vergeving van je zonden en uitzicht op het eeuwige leven.
Het is dus prettig om te geloven, omdat je op die manier aanvullend verzekerd bent: je deelt niet alleen in het basispakket van de gemiddelde Nederlander (de dvd-speler, het Center Parcs-tussendoortje etc), maar je hebt daarnaast de voordelen van het geloof. De premie van een min of meer regelmatige kerkgang valt daar wel voor op te brengen - al kun je je op den duur natuurlijk afvragen of zo'n premie eigenlijk wel nodig is.
Breukervaring
Dat het geloof een breuk betekent met je omgeving en je eigen verleden, dat het niet iets extra's is, het slagroomtoetje op het gebakje van het leven, maar een wezenlijk andere levensoriëntatie, dat het hartstocht meebrengt en offerbereidheid en kruis, en dat alles niet omdat het moet, maar vanuit de liefde van je hart - dat besef is enorm aan slijtage onderhevig. Laten we dat overigens niemand verwijten. Het is nu eenmaal niet anders. Maar laten we ons er wel rekenschap van geven.
Het beste wat men de Bond kan toewensen, is daarom misschien wel, dat hij de grote bijbelse woorden die de breukervaring uitdrukken nauwkeurig zal blijven spellen. Woorden als wedergeboorte, bekering, navolging, volharding, geloof-tegen-de-klippen-op. En dan niet clichématig, maar zo dat ze echt ergens op slaan. Daarmee zouden niet alleen bonders maar alle hedendaagse christenen geholpen zijn. Want dat zijn de zaken waar het steeds meer op aankomt.
Christenen zijn mensen die dagelijks bidden en bijbellezen, die de zondagse samenkomsten zo min mogelijk overslaan, en die op nog honderd andere manieren tegendraads leven. De geloofsbetrokkenheid op Christus maakt alle verschil van de wereld.
Laat dat vooral voelbaar blijven. Opdat het zout niet smakeloos wordt. En de Zoon des mensen, als Hij komt, nog geloof zal vinden op aarde.
Ik wil me van harte aansluiten bij deze welgemeende wens voor de honderdjarige. Inderdaad, het levensklimaat van onze moderne cultuur beïnvloedt diepgaander dan we soms vermoeden het geestelijk leven binnen onze gemeenten. Velen hebben in toenemende mate moeite om te komen tot Godservaring en blijvende verbondenheid met de levende Christus. De zondagse kerkgang dreigt een eiland te worden midden in de ruwe zee van het godloze bestaan van onze tijd.
Een los nummer van Kontekstueel kost € 4,25 incl. porto. Adres: J. Bette, Arend Brinkmanrede 21, 2901 TD Capelle aan den IJssel; tel. 010-4580590 e-mail: elsenjan.bette (filternet.nl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 14 Pagina's