De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Beproefde ds. J. J. Poot

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Beproefde ds. J. J. Poot

EEUW GB-GESCHIEDENIS IN PORTRETTEN [ 9 ]

7 minuten leestijd

Ds. Poot was een van de edelste collega's die ik in mijn leven ontmoette, deed me onlangs ds. C.A. Korevaar weten. Een Israëliet in wie geen bedrog is, zei ds. W.L.Tukker ooit. Negende deel in een reeks portretten van mensen die in de honderdjarige GB-geschiedenis van betekenis waren.

Veel ging er van hem uit aan liefde, ootmoed en zelfverloochening! Een zachtmoedig man, die diep besefte: ‘zelfs een goede gave wordt in een gebroken houder genoten’.' Maar ook,' aldus zijn broer, 'menigmaal een man met het licht op de rug', waarmee hij onzes inziens bedoelde dat ds. Poot zonder voor zichzelf Licht te zien toch aan anderen Gods Licht verspreidde.

Ds. Poot werd 10 juli 1910 te Bodegraven als jongste zoon van het echtpaar J.J. Poot en P. Verhoorn geboren. Al vroeg ontwaakte in hem het verlangen predikant te worden. Begiftigd met een helder verstand kostten hem de gymnasiumjaren in Gouda weinig moeite. Na zijn theologische studie in Utrecht te hebben volbracht, werd hij hulpprediker te Boskoop. Uit verschillende beroepen nam hij dat naar Bunschoten aan. Daar deed hij op 1 december 1935 intree, na bevestigd te zijn door ds. K.J. van den Berg. Vervolgens diende hij de gemeenten te Ameide-Tienhoven, Barneveld, Delft, De Bilt en Woerden. Boskoop meegerekend: zeven gemeenten! Een volheid. Daarnaast was hij jarenlang lid van het bestuur van de IZB. Verder leidde hij met ondergetekende vier keer een HGJB-jeugdkamp (1960-1963).
Zijn gezondheid was zwak. Benauwdheid op de borst tekende zijn leven van jongsaf. Vlak voor de aanvang van het catechisatieuur in Delft vroeg hij me hem te vervangen vanwege plotseling opkomende benauwdheid. Die benauwdheid zou met de jaren heftiger worden. Was de nood echter voorbij, dan kon hij een opgewekte vriend zijn, vol belangstelling en meeleven met anderen tot op zijn ziekbed toe.
Enkele weken na zijn intree in Woerden op 22 september 1963 werd hij opgenomen in het Zeehospitium in Katwijk aan Zee. Nog driemaal daarna zou dat nodig blijken. Een weg, tegen vlees en bloed in! Te groter verdriet voor hem, omdat hij pas in de nieuwe gemeente zijn mocht, die hem meer dan een half jaar op de kansel zou moeten missen.
Hoe verlangde hij weer aan het werk te gaan en bijvoorbeeld met Kerst te mogen preken! Maar toen Gods weg met hem anders was, leerde hij zich aan ’s Heeren leiding overgeven. Hij schreef: ‘De Here is recht in al Zijn weg en werk. Zal ik Kerst moeten vieren in de longkliniek, ik zal bidden het te mogen doen in gemeenschap met de herders: ontvingen zij een kerstzegen in de velden van Efratha, hun God en Zaligmaker leeft, Zijn arm is niet verkort … ook niet om mij, onwaardige en onreine zondaar, nog een Kerstzegen te bereiden hier in de duinen van Katwijk aan Zee’.

Zijn prediking: genade alleen
Het verlangen goed te spreken van zijn Heiland was zijn intense vreugde. Hij deed dat op de preekstoel en in zijn verdere ambtsbediening. Altijd echter vreesde hij te weinig goed van Hem gesproken te hebben. Anderen hebben dat echter in woord en geschrift weersproken. Twee stemmen uit de vele noteren we: ‘Nooit heb ik het Paasevangelie zuiverder horen verkondigen dan door ds. Poot’ (J.J. van der Krift te Katwijk aan Zee); ‘Nooit heb ik de heerlijkheid van Christus en de vrucht van Hemelvaart zo rijk horen verkondigen als die morgen’ (J.T. Doornenbal in zijn Gemeentenieuws van Oene). Velen denken met mij dankbaar terug aan zijn arbeid op de kansel en aan zijn pastorale werk. Een echte pastor was hij. Zijn naar Christus heenwijzende prediking was schriftuurlijk: dat is bevindelijk (zo bevindelijk als de Schrift zelf is), ontdekkend, praktisch en eenvoudig, al verzuchtte hij zelf: ‘k wilde meer voor kinderen gekund hebben te preken. Zijn prediking, door de theologie van Kohlbrugge geïnspireerd, betekende echter wel de doodsteek voor alle eigenwillige vroomheid. Dat smaakte niet ieder. Ook toen niet: té ontmaskerend. Een op hem uitgebracht beroep in X bleek een vergissing, zo liet men hem bij de kennismaking duidelijk merken. Hij was nu eenmaal niet – om met J.H. Grolle te spreken in zijn: De boodschap van Kohlbrugge nú! – een ‘goeie dominee die de kat met de haren meestrijkt, zodat zij op de warme kachelplaat heerlijk kan verder snorren’, maar één die om een uitspraak van prof. A.H. Edelkoort op college te citeren ‘de mensen achter het vestjeszakje komt’. Intussen kwam dat nooit in mindering op de boodschap van de door Christus verdiende genade voor ‘allesbedervers’. Van die genade wist hij zelf na bange strijd te moeten leven. Hij heeft mij op het hart gebonden: ‘Als jij ooit nog eens wat zal mogen zeggen bij mijn begrafenis, wanneer ik onverwachts mocht wegvallen, zeg dan: het is genade, genade alleen’. Toen hij voor de derde maal in de longkliniek te Katwijk was opgenomen, zei hij me bij een bezoek aan hem: ‘Het is echt waar, precies zoals we het altijd preken: ‘Eerst vraag je: waarom moet ik nu weer ziek zijn? Op de school van de Geest echter mag het daarna worden: ik wil wel ziek zijn, Heere, Uw wil geschiede! En dan ten slotte, eenswillend met God, mag het zijn: wat een wonder, Heere, dat ik nog ziek mag zijn. Wat is Uw trouw en goedheid toch groot! Naar recht deed U ons immers voor eeuwig van U weg’!’ De triomf der genade was opnieuw na bange worsteling doorgebroken.

Beproefd, maar begenadigd
Gedurende de tweede en derde opname (sept. 1966 en febr. 1967), toen de reis naar de longkliniek vanuit Werkendam door mij vanwege de afstand minder ondernomen kon worden, correspondeerden we veelvuldig! In een brief die ds. Poot schreef aan de avond van een dag, die aanving met ‘geen lucht uitwendig erg, geen licht van binnen erger’, mocht er verruiming komen na bezoeken, door anderen en mij juist toen gebracht. Deze bezoeken waren hem geschonken als ‘onder hoge bescherming’. Hij refereerde toen aan Ledeboer, die in een tijd, toen hij (als gijzelaar vanwege het niet betalen van een boete) in de gevangenis zat, dichtte:
’t Gevangenhuis,
mijn zachte kruis.
De Heer’ mij daar te leren heeft,
wat Hij mij anders niet zo geeft.’

Hij schrijft dan: ‘Hetzelfde zou ik willen zeggen met de modulatie van ziekenhuis in plaats van gevangenhuis’.

In de korte tijd tussen de tweede en derde opname heeft hij nog enkele keren gepreekt. Op zondagavond 22 januari 1967 onder andere in Werkendam, na de hele dag door benauwdheid aan het logeerbed gebonden te zijn geweest. Hij zei nadien op de preekstoel een ogenblik boven zijn benauwdheid verheven te zijn geweest. Nog twee zondagen daarna zou hij voorgaan. Op 5 februari 1967 heeft hij ‘s morgens te Reeuwijk en ‘s avonds onwetend ‘afscheid’ gepreekt te Woerden. Op 7 februari moest hij met spoed worden opgenomen in de longkliniek. Hoewel hij enigszins leek te herstellen, werd hem het dringend medisch advies gegeven per 1 maart 1968 met vervroegd emeritaat te gaan.
Daarna mocht hij als hij in Werkendam logeerde, tot zijn vreugde op ‘therapeutische basis’ voor ons nog enig bezoekwerk verrichten. Lang heeft dat niet mogen duren. Nog eenmaal zou hij kunnen meewerken aan een kerkdienst: nl. eind 1969. Toen heeft hij bij ons huwelijk ons de handen opgelegd. Vijf weken daarna (9 januari 1970) is hij vrij plotseling op de derde dag van de vierde opname in Katwijk ontslapen. Zijn laatste woorden, fluisterend uitgesproken, waren: 'genade, genade alleen'.
Veertien januari vond zijn teraardebestelling plaats. Voorafgaand aan de rouwdienst mocht ondergetekende als huisvriend het woord voeren; daarna ds. W.L. Tukker als vriend, ds. H.G. Abma, als voorzitter van de IZB en ouderling G.P. Olbertijn, als vertegenwoordiger van de wijkgemeente. Zijn ‘vernederd’ lichaam (Filipp. 3:21) legden we ter ruste tot op de grote Dag van Christus’ wederkomst. Dan zal dat lichaam veranderd worden, opdat het gelijkvormig worde aan het heerlijk lichaam van zijn Zender, Die hij dan zonder benauwdheid eeuwig zal mogen loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2006

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Beproefde ds. J. J. Poot

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2006

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's