Hoornbeeck weigert student
Zuinig op bijzonder onderwijs
Thomas Roest uit Veenendaal kreeg landelijke bekendheid, maar zal aan dit feit weinig vreugde beleven. Het reformatorische Hoornbeeck-college weigerde hem als student, wat leidde tot Kamervragen van D66, GroenLinks en de SP. De kwestie raakt daarmee niet alleen een verdeelde gereformeerde gezindte, maar bepaalt ook het beeld van reformatorische christenen in een seculariserende samenleving
Thomas Roest wilde dezer dagen beginnen aan de opleiding tot onderwijs-assistent. Na zijn jaren op het Veenendaalse Ichthus-college, een christelijke school op reformatorische grondslag, wilde hij zich in laten schrijven op het reformatorische Hoornbeeck-college. Zowel de identiteit van de school als de kwaliteit van het onderwijs spraken de leerling aan. Echter, hij werd afgewezen.
Het is duidelijk dat dit een bijzonder pijnlijke ervaring moet zijn. Meer dan enkele decennia geleden wordt de waarde van identiteitsgebonden onderwijs door jongeren en hun ouders gerelativeerd. Zij weten niet altijd meer van de strijd om het behoud van chrístelijk onderwijs, van de offers van velen bij de opbouw van scholen, van de ervaring van verhoring van gebeden enzovoort. De afstand tot en de kwaliteit van de school spelen bij de schoolkeuze van velen zeker zo sterk mee. ‘Waarom zou ik bijvoorbeeld in Ede naar de CHE gaan, als ik op de Hogeschool Zeeland ook terecht kan?’
Thomas, hervormd gemeentelid in Veenendaal, koos wél voor reformatorisch onderwijs, maar werd na het invullen van de vragenlijst en een gesprek met de toelatingscommissie afgewezen. Hopelijk zal deze ervaring geen blijvende schade voor zijn (geloofs)leven betekenen.
Naar de rechter
Het gebeurde is niet uitzonderlijk. Nieuw is echter dat de ouders van de jongen de afwijzing bij de Utrechtse rechtbank aanvochten. Het resultaat is bekend: de school mocht Thomas afwijzen. De rechter oordeelde dat de ouders niet voldoen aan een aantal punten van de identiteitsverklaring, die gezien wordt als een uitleg van de in de statuten neergelegde toelatingsnorm.
Het voordeel van de gang naar de rechter is dat er duidelijkheid geschapen is en er jurisprudentie is gevormd over het recht van een school om leerlingen toe te laten en af te wijzen op basis van zelf vastgestelde morele normen. Juist waar liberale politici voortdurend aan de poten van de vrijheid van bijzonder onderwijs zagen, is uitgesproken dat de school hierin een eigen statuut mag hanteren. Het nadeel is echter groter. Want als christenen die samen bij het Woord willen leven, elkaar voor de rechtbank ontmoeten, mag na een uitspraak geen van hen zich gelukkig prijzen. Interne onenigheid over de invulling van de inhoudelijke kant van het christelijk/reformatorisch onderwijs, verzwakt de positie naar de samenleving en schiet een nieuwe bres in een verdeelde gereformeerde gezindte. Het gebeurde zou voor de overheid zomaar aanleiding kunnen zijn in plaats van het bevoegd gezag de ouders meer en meer als drager inzake de vrijheid van onderwijs te gaan beschouwen – een tendens die zich onder de twee kabinetten-Kok al inzette.
Instemmen en respecteren
Duidelijk is geworden dat de ouders van de jongen instemmen met de grondslag van de school: de aanvaarding van het bindende gezag van Gods Woord, als verwoord in de Drie Formulieren van Enigheid. Daarnaast gaven zij aan alle regels van de school te respecteren. Agnes Kant, kamerlid van de Socialistische Partij, heeft inmiddels vragen gesteld of ouders wel afgewezen kunnen worden, omdat ze niet tegen medezeggenschap zijn en hun dochter wel eens een lange broek draagt. Dat is een Haagse discussie op een ander niveau dan de discussie van vorig jaar of de schepping een plaats mag houden in de eindtermen van het biologieonderwijs.
Het is niet voor het eerst dat de Tweede Kamer debatteert over het Hoornbeeck-college. In 1988 fuseerden drie afzonderlijke scholen van middelbaar beroepsonderwijs tot dit college, namelijk Trigland, à Brakel en Sara Nevius. In 1997 volgde een fusie met het Rotterdamse Plancius-college, dat jarenlang de hervormd-gereformeerde predikanten ds. P. Kolijn (voorzitter) en ds. P. van der Kraan als bestuursleden had. De overheid wilde in deze jaren dat het Hoornbeeck-college zou opgaan in een groter regionaal opleidingencentrum, waardoor het reformatorische karakter teloor zou gaan. Omdat een SGP-motie de steun van de PvdA kreeg, bleef het reformatorisch mbo behouden. De minister van onderwijs eiste wel dat de scholen in Amersfoort en Rotterdam zouden fuseren. Schept dit als een wonder ervaren feit voor gereformeerde belijders niet de verplichting tot onderlinge samenbinding?
Zeker onderscheid
Waar de grondslag van Hoornbeeck en Plancius naadloos overeenkwamen, zorgde het feit dat bepaalde regels in Amersfoort wat strikter gehanteerd werden dan in Rotterdam al spoedig voor onrust bij ouders, met name uit de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Bond. Het grijpt namelijk diep in gezinnen in als het ene kind op de Guido de Brès (tegenwoordig Wartburg College) wel toegelaten wordt, het andere kind op het Hoornbeeck geweigerd wordt. Reformatorische scholen hebben mijns inziens hierin samen een verantwoordelijkheid zich niet tegen elkaar te laten uitspelen, daarbij erkennend dat een zeker onderscheid in kleur vanwege de geschiedenis of de context van een school legitiem is.
Het was in die situatie dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond uit zorg voor de gezinnen en uit betrokkenheid bij daadwerkelijk bijbels onderwijs het gesprek met het Hoornbeeckbestuur zocht. Het feit dat onze delegatie bestond uit drie oudbestuursleden van de Guido de Brès resp. de Apeldoornse Fruytierscholengemeenschap (ir. L. van der Waal, ds. H. Russcher en ondergetekende) moge die betrokkenheid onderstrepen. Met elkaar constateerden we toen dat de interpretatie van de grondslag in een gebroken kerkelijke situatie een kwetsbaar criterium is. De gereformeerde religie gaat het niet om formele aanvaarding maar om ons hart en leven. De school verwoordde leerlingen af te wijzen als ouders in een toelatingsgesprek hun kerkelijke betrokkenheid onderstreepten met de opmerking dat de moeder van de leerling actief is als diaken. Wij brachten de verantwoordelijkheid voor leerlingen uit hervormd-gereformeerde gemeenten onder de aandacht. Het was goed elkaar te ontmoeten.
Vreemdelingschap
Het is niet zomaar dat de belijdenis van de Reformatie in de grondslag van scholen als ijkpunt gehanteerd wordt. Hier hebben we immers van doen met een accolade voor kerkelijke gemeenschap, die ook consequenties heeft voor de inrichting van ons persoonlijk leven. In de gebrokenheid van het kerkelijk leven – tien keer en meer gereformeerd – vinden we hier een gezamenlijke bron, die ons leidt naar het hart van het bijbels getuigenis, namelijk het werk van de drie-enige God in relatie tot het spreken over de mens.
Als schoolbesturen en ouders niet meer vanuit dit centrum denken, gaat het mis – en woekert de versplintering door in plaats van dat er eenheid ervaren wordt. Dan gaan we ook onverantwoord om met de ons nog gelaten vrijheid van onderwijs en het veel gekritiseerde artikel 23 van de grondwet, dat daarover handelt. Is daarom de vraag wat we voor dit en het toekomende leven voor onze kinderen begeren, niet essentiëler dan het vooral voeren van een gesprek over identiteitscriteria, die meer afgeleid zijn? Het gaat hier om het gaan van een bijbelse weg tussen verstarring en vervlakking. Bij het leven naar het Woord horen inderdaad de leefregels van het Koninkrijk van God, waarover Jezus in de Bergrede zoveel onderwijs gaf dat we er ons leven lang genoeg aan hebben. Het is goed dat een scholengemeenschap hiervoor aandacht blijft vragen, zonder dat de bestuurder zich de verantwoordelijkheid van de ambtsdragers aanmeet. Ten diepste gaat het om het beleven van de vreemdelingschap, om de gerichtheid op onze eeuwige toekomst en het van daaruit vervullen van onze opdracht op aarde.
Een gemeenschap dienen
Besturen van reformatorische scholen zullen meer dan voorheen moeten rekenen met het feit dat slechts de vreze des Heeren wapent tegen de culturele wind van vandaag. Het blijven afwijzen van televisie en ondertussen allerlei programma’s via de computer bekijken, gebeurt zo massaal dat een andere strategie nodig is in het beschermen van onze gezinnen tegen aanvallen van de boze. De bewarende kracht van de traditie die we mogen koesteren, mag tegelijk nooit betekenen dat we aan die traditie een onbijbelse betekenis geven. Dat hier een spanningsveld ligt, is duidelijk. Het mag ons doen bidden om de Heilige Geest, opdat we ontdekken waar het in onze godloze tijd werkelijk op aan komt in het onszelf en onze kinderen onbesmet bewaren van de wereld.
Het besturen van een school met de Bijbel betekent het dienen van een gemeenschap, opdat jongeren naar bijbelse normen voor het leven gevormd worden. Al te weinig zijn kerkenraden in de kring van de Gereformeerde Bond hierbij betrokken. De ervaring van Thomas Roest mag hiertoe een nieuwe aansporing zijn.
Uiteindelijk gaat het om het sámen bewaren van het ons toevertrouwde pand. Met de ouders neemt de school deel aan opvoeding en onderwijs. Cruciaal is en blijft het benoemingsbeleid van docenten, die in hun leven en lessen kunnen laten zien welke betekenis het Woord van God heeft. Daarna(ast) is de populatie leerlingen en studenten medebepalend voor de identiteit van de school. Maar daarvoor zal gelden, zo schrijft drs. I.A. Kole in de bundel Onthaast verwachten: ‘Wees niet al te rechtvaardig en niet al te barmhartig’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 2006
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's