God en de geschiedenis
Eerder dit jaar verscheen van de hand van dr. E.P. Meijering (tot 2001 lector in de theologiegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden en predikant in remonstrantse gemeenten) een boekje waarin hij zich keert tegen de laatste publicatie van Kuitert: Hetzelfde anders zien. Het christelijk geloof als verbeelding. Meijering geeft zijn boekje de titel mee: Wat verbeelden we ons wel? Overwegingen bij Harry Kuitert (uitg. Meinema).
Hij vindt dat bij Kuitert het geloof helemaal opgaat in medemenselijkheid. De kerkelijke verkondiging houdt zo geen boodschap meer over. Meijering stelt dat hij zich meer verwant voelt met hen die ‘God belijden zoals Hij zich in Jezus Christus openbaart, God die in ruimte en tijd handelt naar zijn welbehagen’.
Op die regel haakt dr. C.L. Patijn in in een brief die hij schreef aan de redactie van het blad in de Waagschaal (10 juni), die hem het boekje van Meijering had toegestuurd. Hij schrijft boven die brief God in de geschiedenis. Patijn is bijna zijn leven lang bezig geweest met internationaal recht. Hij was na de Tweede Wereldoorlog werkzaam op het ministerie van buitenlandse zaken en van daar uit bezig in de Verenigde Naties. Na het lezen van Meijerings boek heeft hij zich er over verwonderd dat deze zo makkelijk lijkt te schrijven over ‘God die in ruimte en tijd handelt’. Patijn schrijft in zijn leven vaak gezocht te hebben naar sporen van God in de geschiedenis. Hij denkt dan bijvoorbeeld aan ‘de periode waarin alles aan onze menselijke besturing is ontsnapt, de jaren voorafgaande aan de Eerste wereldoorlog, van 1900 tot 1914. Waar is de Heer der geschiedenis geweest in het proces van internationale ontbinding uitlopend op de gruwelijke oorlogen van de 20e eeuw?
Waar was God die in ruimte en tijd handelt en die ook in het ‘voorlaatste’ bij ons is? Het theologisch antwoord zal wel zijn dat met het oog van het verstand, en het beperkte menselijk bevattingsvermogen (Kant wist het al), Gods beleid voor ons verborgen is. En dat alleen het geloof verder kan zien, schouwen, hopen, verwachten, een ander patroon over de geschiedenis kan leggen. Maar hoe brengen wij nu verband aan tussen ons vertrouwen in Gods leiding en onze situatie in een wereld zonder religie? De terminologie ‘Heer der geschiedenis’ blijft raadselachtig voor gewone mensen.
De reactie van Meijering op de vragen van Patijn komt er op neer dat hij niet gelooft in ‘een Voorzienigheid’. God handelt eigenlijk pas echt aan het einde van de geschiedenis, als het Koninkrijk aanbreekt zoals Jezus dat ons in Zijn woorden en daden heeft laten zien. Eer het zover is, werkt God alleen in op de geest van ons mensen, om zo het kwaad van de wereld in te dammen. Maar dat is in wezen niet veel meer dan de bekende druppel op de gloeiende plaat van alles wat er in de wereld misgaat en nog zal misgaan.
In de aflevering van 22 juli van in de Waagschaal reageert dr. Wessel ten Boom onder het opschrift Lang leve de voorzienigheid. Hij is teleurgesteld in de reactie van Meijering en van anderen op de vraag van Patijn naar Gods handelen in de geschiedenis. Hij proeft in de verschillende reacties ‘de dogmatische verlegenheid over het teloorgaan van Gods hand’. De een zegt: ik geloof niet in ‘de Voorzienigheid’. De ander zegt:' Het tijdgebeuren is wel vol van God, maar het onttrekt zich aan onze ogen.'
Hoe sympathiek en adembenemend (en verschillend) deze geschiedenisconcepten ook mogen zijn, het is duidelijk dat zij lijden aan hetzelfde: zo vanzelfsprekend als het was in de dagen van Augustinus of Calvijn dat God de geschiedenis bestuurt, is het voor ons niet meer. Voor hen wás de geschiedenis eenvoudig de hand van God, al was het dan misschien eerder zijn linkerhand die tuchtigt en weer opricht, dan zijn laatste, rechterhand die voor eeuwig redt en waarin zijn genade voorgoed overwint. Terwijl dus onze ‘vaderen’ God nog overal in zijn schepping en zijn kerk niet definitief, maar wel ongebroken werkzaam wisten, staan wij met de mond vol tanden en vragen eerder, waar is God? Er lijkt zich, zeg sinds de aardbeving van Lissabon in 1755, een onheilspellende breuk te hebben voorgedaan tussen God en de geschiedenis. Is Hij niet de Verborgene geworden? Mag Kant daarvoor de theoretische onderbouwing leveren, Verdun en de Goelag Archipel vormen het tastbaar bewijs.
Ten Boom signaleert in de verschillende reacties de spanning tussen enerzijds het gegeven dat we van ‘een openlijk handelen van God in de geschiedenis niet meer willen weten’, maar anderzijds toch ook weer niet ‘de geschiedenis willen prijsgeven en haar willen blijven zien als Gods eigen koninklijk domein’. Hij proeft er een poging in om Kant met de God van Israël te verzoenen. Immanuël Kant stelde, eenvoudig gezegd, dat we over het bestaan van God via de rede nauwelijks meer met eigen zekerheid konden spreken.
Ik hoor in de Schrift over een God die werkelijk met heel zijn wezen heerst en ook beheerst; tot in zijn laatste vezels is Hij koning die regeert; Hij roept zijn volk tesaam, Hij zendt zijn troepen uit, Hij toornt tegen hen en verzoent zich met hen, Hij oordeelt en spreekt vrij. Hij komt als Vader, Hij komt als Zoon, Hij komt als Geest, en zo zet Hij de geschiedenis uit, zet haar naar zijn hand, en brengt haar tot zijn eindbestemming.
En in dat alles zijn wij meer dan overwinnaars. Natuurlijk, dit is van een haast ontroerende pre-kantiaanse simpelheid, die hooguit nog als beeldspraak wordt geduld. Maar wie zich voor deze beeldspraak schaamt, hoe wil die ooit het Koninkrijk der hemelen binnengaan? Natuurlijk weet ook de Schrift van Gods grondeloze verborgenheid maar deze verborgenheid, zo krijg je toch de indruk, is een oordeel over de mens, dat Hem nergens belet om in de tijd te komen en inderdaad zijn sporen uit te zetten.
Ten Boom vindt het beneden de maat van de Schrift om zo minimaal over God en de geschiedenis te spreken. ‘Is de geschiedenis ook werkelijk Zijn geschiedenis die Hij zó heeft gewild en, hoe dan ook, tot een heerlijk einde brengt? Door alle hoogten en diepten kent de Schrift mijns inziens wel een onbelemmerde soevereiniteit van God in de tijd, en ik buig mijn hoofd er graag voor. Ik zou niet weten hoe je de 20e eeuw ooit anders kunt verwerken dan dat zij er was, horribele dictu, tot de eer van God. Maar ja, welke geschiedenis bedoelen we eigenlijk?’, aldus Ten Boom.
De vraag naar de sporen van God in de geschiedenis is de vraag naar het lijden van de mensheid. Ik zou eigenlijk zachtjes willen pleiten voor een voorlopig moratorium op deze vraag, want het is een vraag zonder einde, die, als je hem werkelijk stelt, alle grond onder je voeten wegslaat. Is er iemand van ons, die deze vraag werkelijk zuiver kan stellen? Wie vraagt naar het waarom van het lijden, vraagt naar het waarom van God. En die vraag kan niemand zonder kleerscheuren stellen. Inderdaad: de vraag is onontkoombaar, maar het is de gevaarlijkste vraag die er is. Alleen wie als Job met heel zijn ziel en lichaam de leerschool van Gods voorzienigheid heeft doorlopen, kan wellicht een blik werpen in deze openbaring. En of het antwoord dan voldoet? Wenen en weeklagen, je hoofd voor de Here buigen en hem dan weer oprichten, is misschien het enige antwoord dat er is. Totdat wij zingen om zijn troon.
Ik pleit daarom, na alle gruwelen van de 20e eeuw, dringend voor een herstel van de locus van de voorzienigheid. Alleen wie God overal werkzaam ziet en zich aan Hem toevertrouwd in zijn leven en zijn sterven, zal Hem ook als de Heer van de geschiedenis kunnen belijden, als de Heer die doodt én levend maakt. Deze Heer is het vlees en gebeente van de Schrift die ons ervoor behoedt vanuit de eeuwigheid te gaan speculeren over het wezen van de tijd.
Alleen wie deze tijd werkelijk aanvaardt als Gods geschiedenis kan naar Hem vragen. Alleen wie de linkerhand van God aanvaardt als zijn terechte hand, zal mogen roepen om zijn rechterhand. En dan denk ik dat de geschiedenis vanzelf wat naar de achtergrond verdwijnt en kom je als Job persoonlijk te staan voor God en de vraag hoe je zijn Koninkrijk binnenkomt.
Deze poging tot een antwoord op de diepgaande vragen die hier liggen, heeft mij diep getroffen. Wie wel eens bezig is met de recente geschiedenis en dat probeert te doen vanuit een bijbelse levensvisie, herkent niet de vragen die in dit boeiende gesprek naar boven zijn gekomen? Zoveel onvoorstelbare gruwelen als er zijn gepleegd, zoveel onrecht en wreedheid, zoveel onschuldig vergoten bloed dat als dat van Abel van de aarde roept naar omhoog, wat moeten we ermee? Wat dr. Wessel ten Boom hier aanreikt, kan helpen om tot een voorzichtig aftasten te komen van de talloze raadsels die ons omringen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's