Als mens tussen de machten
Een andere wereld, een ander christendom?
De CSFR denkt rond haar 55-jarig bestaan na over de secularisatie, de opkomst van nieuwe religiositeit, de invloed van de islam, het vermeende einde van de moderniteit en veranderingen binnen de christelijke theologie. In De Waarheidsvriend vandaag een ingekorte versie van het hoofdstuk dat prof. H.W. de Knijff in de jubileumbundel schreef. Hij gaat in op de invloed op geloof en theologie van de radicale verandering van onze maatschappelijke en culturele leefwereld.
Een andere wereld, een ander christendom?
In vijftig jaar tijd is het panorama van ons geestelijk landschap tot in alle uithoeken veranderd. Hoe moeten wij verder, als zoveel van wat wij als elementair voor het mens-zijn beschouw(d)en, eenvoudigweg verdwenen blijkt te zijn en in toenemende mate verder verdwijnt? Als men de veranderingen gaat opsommen, lijkt deze omwenteling een omvang te hebben zoals nog niet eerder in de geschiedenis is voorgekomen.
Hoe zullen wij aan deze ontwikkeling een naam geven die alle verschijnselen globaal samenvat? Ik kies de term ‘neutralisme’ en bedoel daarmee de situatie van de eenzame mens te midden van de hem totaal beheersende machten. Deze machten zijn neutraal, ja zij vormen het summum van neutraliteit. Daartegenover staat het ‘ik’ als subject: het ‘subjectieve’ is categorisch het minst neutrale dat in de wereld bestaat. Dat deze neutrale machten in hoge mate de regie in dit subject overgenomen hebben, betekent dat het karakter van keuze is verdwenen of minimaal is geworden.
Kerkelijke en theologische situatie rond 1950
Al zijn tal van veranderingen sinds de Verlichting onderwerp van strijd en debat geweest, de kracht van het onweer dat kwam aandrijven heeft men zwaar onderschat. De geestelijke ‘weersomstandigheden’ waren na de Tweede Wereldoorlog dan ook tamelijk zonnig. Men had het idee dat er iets op te bouwen viel.
Deze constellatie na de Tweede Wereldoorlog verbond twee aspecten: ‘belijden’ en ‘Verdiesseitigung’ (de eenzijdige nadruk op het aardse leven hier en nu). Ik probeer de ligging van deze periode met een term aan te geven. Ik zou haar ‘decisionistisch’ willen noemen. Door de dreigende overwinning van het nationaal-socialisme en de daaruit voortgekomen wereldoorlog kwam het op beslissen aan. Het was voor kerk en christen volkomen duidelijk waar zij hadden te staan, het ging om ‘voor’ of ‘tegen’, verzet tegen of onderwerping aan het nieuwe heidendom.
Dit geestelijk klimaat heeft theologie en kerk jarenlang in zijn greep gehouden en daardoor is verborgen gebleven dat de Europese maatschappij inwendig reeds zover geseculariseerd was dat het decisionistische kleed in enkele decennia totaal verviel. De vooroorlogse verhoudingen, die gecontinueerd werden, waren van binnenuit wormstekig geworden. Het is vooral de ‘moderne’ maatschappij, het is vooral het genoemde ‘neutralisme’, dat parallel met dit verval als een vloedgolf over het geestelijk landschap is gegaan.
Kerk en wereld na 1950
De hervormde kerkorde van 1951 draagt op indrukwekkende wijze het stempel van het op vernieuwing gerichte naoorlogse denken. Het denken zocht bewust naar doorbreking van de overgeërfde verhoudingen en bezat daarvoor ook ideeën en concepten. Kortom: het ging ervan uit dat er iets te kiezen viel. De synode steggelde bij herhaling over de vraag of de nieuwe aanwezigheid van de kerk in het volksleven kerstening of herkerstening moest heten.
De vergissing die de kerk maakte, was niet in deze (presentie)opzet gelegen, maar in de veronderstelling dat in de maatschappij nog een soort humanistische congenialiteit met het christendom aanwezig was en dat bijvoorbeeld in ethisch opzicht aan iedereen ‘van goede wil’ haar boodschap duidelijk te maken viel. Dat is grotendeels een illusie gebleken. Niet door een maatschappelijke storm, maar als door een sluipend virus is de visie van 1951 op de verhouding van kerk en wereld gesloopt.
Nederland en de secularisatie
Na 1970 worstelt de kerk in toenemende mate met de secularisatie. Kon men die in de jaren vijftig nog welgemoed onder ogen zien en als een noodzakelijke bevrijding van een achterhaald en bedenkelijk corpus christianum beschouwen, nu wordt in toenemende mate duidelijk dat het ‘secularisme’ ook de kerk en de gelovige zelf raakt.
De vraag wordt nogal eens gesteld, waarom Nederland terzake van de secularisatie voorop lijkt te lopen. Het zou een aparte en nog niet zo eenvoudige studie verlangen om hier antwoord op te geven. Tegenover het buitenland valt ons gebrek aan kerkelijke eenheid op, onze splitsingsgeest. Ik houd het erop dat dit een niet geringe rol speelt. Voorts: terzake van de verhouding tussen ‘christelijk’ en ‘neutraal’ heeft onze geschiedenis een eigensoortig confronterend karakter. Ik weet het antwoord niet, maar het heeft te maken met historisch besef en een opvallende ongeïnteresseerdheid ten aanzien van wat een ander bezighoudt. Wij zijn gauw tevreden met gemakkelijke en goedkope oplossingen. De Nederlander is ook buitengewoon gevoelig voor nieuwe modes en trends, het is een soort kuddegeest. In onze termen vertaald: het neutralisme heeft het in Nederland gemakkelijker dan elders; gemakkelijker komt het tot een dictatuur van collectieve vanzelfsprekendheden. En daar is de Nederlandse houding tegenover kerk en christendom er een van. Het vreemde van de vaderlandse geestesgesteldheid wordt ook opvallend zichtbaar in de platte afwijzing van kerk en christendom. Het geeft aan het zo insnijdende verschijnsel van de secularisatie een bittere en uitzichtloze trek.
De theologie na 1950
De overheersende tendens in de theologie van de tweede helft van de twintigste eeuw kan men aanduiden als: het einde van de metafysica. Hierin speelde ongetwijfeld een legitieme afkeer van grote theologische systemen en het intellectualisme in geloofszaken een rol. De beslissende categorie waaronder men de christelijke openbaring aan de orde meende te moeten stellen, werd nu die van de ontmoeting.
Ik sprak boven van ‘Verdiesseitigung’ als hoofdkenmerk van de theologie kort na de oorlog. Deze trek wordt na 1960 in toenemende mate zichtbaar als nadruk op de politiek-sociale opdracht van de kerk. Christelijk geloof begon sterk te lijken op godsdienstig humanisme. ‘God heeft geen andere handen dan de onze’ – ik denk dat menig predikant zich niet realiseert welk een troosteloze boodschap hij daarmee brengt.
Was het Getuigenis van 1971 een waarschuwing? Deze bezwaarden hebben het probleem onderkend, maar namen toch hun opponenten te licht; tegenover het ene exclusivisme kwam hier het andere te staan. Was men dichter bij Karl Barth gebleven, dan zou zichtbaar gebleven zijn dat de boodschap van de verzoening in Jezus Christus niet tegenover de strijd om aardse gerechtigheid staat, maar hierin opgenomen is. De zo-even genoemde afkeer van de metafysica ligt ook ten grondslag aan een andere verschuiving, namelijk die van denken naar ervaren, van begrip naar gevoel. Het ontmoetingsdenken zocht naar een nieuw, aan de mens georiënteerd denken. Ervaring werd het toverwoord in en buiten de theologie. De praktische theologie veroverde hele velden van menswetenschap. In tal van opzichten werden praktische theologen trainers en therapeuten. De theologische ‘waarheidsvinding’ krijgt een verhalend karakter, dat zet zijn stempel op prediking en liturgie. De kerkdienst krijgt een evenementesk karakter, de liturgische attitude verdwijnt. Het is allemaal ervaring, ervaring, ervaring. Deze nieuwe religiositeit is niet zonder meer als negatief te beschouwen. Maar het staat voor het grootste deel ver af van de boodschap van het evangelie.
De uitdaging
Waar ligt voor kerk en theologie de uitdaging van vandaag? Als onze analyse van het neutralisme juist is, zal het er om gaan de denk- (en gevoels)dressaten van ons huidige mens-zijn te doorbreken. Wij moeten leren de geest, de persoonlijke levenskeuze en daarmee onze eigenheid te herwinnen.
Als eerste adagium zou ik zeggen: exegese, exegese en nogmaals exegese! Men moet de Bijbel goed lezen. Voor de prediker geldt voorts: theologie, theologie, theologie! De theologie omvat veel, dus hij moet zich voor veel interesseren en niet alleen voor praktische gelegenheidsgeschriftjes of modieuze stokpaardjes.
Het komt mij voor dat in het huidig tijdsgewricht een bijzondere taak is weggelegd voor de theologie die uitgaat van de in de kerkorde van 1951 gestelde ‘dankbare verbondenheid met de belijdenis’. Het gaat niet om letterknechterij (de medische weg is beter dan de juridische), maar de belijdenis van de kerk omschrijft, hoe tijdgebonden ook, het erfgoed van de centrale zaken van het christelijk geloof. In het gereformeerde belijden zijn enige specifieke schatten verborgen die te maken hebben met een eigensoortige nadruk op het aardse leven als geschapen werkelijkheid onder de tucht van de eeuwigheid.
Het komt mij voor dat een scheutje ‘katholisering’ geen kwaad zou kunnen. De moderne mens is op zoek naar ritualisering, omdat veel van de oude vormen zijn weggevallen. De karigheid van onze kerkelijke vormen maakt het hem wel erg gemakkelijk allerlei zelfbedachte rituelen te introduceren. Daarvoor bestaan in de traditie betere alternatieven. Rouw- en trouwdiensten zouden meer aan kerkelijk-liturgisch voorschrift moeten worden gebonden. En met de sacramenten zijn wij wel heel hardhandig omgegaan. Waarom zijn onze kerken in de week dicht? Wat de prediking aangaat, misschien moet die wel over de hele linie een beetje veranderen. De Bijbel is verder van ons af komen te staan. Vanuit ons moderne menszijn hebben wij meer moeite om dichter bij de tekst te komen. Daar hoeft men in de preek niet omheen te draaien. Maar dat houdt dan tevens in dat onze situatie krachtig en duidelijk wordt benoemd. Laat het maar duidelijk worden hoe wij er aan toe zijn. Maar het Woord zal dan ook wel licht werpen. De mens wordt dan wel geanalyseerd. Onze denkdressaten moeten aan het daglicht komen. Het zou dan ook ongegeneerd over onze politieke, maatschappelijke, consumentistische, hedonistische ideeën kunnen gaan. Noordmans schijnt eens tegenover het verwijt van (schijnbare) wereldvreemdheid van 25 jaar prediking in Laren gezegd te hebben: ik heb misschien niet zo eclatant modern gepreekt, maar ik heb in al die jaren misschien toch uw natuurlijk denken langzaam uitgehold. De lezer zal misschien zeggen: hebben de praktische theologen dan toch gelijk, als zij beweren dat hun discipline de omvattende noemer vormt voor de theologie als zodanig? Misschien wel, mits ... jawel, mits zij ten volle theologie is.
De bundel Strijdbaar of lijdzaam wordt DV op maandagavond 9 oktober in Den Haag gepresenteerd, met onder andere bijdragen van oud-minister P.H. Donner en dr. B. Plaisier. De bundel verschijnt onder redactie van Gijsbert van den Brink en Elco van Burg bij uitg. Jongbloed, Heerenveen en telt 378 blz. Voor meer informatie: www.csfr.nl/lustrum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's