Grepen uit het (geloofs)leven
Psalmen als voluit nieuwtestamentische liederen
Wanneer wij zondags in de kerkdienst of misschien ook wel eens midden in de nacht, als we niet slapen kunnen, een psalm zingen, zijn we er ons vaak amper van bewust dat we dan een lied zingen, dat door duizenden monden voor ons reeds is gezongen. Het psalmboek is één van de oudste liedboeken ter wereld.
Door een Godswonder zijn heel wat liederen van het volk van God, Israël, door de eeuwen heen voor ons bewaard. Israëls God heeft erover gewaakt. Hij heeft ze gelegd op de bodem van het hart. Van Joden en heidenen. Zo hebben ook wij reeds als kind die heilige en mooie liederen leren spellen, op de zondagsschool, op moeders schoot. ‘Psalmen die lief'lijk zijn en harten treffen’. Ze hebben uitkomst geboden op kraambedden. Ze hebben vrede gesticht op sterfbedden. ‘Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist’re dalen, in doodsgevaar bekommerd om moest dwalen’ (Ps.23:2 ber.).
In de erediensten
Nu moet niemand natuurlijk beweren dat er naast de psalmen niet ook vele bijbelse, troostrijke liederen zijn, waardoor het hart van Gods kinderen wordt opgewekt. Vrije liederen zijn er altijd geweest. Ook in de dagen van Jezus, bijvoorbeeld in de Qumran-gemeente. Maar de Psalmen hebben toch altijd iets eigensoortigs gehad. Zij krijgen bij mij heel beslist voorrang. Het exclusief vasthouden aan het zingen van de psalmen in onze erediensten is voor mij helemaal geen toonbeeld van een benedenmaats christendom, dat bijvoorbeeld niet nieuwtestamentisch is of zo iets.
Hoe ik als christen de psalmen beleef ?
- In de eerste plaats: in de psalmen ben ik zeker bezig God Zijn eigen Woord toe te zingen (Calvijn). Als Calvijn op zondag niet preekte uit het Nieuwe Testament, preekte hij uit de psalmen. Luther noemde het psalmboek ‘een kleine biblia en een kort begrip van beide de Testamenten’. Daar ziet men alle heiligen in het hart. Augustinus noemde de psalmbundel: ‘de ene stem van de gehele kerk’.
Israëls God ontlokte door Zijn Geest lang geleden de psalmen aan het hart van de vromen. Zij zongen ze bij het snarenspel van een tiensnarig instrument. En zo gaf Hij ze een plaats in Zijn Woord. Zo zingt Gods Geest ook mij troost en moed in. ‘O mijn ziel, wat buigt g’ u neder. Maar Gods goedheid zal uw druk eens verwiss’len in geluk’ (Ps.42:3 ber.).
- In de tweede plaats verbinden de psalmen mij met Israël. Daarom zijn ze mij ook zeer lief. De psalmen zijn liederen van individuele gelovigen. Ze zingen vaak in de ikvorm. Maar ze zijn vooral de liederen van Israëls gemeente. Van joodse pelgrims. Van de eredienst in de tempel. Het psalmboek is het zangboek van de tempel en het leesboek van de synagoge. Israël is een zanglustig volk. In het psalmboek zijn we welhaast als in het Heilige der heiligen. Onmiddellijk voor God, Israëls God. De psalmen zijn ook zo oud als Israël oud is. Gods liefde tot dit volk en ook mijn liefde tot dit volk is daarin verwoord. Vooral door het lied voel ik mij met Israël verbonden. Ook als ik in gedachten die kinderen hoor zingen die door de SS’ers in de laatste wereldoorlog werden doodgeschoten aan de rand van hun grafkuil waar zij al zingend heengingen: ‘Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen ...’ (Ps.23:4). Daar was ook een kleine Rachel bij: in de armen van prof. Langer. Het gebeurde in november 1941 in Kameneck- Podolsk (Polen).
God van de geschiedenis
- In de derde plaats zijn de psalmen mij lief, omdat ik daarin de God van Israël ontmoet. De God van Jakobs zaad. Ook voor mij een burcht en toeverlaat. Ik wens geen andere God te kennen. Niet de god van het Germaanse ras, bloed en bodem, van een soort voorzienigheid die uitvoert wat ik wil. Niet de beestachtige god van het moderne mensdom dat alles heeft staan op de noemer van seks, genot, geld, macht en getal, van de zichzelf ontwikkelende, autonome mens. De God van de psalmen is de God van de geschiedenis. De God Die een arm en ellendig volk tot Zijn eigendom maakte; Die het uit Egypte verloste; Die Zijn vleugels erover uitbreidde en riep: ‘Leef, ja, leef' (Ez.16:lvv.). ‘Hoor. Israël de Heere onze God is een enig Heere’ (Deut.6:4).
Egyptenaren en Babyloniërs hebben ook oude psalmen. Maar nergens op heel de aardbodem zijn er ooit psalmen geweest als die van Israël. Die zingen van een God die Zich historisch waarmaakt in Zijn ontferming over een arm en verloren volk. In de psalmen spreekt deze God. ‘In de psalmen is Gods hart wijd open’ (Joh. de Groot). Om die God van Israël en van de psalmen te (leren) kennen, behoef ik niet een reis naar Israël te maken. Maar als ik in Israël ben, bloeien de psalmen wel voor mij machtig open. ‘Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid’ (Ps. 125:2). De God van Israël heeft in de weg van Godservaringen Zijn heilsopenbaring in de psalmen neergelegd.
God van mijn betrouwen
- In de vierde plaats heb ik de psalmen lief, omdat deze God van Israël ook de God van mijn betrouwen mag zijn. Dat is een dubbel wonder. Want Hij is Israëls God. En wat voor recht heb ik eigenlijk om met Israël mee te zingen: ‘Want deze God is onze God ...?’ (Ps.48:15). Ik ben een pure heiden. En Israëls God is een heilige God. Hij kan het niet hebben dat enig schepsel met Zijn wet overhoop ligt. Rondom de God van de psalmen stormt het als nergens anders. In de psalmen buigt zich een volk schuldverslagen voor God neer. ‘Schep mij een rein hart, o God en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest’ (Ps.51:12).
Daar zijn de boetepsalmen, nameloos diep. Augustinus liet de wanden van zijn sterfkamer beplakken met teksten uit deze boetepsalmen. Is het dan geen dubbel wonder dat deze God nochtans onze God kan en wil zijn?! In de psalmen is er de ontzagwekkende afstand tussen God en mij. En toch ... In het geloof heet God de God van mijn betrouwen. Ik wens op geen andere God te hopen. ‘Looft de Heere, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën’ (Ps.117:l). Rabbi Schimeon (+ 220) heeft eens gezegd dat in deze psalm heidenen de volken zijn die Israël geknecht hebben en natiën: natiën die Israël niet geknecht hebben. En hij voegde eraan toe dat als de volken die Israël geknecht hebben, God loven, de natiën die Israël niet geknecht hebben, dat zeker wel mogen doen. In de psalmen straalt ‘de majesteit van onze lieve God’ (Calvijn) het heidendom tegen.
'Heer, wat goôn de heid' nen roemen, niemand is bij U te noemen; daden als Uw grote daân, treft men nergens elders aan.' (Ps.86:4 ber).
Christus-psalmen
- In de vijfde plaats zijn de psalmen mij zo lief, omdat ze op de lippen van Jezus Christus zijn geweest. Hij heeft Psalm 116 gezongen (het Hallel; Ps.113-118). ‘En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de olijfberg’ (Matth. 26:31). ‘God heb ik lief ...; Ik lag gekneld in banden van de dood.’ De psalmen zijn Christus-psalmen. Hij nam de bange klacht van de dichter van Psalm 22 over aan het kruis: ‘Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij Mij?' (Ps. 22:1 ber.). Wat Israël meemaakte, dat heeft Hij tot op de bodem gepeild.
Daarom zei Jezus tot Zijn discipelen: ‘Het moest alles vervuld worden wat van Mij geschreven is in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen' (Luk.24:44). Ook de eerste christenen hebben de psalmen gezongen met het oog op Jezus Christus.
Zo zijn de psalmen voluit nieuwtestamentische liederen. Ik hoor er de stem van mijn Meester in. Hij treedt mij daarin tegemoet als de Israëliet Die in de nood en dood van het Jodendom en van mij is begraven en die er plaatsvervangend in omkwam. Maar die ook is opgestaan. En die zo en daarom de Koning van Israël is. De Messias. De meerdere Salomo. 'Zo zal Hij al uw volk beheren, rechtvaardig, wijs en zacht.' (Ps.72:1 ber.)
God openbaart Zijn Koningschap onder Israël, ja tot aan de einden der aarde in Hem, de Vredevorst. En als ik de psalmen zing, samen met het Joodse volk, dan zou ik maar het liefst mijn arm om de schouder van dit mijn broedervolk slaan en zeggen: ‘Hoor, Israël, hoor, hoe uw enige God Zijn Kind, Een van uw zonen, uw Messias de lofzang voor uw oren doet klinken.’ Samen spreken over Jezus van Nazareth, gaat vaak moeilijk. Moeten wij misschien vooral samen zingen?
Praktijk van godzaligheid
- In de laatste plaats klinken mij Israëls psalmen ‘als muziek’ in de oren, omdat zij vol zijn van diepe geloofsbeleving en tegelijk van een daadwerkelijke praktijk van godzaligheid. Het zijn grepen uit het volle (geloofs)leven. Ik denk nog even terug aan prof. Langer met de kleine Rachel in zijn armen vlak voor het moment waarop zij de dood werd ingejaagd. ‘Al ging ik ook door een dal vol donkere doodsschaduw.’ En als ik dat zing, kan ik het niet laten om me weer opnieuw in te leven, wat wij als ouders doorleefden, toen wij een van onze kinderen wegbrachten voor een levensgevaarlijke hartoperatie naar een ziekenhuis. Dat was natuurlijk niet te vergelijken met wat Rachel overkwam. Zij kwam niet door dat dal heen. Ons kind wel. Toch begrepen we er iets van, hoe donker zo’n dal kan zijn. En toen is toch Psalm 23 ook voor ons en voor ons kind een onsterfelijke psalm geworden. Een dal vol donkere doodsschaduw. Ja, maar waar schaduwen vallen, daar is ook licht. De dood staat daar te loeren aan de kant van de weg. Maar achter hem staat de Dood-overwinnaar Jezus Christus die alle machten de baas is geworden. Van Hem zing ik, als ik Psalm 23 zing. ‘De Heere is mijn Herder'. De goede Herder. En als ik samen met het Joodse volk deze psalm zing, is er een gebed in mijn hart voor al die Joodse meisjes en jongens die net als mijn kinderen de psalmen uit hun hoofd leren. ‘Samen zingen’, zei Luther, ‘jaagt de duivel op de vlucht’.
Heiliging van Gods Naam
De psalmen zijn vol van Christus Jezus. En ze zijn vol van praktijk van godzaligheid, van de heilige wet van God. Psalm1: ‘Welzalig hij die in der bozen raad niet wandelt.’ Psalm 119: ‘Welzalig die bij dagen en bij nachten Gods wil bepeinst en Hem als het hoogste goed van harte zoekt met ingespannen krachten’. De Joden vatten de psalmbundel op ‘als een soort echo op de door hen boven alle andere geschriften gestelde boeken van Mozes' (Joh. de Groot). Als wij de psalmen zingen, mag de hartstocht voor de heiliging van Gods Naam op heel de aarde ons wel bezielen. ‘Ik heb lust, o mijn God om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van mijn ingewand’ (Ps.40:9).
Psalmen zijn boetepsalmen. Het zijn Christus-liederen. Hij is in mijn plaats verteerd door de ijver voor Gods wet. Zij hebben een geweldige meerwaarde, die Christus-liederen. Maar ze leggen tevens een heilige hartstocht op de bodem van mijn hart. Leven naar Gods bevelen, vreugde over de wet. En – God geve het – zo Israël jaloers maken. Omdat christenen niet slechts met de schoonste galmen Gods weldaden uitroepen. Maar ook in hun dagelijkse handel en wandel blijken mensen te zijn die slechts één hartstocht hebben:
‘k Zal Uw geboôn die ik oprecht bemin,
mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten.
Ik reken die mijn allergrootst gewin;
ik grijp ernaar en zal er heil uit wachten,
ik heb ze lief en zal met hart en zin,
Al ’t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten. (Ps.119:24 ber.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's