Atheïstische schrijvers lezen
OMGAAN MET LITERATUUR [ 4 ]
Wat is het belang van moderne (roman)literatuur voor leidinggevenden in de gemeenten, met name predikanten? Kennisname van die literatuur moet als een taak opgevat worden. De verkondiging van het Woord van God in (en ook door) de gemeente vindt immers plaats met het oog op de komst van het Koninkrijk Gods in deze wereld.
Wanneer we op een relevante wijze de taal van het evangelie willen doorvertalen in en naar de wereld, zullen we naast de taal van God ook de taal van deze wereld moeten verstaan. In principe is dat al mogelijk, omdat God Zijn openbaring heeft gegeven in mensenwoorden. K.H. Miskotte noemt derhalve elke taal zelfs indirect ‘gewijd’. Taal is een macht die het leven van mensen kan veranderen.
Daarom moet het bij ons taalbesef behoren dat de taal naar zijn aard een scheppingsmedium is. God doet zich kénnen in woorden. En het Woord werd vlees! Bij name genoemd in het Woord dat vlees is, onze Heere Jezus Christus. Leidinggevenden in de gemeente zullen echter iedere vorm van verbalisme moeten vermijden! In dat geval zijn de woorden niet doorademd van het Woord van God, maar dienen slechts tot meerdere glorie van ons religieuze zelf – zonder Gods genade. Terwijl we geroepen zijn! Namelijk tot het uitzeggen en het uitleggen van de woorden van God tot stichting van de gemeente en tot uitbreiding van het Koninkrijk van God. Alleen dán komt God aan het Woord, in en met Zijn Woord.
Tegelijkertijd betekent dit als onze woorden afgestemd zijn op het Woord van God, deze ook ‘vlees’ zullen worden in de woorden en in het taaleigen van deze tijd en in de huidige cultuur. Anders gezegd, ons theologisch denken zal per definitie contextueel bepaald zijn. Verbonden met de Bijbel en terwijl het binding houdt met de christelijke traditie. De crisis van de huidige cultuur zal onmogelijk buiten ons om kunnen gaan.
We dienen te weten wat de mens vandaag, in de kerk en buiten de kerk, bezielt en niet bezielt. En hoe hij daar woorden aan geeft. In welke taalvelden dit alles tot uitdrukking wordt gebracht. In onze pastorale benadering gaat het onder meer om nabijheid in de taal, en in de geest van degene die wij benaderen – overeenkomstig zijn situatie, waardoor iemand zich opgenomen en meegenomen kan weten in een beweging die kennelijk niet van hemzelf uitging, maar die naar hem toekwam en hem meenam.
Zelfkennis
Daarom is het van het allergrootste belang dat we onszelf (her)kennen in de ‘godlozen’ en de goddelozen (Romeinen 3!), ook van vandaag. Volgens Calvijns onvolprezen Institutie is Godskennis, bijbels gezien, altijd op het nauwst verbonden met zelfkennis. Alleen zó is het mogelijk ‘hart’-grondig en diepborend onze medemens te kennen. En daarom geldt: wie tijdloos en cultuurloos preekt, preekt niet! Dan stichten we alleen onszelf, dat wil zeggen op een heel onstichtelijke manier. Dit laatste is vooral bedoeld met het oog op de gemeente van deze tijd en in deze wereld.
Wie het evangelie vandaag wil overdragen, staat voor de gigantische opdracht zowel de eigentijdse mens te kennen in zijn gemeente alsook die daarbuiten. Die eigentijdse mens zit nu eenmaal vandaag de dag ook in de kerk, al is hij wellicht als zódanig nauwelijks herkenbaar (vanwege een dikke beschermende laag traditie). Maar de evangelie-overdracht zal er doorheen moeten stoten, teneinde die eigenlijke mens ook maar te kúnnen bereiken. Dit kan alleen met eigentijdse taal. Want achter en in de eigentijdse taal zelf zit de eigentijdse mens. Laten we om Godswil ons in dezen niet gemakkelijk vergissen. Uiteraard houdt deze betrokkenheid op God en op de mensen van de huidige tijd een grondige kennis van het dominerende levensgevoel in. Dat komt ons echter niet zo maar aanwaaien, of het moest zijn door de wind van de Heilige Geest die vanuit de Heilige Schrift de eeuwen overspant. Let wel: sinds de Verlichtingsrevolutie in de achttiende eeuw, met haar primaat op de allesverklarende rede, zijn nu ook de prediker, de pastoraal werker en de catecheet geheel en al opgenomen in die ‘los-van-God-beweging’. Laat niemand zich dienaangaande ook maar iets verbeelden, al zouden we ons willen verschuilen achter de vijgenbladeren van een gedegen geregen eigengemaakte godsdienst. De postmoderne mens in en buiten de kerk prikt daar zomaar doorheen, laat staan eenmaal God.
Eigentijds levensgevoel
Eigentijdse moderne literatuur – hoewel doorgaans niet stichtelijk – staat ons ten dienste om indringend en diepgaand kennis te nemen van het hierboven genoemde eigentijdse levensgevoel. Niemand mag daarvoor wegkruipen (dát zou pas een onstichtelijke of zelfs gevaarlijke bezigheid zijn!). Dan kennen we onszelf niet. En dan communiceren we dus niet. Zoals Jezus wél deed met de tollenaren en zondaren van Zijn tijd. En hoe zal dan de evangelieoverdracht nog wezenlijk kunnen plaatsvinden?!
Volgende week in deze reeks deel 5: Zoeken naar zingeving in niet-christelijke literatuur.
Iemand als Miskotte ging door deze ‘nood’ heel diep heen. Kennisname van de kunst en de cultuur van zijn tijd werd voor hem onontbeerlijk met het oog op de verkondiging van het evangelie.
Kunst en cultuur verwoorden iets van het menselijk tekort naar zijn inzicht. En juist zó geven zij stem aan een verlangen naar de vervulling van het mens-zijn. Dieper dan welke andere theoloog ook na de Tweede Wereldoorlog zag hij dat romans, verhalen en poëzie impliciet en onbewust verwijzen naar de vervulling van de onrust en het gemis die het mens-zijn door alle eeuwen heen zo heel wezenlijk kenmerken. Augustinus maakte het al tot zijn belijdenis: ‘Ons hart is onrustig in ons tot het rust vindt in U, o God!’
In het licht van de Bijbel geeft de moderne literatuur ons inzicht in deze chronische onrust van het mensenhart. Het afwijzen van God is tegelijk een schreeuw naar de afwezige God. Dit kwellend besef van Gods afwezigheid staat voor Miskotte zelfs veel dichter bij het bijbelse besef van Gods vérborgenheid dan de heidense hang naar géborgenheid (feitelijk in de natuur of in een heldendom van bloed en bodem). Als we dit zouden moeten toepassen op onszelf, zou veel ‘buitenkant-godsdienst’ ten diepste wel eens zo’n heidense hang naar geborgenheid kunnen zijn. Wellicht onder de dekmantel van een wetticistisch leven en onder de hang naar allerlei goden van vlees en bloed, die we zelf geschapen en gecultiveerd hebben, ja op eigen bodem. In de moderne literatuur is de afwezigheid van God vaak zo indringend aan de orde en de wanhoop soms zo voelbaar aanwezig dat de veronderstelling dat het daarin ten diepste gaat om een schreeuw naar Gods aanwezigheid (of een verlangen daarnaar) gerechtvaardigd is.
Negatief toch positief
Als voorbeeld hiervan zou ik graag willen noemen de intrigerende roman van Kafka, getiteld Het Proces. Het boek is een adembenemende tekening van een warrige en hopeloos verwarde wereld. Er blijkt een wezenlijk en doorlopend manco te zijn. De auteur vult dit niet in. Maar het zou wel eens om één groot twistgeding met God kunnen gaan.
Het is alweer Miskotte die Gods afwezigheid hier een ‘positief negativum’ noemt. Hij bedoelt daarmee te zeggen dat het uiterst negatieve zelfbeeld van mens en wereld ten diepste fungeert als een positieve schreeuw naar God. Mogelijk zou God immers nog eens ‘ten tonele’ kunnen verschijnen.
De moderne literatuur ook van onze tijd kunnen wij op een dergelijke manier lezen met een groot stuk herkenning. In het licht van de Bijbel houdt zij ons een spiegel voor. En dan zien we pas wie wij eigenlijk zijn. Kerkmensen weliswaar, maar tegelijk helemaal mensen van deze tijd. Misschien meer dan wij voor mogelijk hielden. En tegelijk zien we in de spiegel van de moderne literatuur de weerspiegeling van de vragen die vandaag kennelijk brandend actueel zijn. Zo leren we scherp zien wat er eigenlijk gaande is, niet alleen om ons heen maar ook wat ons ten diepste zelf beroert als mensen van deze tijd. Wie is er vandaag de dag nog immuun voor het besef van zinloosheid en scepsis?! Immuun zijn we wanneer we ons godsdienstig mummificeren.
Laten we ons er terdege van bewust zijn dat er op het terrein van de moderne literatuur eigenlijk een voortdurend levensbeschouwelijk gesprek gaande is. Hedendaagse mensen die in het pastoraat aan ons zijn toevertrouwd, moeten aan ons merken dat we dit gesprek kennen. En er aan deelnemen. Anders komen we wereldvreemd over en worden we niet of nauwelijks serieus genomen. Ik denk dan met name aan onze jongeren.
Wie zich vandaag denkt verre te kunnen houden van onze cultuur, geeft er alleen maar blijk van door diezelfde cultuur al lang al te zijn ingepakt. Als niet ‘in de wereld, maar wel van (!) de wereld’, een omkering van het Schriftgegeven in Johannes 17.
Ooit zei prof. W.H. Velema al voor de NCRV-microfoon: ‘De theologie moet de méns kennen’, en ook: ‘Laat de theologie de spanning die de literatuur voor haar meebrengt maar voelen.’
Brede belezenheid
Een brede belezenheid zullen we daarom als leidinggevenden niet kunnen missen. Uiteraard lezen we theologische en stichtelijke lectuur. Maar we zullen ook kennis nemen van wat atheïstische romanschrijvers als Harry Mulisch (zijn De ontdekking van de hemel, en over het kwaad in de wereld Siegfried), Anna Enquist (Thuiskomst) en Thomas Rosenboom (De nieuwe man) te zeggen hebben. Of Willem Jan Otten (Ons mankeert niets), Kader Abdolah (zijn in vele talen vertaalde Spijkerschrift), J.M. Coetzee (Wachten op de barbaren) en J. Bernlef (Verbroken zwijgen).
Ik denk ook aan literatuur, waarin een (altijd verkeerd? ) beeld wordt gegeven van het christendom in het algemeen en van het calvinisme in het bijzonder. Te denken valt hierbij vooral aan het oeuvre van Jan Siebelink. Maar ook het werk van auteurs die kennelijk wél iets of veel met het christendom hebben, verdient onze aandacht.
Voor aanbevolen houden we boeken van Pieter Nouwen, Vonne van der Meer, Mance ter Andere, Geert Mak en anderen. Ook kan worden gedacht aan ‘page-turners’ van evangelicale Amerikanen als Frank Peretti en Randy Alcorn, al was het maar om de gevarieerde evangelische wereld enigszins te leren kennen. Francine Rivers en Lynn Austin zijn prachtige voorbeelden van belijdende en belijnde literatuur.
Ten slotte vermeld ik nog graag de schitterende serie van de (inmiddels overleden) liberale jood Chaim Potok, die uiterst boeiend inzage geeft in de wereld van het seculiere jodendom in Amerika en daarbuiten.
Kennisname van de moderne literatuur is al met al gebóden, als we tenminste een woord (het Woord!) voor de wereld hebben, in de kerk en buiten de kerk. We worden alleen serieus genomen als we ernst maken met God en Zijn wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's