Zoeken naar zingeving
OMGAAN MET LITERATUUR [ 5 ]
In moderne niet-christelijke romans van de afgelopen decennia wordt gezocht naar antwoorden, naar zingeving. De roman zet je aan het denken en dat is een kenmerk van echte literatuur.
Elke tijd kent zijn eigen problemen. Ook onze tijd is er vol van. Sommige daarvan zijn oud, andere nieuw. Het is onjuist om net te doen alsof ze niet bestaan. Negeren is geen juiste levenshouding. De informatie die via moderne communicatiemiddelen onze huiskamers binnenkomt en de netwerken waarin we leven, drukken ons met de neus op de feiten.
Ik noem een aantal aspecten van onze tijd die in ethisch of maatschappelijk opzicht problematisch zijn: euthanasie, zelfdoding, carrièrezucht, de man (of vrouw) als workaholic, verwaarlozing van het gezin, de vrouw als sloof of slaaf, generatieconflicten, rouwverwerking, moderne voortplantingstechnieken waaronder het klonen, grootschalige natuurrampen (watersnoden, orkanen, aardbevingen), rampen met kernenergie (Tsjernobyl!) en andere energiebronnen. De lijst is lang niet volledig. Waar het om gaat, is het feit dat literatuur als thermometer en barometer fungeert: romanschrijvers peilen de situatie van nu en wijzen vooruit naar de toekomst, naar het ‘weer’ dat komt.
Tijdsaspecten kun je wetenschappelijk beschrijven en analyseren. Je kunt ze ook – op indringende wijze – present stellen in een roman. Romanschrijvers snijden problemen aan waar ook een christen niet omheen kan, ook al zijn die romans niet geschreven met een christelijke bedoeling. Enkele van die romans – ik maak bewust een selectie – stip ik hier kort aan. Zo stelt Willem Jan Otten, die uit overtuiging rooms-katholiek is geworden, in zijn roman Ons mankeert niets (1994) de euthanasieproblematiek aan de orde en de (te geringe) aandacht voor een mens in nood die over wil gaan tot zelfdoding. Kortom, het gaat in dit boek om eerbied voor het leven.
Jan Siebelink geeft in zijn historische roman Margaretha (2002) een beeld van landvoogdes Margaretha van Parma, met Willem van Oranje in haar omgeving, en tekent haar als een vrouw die vastgeketend zit aan haar plichten. Hoeveel mensen in onze tijd hebben niet datzelfde gevoel dat ze geleefd worden? In de roman Heren van de thee (1992) tekent Hella Haasse de carrière en het huwelijk van een planter in het toenmalige Nederlands-Indië; de carrière slaagt, maar het gaat ten koste van zijn huwelijksgeluk. Hoeveel carrièrezoekers kent onze tijd niet? De roman Sonny Boy (2004) van Annejet van der Zijl speelt voor een belangrijk deel in de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog, met een moedige en sterke vrouw en haar tweede echtgenoot van Surinaamse afkomst als hoofdpersonages. Het gaat in deze roman om scherpe tegenstellingen: bevrijding (in het groot – slavernij, het verwerpelijke naziregime – en in het klein) tegenover slavernij, krampachtigheid in principes en zelfs monsterlijkheid. En de roman De verdronkene (2005) van Margriet de Moor geeft een indringend beeld, toegespitst op enkele personen, van de februariramp in 1953.
Twee romans zet ik hier even apart, omdat ik daar wat dieper op in wil gaan: De thuiskomst van Anna Enquist, een historische roman over de ontdekkingsreiziger James Cook en zijn vrouw, en De engelenmaker van de Vlaamse schrijver Stefan Brijs, een boek dat handelt over een actueel ethisch probleem: het klonen, toegepast op de mens.
Bovenstaande opsomming is maar een kleine greep uit een groot aanbod. Ze stellen alle eigentijdse problemen aan de orde, actueel en herkenbaar ook voor lezers met een christelijke levensovertuiging. Al zijn ze niet geschreven vanuit een bewust christelijke visie, ze hebben geenszins de bedoeling een ontluisterend beeld te geven van het leven. Ik zeg niet dat ik elke bladzijde of elke zin voor mijn rekening neem, maar ik durf wel te stellen dat in de genoemde romans problematische aspecten ook van ons leven centraal staan, gevaren van onze maatschappij en bedreigingen van onze humaniteit. Dat is ook het geval met de twee romans die ik hiervoor al genoemd heb: De thuiskomst van Enna Enquist en De engelenmaker van Stefan Brijs.
Omgaan met verdriet en gemis
Anna Enquist (geboren in 1945) studeerde af in de klinische psychologie – met de specialisatie psychoanalyse – en voltooide daarnaast een conservatoriumopleiding, met piano als specialisatie. Deze tweeërlei achtergrond speelt in haar romans nadrukkelijk mee. Ze had al enkele romans op haar naam staan, toen haar in 2001 een tragedie overkwam: haar dochter Margit werd na een verkeersongeval met een vrachtwagen plotseling uit het leven weggerukt.
Lange tijd worstelde ze met een schrijfblokkering – een ‘writer’s block’ – maar in 2005 verscheen weer een nieuwe roman die veel aandacht kreeg: De thuiskomst. De tragedie van 2001 speelde bij het schrijven van deze roman nadrukkelijk mee. Hoe moet je omgaan met het wrede leven, het leven als tekort, het leven waarin
Volgende week deel 6 in deze reeks: Hoe ver mag je als christenauteur gaan in het beschrijven van de zonde?
het toeval of het noodlot heerst? Deze formulering laat al zien dat Anna Enquist beslist niet schrijft vanuit een christelijke levensovertuiging. Ze noemt zich met grote stelligheid ‘anti-godsdienstig’: God is alleen maar een menselijke projectie.
Het gaat in de roman om twee personen: de ontdekkingsreiziger James Cook (1728-1779) en vooral zijn vrouw Elizabeth, die haar man ruim vijftig jaar overleeft. We zien alles wat er gebeurt via de ogen van deze Elizabeth, een krachtige vrouw. Het verdriet in haar leven is groot: James Cook voelt zich niet thuis in zijn eigen huis en wil alleen maar de zee op voor zijn ontdekkingen. De zorgen voor het gezin laat hij aan zijn vrouw over. Zij moet ook in haar eentje het verdriet verwerken van zes kinderen die ze verliest. Vooral de dood van haar dochtertje Elly, die slechts vier jaar oud werd, laat haar nooit meer los. Hoe ga je daar mee om? Het boeiende van deze roman is dat er verschillende antwoorden worden gegeven op de vraag hoe te komen tot aanvaarding van (het tekort van) het leven. Elizabeth wijst het christelijk geloof dat ze van huis uit heeft meegekregen, met nadruk af: er heerst volgens haar slechts het toeval en de mens staat daar machteloos tegenover. Ze komt niet verder dan berusting in het onvermijdelijke: ‘De dingen zijn zoals ze zijn’ (p. 181). Je moet je gedragen als het gras dat buigt in de wind en daardoor niet breekt. Echte troost is er niet. Haar echtgenoot James Cook deelt haar afwijzing van het christelijk geloof, maar hij klampt zich vast aan een ander ‘geloof ’: de ideeën van de Verlichting. Hij zoekt zekerheid in feiten, natuurwetten, beheersing en controle, hij gelooft (tot vlak voor zijn dood bij Hawaiï) in de vooruitgang. Maar de roman tekent nog een derde levenshouding, namelijk in de jongste zoon Hugh: deze ontwikkelt zich tot een gelovige christen. Hij wordt een trouwe kerkganger en hij zingt: ‘Blijf bij mij, Heer, want d’ avond is nabij’. Van deze ontwikkeling begrijpt Elizabeth niets: het is haar een ‘raadsel’. Ongetwijfeld herkent Anna Enquist zich in de levensbeschouwing van Elizabeth. Maar het interessante van de roman is dat diverse levenshoudingen naast elkaar worden gezet: geloof in een berustende levenshouding, geloof in het verstand, geloof in God. Het is een roman die zich daardoor op uitstekende wijze leent voor bespreking in een leeskring of gespreksgroep. De roman zet je aan het denken – Wat is mijn enige troost in leven en sterven? – en dat is een kenmerk van echte literatuur.
Bezetenheid in de wetenschap
Een roman met een totaal andere thematiek is De engelenmaker van de Vlaamse romanschrijver Stefan Brijs (geboren in 1969). Ook hij is, evenals Anna Enquist, volstrekt ongelovig, al zal hij een rooms-katholieke opvoeding hebben gehad. In 2005 verscheen zijn roman De engelenmaker die zich afspeelt in een doktersgezin in Wolfsheim, gelegen in België vlakbij het drielandenpunt. Hoofdpersoon is de arts Victor Hoppe, die zich na een wat duister verleden in Wolfsheim vestigt met drie jonge kinderen. Het boek werd genomineerd voor de Librisprijs. Hoppe is zowel geniaal als emotieloos, zowel briljant als gewetenloos. Hij is gevoelloos in het intermenselijk verkeer, want hij heeft het syndroom van Asperger, een (lichte) vorm van autisme. Zijn uiterlijk is afstotend: hazenlip, rood haar, rode baard. Zijn moeder had hem daarom verstoten en laten opvoeden in een klooster, voor Victor een gruwelijke omgeving met zo’n geestelijke verwaarlozing dat hij een hekel aan God krijgt. Hij besluit de strijd met God aan te gaan, het beter te doen dan God, en wel met wetenschappelijke middelen. Hoppe is een moderne representant van Prometheus uit de Griekse mythologie die de goden tartte. Hoppe ontwikkelt zich tot een briljant embryoloog. Hij specialiseert zich in de techniek om cellen te splitsen en kunstmatig te laten samensmelten. Na allerlei kloonproeven met muizen verlegt hij zijn terrein naar de mens. Hij wil macht krijgen over het scheppen van leven. Dan zal hij als God zijn. Een collega typeert het scherp: God het ‘nakijken’ geven staat er ergens in de roman. Sterker nog: hij wil God verbeteren, door fouten uit het menselijk lichaam weg te werken, een beter exemplaar van zichzelf te creëren. Hij slaagt er inderdaad in zichzelf te klonen: met behulp van stamcellen van zichzelf en een draagmoeder creëert hij zijn drie kinderen, een drieling die hij engelennamen geeft: Michaël, Gabriël en Rafaël. Vandaar de titel van het boek: De engelenmaker. Ongetwijfeld bevat de titel ook een zinspeling op ‘engelenmaaktster’, een vrouw die onbevoegd abortussen verricht (vaak met dodelijke afloop) of een vrouw die de verzorging van (buitenechtelijke) kinderen op zich neemt en ze langzaam laat sterven.
Welk literair boek wilt u vanwege welke reden onder de aandacht van de lezer van ons blad brengen? In de kantlijn van de reeks artikelen over Omgaan met literatuur geven diverse personen antwoord op deze vraag. Als vijfde W.H. van Egdom, kerkredacteur bij het Reformatorisch Dagblad.
Jan Siebelink
Toen ik op een zaterdagochtend in de boekhandel liep en twee dames tegen elkaar hoorde zeggen dat ze éérst het boek Knielen op een bed violen van Jan Siebelink gingen kopen, drong pas echt tot me door wat de impact is van deze roman. De dames behoorden – oppervlakkig naar het uiterlijk beoordeeld – niet tot de gereformeerde gezindte en toch wilden ze per se dit boek hebben.
Inmiddels zijn er meer dan 350.000 exemplaren van Jan Siebelinks roman verkocht. En dus heeft Siebelink er met zijn boek voor gezorgd dat honderdduizenden zich op grond van dit ene boek een beeld hebben gevormd van de gereformeerde gezindte. Een eenzijdig beeld, een beeld dat vaak geen relatie heeft met de werkelijkheid en dat nogal eens meer op de subjectieve herinneringen van Siebelink leunt dan op de objectieve feiten.
Maar juist daarom moeten ‘waarheidsvrienden’ dit boek lezen. Want als je niet weet hoe een ander jou ziet, kun je dat beeld ook niet bijstellen.
Wim van Egdom
Maar helaas, Victor (!) Hoppe behaalt geen victorie. De gevolgen van zijn experiment zijn gruwelijk. De drieling vertoont driemaal een hazenlip, driemaal rood haar, driemaal Asperger en dus emotieloosheid. Ze blijken doodziek te zijn en toch blijft Hoppe, hun vader, hen aan zijn mysterieuze onderzoeken onderwerpen. Een verzorgster, een oud-onderwijzeres die in huis komt, probeert hen nog wat te vermenselijken, maar een echt menselijk leven is hun niet gegeven: ze verouderen in hoog tempo en sterven zeer jong. In Hoppe naderen de uitersten elkaar: succesvol en meedogenloos, geniaal en wereldvreemd, briljant en ethisch verwerpelijk. Zo toont dit boek waartoe inhumaniteit kan leiden, de gruwelijke uitwassen van het klonen, het monomaan bedrijven van genetische wetenschap. Genialiteit en razernij, raken elkaar in één persoon, vermengd met godsdienstwaanzin: Hoppe ziet zich als een moderne Jezus en aan het eind van de roman kruisigt hij zichzelf.
Zo is ook deze roman een boek dat tot nadenken stemt. Een roman waarin goed en kwaad, humaniteit en liefdeloosheid scherp tegenover elkaar staan. Waar liggen de ethische grenzen van de wetenschap, waar eindigt de wetenschappelijke macht?
Diepte
In het eerste artikel van deze serie heb ik geprobeerd duidelijk te maken wat literatuur is. Echte literatuur is niet oppervlakkig, maar heeft onder de oppervlaktelaag een dieptelaag. Literatuur zet de lezer aan het denken, schudt ons wakker. Een literator is een kunstenaar die met zijn creatieve gaven – verbeelding, taalhantering – een wereld schept met personages die worstelen met problemen die voor ons herkenbaar zijn.
Anna Enquist en Stefan Brijs doen dat in de twee hiervoor genoemde romans. Beiden hebben een levensovertuiging die ik niet deel. Maar in hun romans stellen ze wel een problematiek aan de orde die ook mij als christen aangaat.
J. de Gier
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's