Het hemelwijde verschil
Licht en duisternis in kerstgedichten
De antithese tussen licht en duisternis komen we in kerstpoëzie wel het meest tegen, ongetwijfeld ook omdat het een tegenstelling is die op de Bijbel teruggaat.
De prachtige rei over de kerstnacht in Vondels Gysbreght van Aemstel begint met de regels:
Kerstnacht, schoner dan de dagen,
Hoe kan Herodes ’t licht verdragen,
Dat in uw duisternisse blinkt,
En wordt gevierd en aangebeden?
Zijn hoogmoed luistert naar geen reden,
Hoe schel die in zijn oren klinkt.
Antithese en paradox
In de eerste drie regels komen we direct al twee tegenstellingen tegen: de nacht tegenover de dag en het licht tegenover de duisternis. Joost van den Vondel (1587- 1679), dichter in het tijdvak van de Renaissance, maakt hier gebruik van een stilistische verwoording die we een stijlfiguur noemen, dat wil zeggen een bijzondere wijze van zeggen – een specifieke woordkeuze en ordening van de woorden – met de bedoeling een bepaald effect te bereiken. Een zo’n stijlfiguur is de tegenstelling of antithese, die overigens ook meermalen in de Bijbel voorkomt. Hierbij worden woorden, woordgroepen of zinnen die in betekenis tegengesteld zijn, naast elkaar gezet en met elkaar verbonden.
Ook dichters als Constantijn Huygens (1596-1687) en Jacobus Revius (1586-1658) maakten volop gebruik van allerlei stijlfiguren, waaronder de antithese. Zo schreef Huygens een gedicht met de titel Kersmis – zonder t! – waarin hij op vernuftige en diepzinnige wijze het wonder van Kerst probeert te verwoorden. 'Het Kind in de kribbe,' zo dicht hij, is ‘vaderloos op aarde’ en ‘moederloos bij God’. In feite hebben we hier twee tegenstellingen tegelijk: aarde tegenover hemel, ‘vaderloos’ (op aarde is Jezus niet bij de Vader) tegenover ‘moederloos’ (in de hemel is Christus zonder zijn moeder Maria). Om de laatste tegenstelling te volgen, moet je als lezer even nadenken en dat is nog sterker het geval bij de stijlfiguur van de paradox of schijnbare tegenspraak: wat in eerste instantie een tegenstelling lijkt te zijn, is bij nader inzien slechts een schijnbare tegenstelling. Bij de paradox is er sprake van een dieperliggende waarheid die de tegengestelde elementen met elkaar verzoent. Zo komen we in Revius’ kerstgedicht Zo lang als ik op aarde leven zal de versregels tegen:
Zijn bitter lijden
Doet mij verblijden.
De eerste indruk is: dit kan niet kloppen. Blijdschap is niet te combineren met bitter lijden. Bij nader inzien klopt het wel, het is een paradox, een schijnbare ongerijmdheid: Christus’ lijden baant immers de weg naar de vreugde der vergeving.
Vrede en onvrede
Antithese en paradox: beide stijlfiguren komen we frequent tegen in kerstgedichten, niet alleen bij renaissancedichters maar ook bij dichters uit latere eeuwen. Dichten over het wonder van Kerst, het mysterie dat God mens werd, moet wel leiden tot formuleringen vol tegenstellingen en paradoxen. Zo begint het gedicht Messias van Jaap Zijlstra met de antithese ‘boreling’ en ‘sterveling’:
Hij komt als een boreling,
een sterveling,
een mens die geven kan
wat er te geven is:
zijn leven.
Ook het lied God in ons midden van André Troost zit vol met paradoxen:
Lam dat de zonden draagt,
lam dat de leeuw verjaagt,
uw wieg een kribbe,
uw troon een kruis
De inmiddels hoogbejaarde Inge Lievaart – geboren in 1917 en nog steeds actief als dichteres – maakt in haar gedicht Het Kerstevangelie gebruik van een andere tegenstelling: ‘vrede’ tegenover ‘onvrede’. Deze twee woorden verschillen in schrijfwijze maar weinig van elkaar: een spellingverschil van slechts twee letters. Maar inhoudelijk is het verschil ‘hemelwijd’. Wie het Kind niet kent en zijn hart niet opent, leeft in onvrede, maar wie zijn hart geeft aan het Kind, heeft werkelijk vrede. Jezus overbrugt de kloof tussen ‘verdorvenen’ en de ‘Heilige’ (opnieuw een duidelijke antithese).
Ook Ad den Besten benadrukt het aspect ‘vrede’ in Een kerstliedje voor de kinderen. Hij werkt dit wel anders uit dan Inge Lievaart in haar gedicht doet. Jezus Christus is de Vredevorst en dit brengt dichter tot de volgende antithesen en paradoxen: Hij ging de weg van het ‘kruis’ en niet van het ‘zwaard’, Hij is een koning ‘zonder macht’ die toch ‘heerst’ en ‘heil’ brengt, Hij kwam uit de hemel en daalde neer als ‘Gods eigen afgezant’. Het taalgebruik in dit gedicht is bewust eenvoudig gehouden: in de titel staat immers ‘voor de kinderen’.
Licht en duisternis
De antithese tussen licht en duisternis komen we in kerstpoëzie wel het meest tegen, ongetwijfeld ook omdat het een tegenstelling is die op de Bijbel teruggaat. In Johannes 1 lezen we immers: ‘het licht schijnt in de duisternis’. Vondels reizang begint ermee en de eeuwen door werken dichters met velerlei variaties deze tegenstelling uit. Inderdaad in allerlei variaties: licht tegenover duisternis, dag tegenover nacht, de blinkende ster tegenover donkerheid, morgenrood tegenover blindheid, levenslicht tegenover het duistere kwaad. Enzovoorts.
Zo begint het bekende kerstlied Daar is uit ’s werelds duistre wolken van Nicolaas Beets met de regels: Daar is uit ’s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan.
En het gedicht Reisvaardig van Jaap Zijlstra eindigt met de diepzinnige strofe:
Licht dat van een koning de belofte is,
sterker dan de grootspraak van de duisternis.
Ook het bekende Kerstliedje van Willem de Mérode (1887-1939), de belangrijkste protestants-christelijke dichter tussen de twee wereldoorlogen, is gebouwd op de tegenstelling licht - duisternis.
Het gedicht wemelt van de tegenstellingen: het boze hart tegenover reinheid, kwaad tegenover heil, het Kind dat schreit en glimlacht. Maar de meest fundamentele tegenstelling is die tussen licht en duisternis. Het licht komt van Boven, de duisternis heerst beneden, in deze wereld. Maar De Mérode gaat een stap verder: duisternis en donkerheid zitten in ons hart.
En dat is de persoonlijke toepassing die we in de poëzie van deze dichter steeds weer tegenkomen: ik ben zondig, in mijn hart zit het kwaad, mijn hart moet veranderd worden. Algemene duisternis wordt hier persoonlijke duisternis. Daarom komt in de eerste regel al het woord ‘hart’ voor. Dit is de boodschap die Willem de Mérode ons in zijn gedicht doorgeeft: als mijn hart zich openstelt voor het Kind in de kribbe, zal ‘nare donkerheid’ wijken voor ‘glanzend licht’.
J. de Gier
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 2006
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's