Is Hij dan soms veranderd?
De vreze des Heeren en onze opvoeding [ 1 ]
Hoe kunnen we onze kinderen laten zien wat het leven in de verborgen omgang met de Heere is en wat daarbij hoort? Op deze vraag van een moeder van een opgroeiend gezin gaat ds. A. Beens in enkele artikelen in.
Van vele boeken te maken is geen einde, wist de Prediker reeds. Ook op het terrein van de opvoeding doet zijn uitspraak opgeld. Er is in de loop der tijden een niet aflatende stroom lectuur verschenen en in het ‘bladentijdperk’ waarin wij leven, kunnen wij te kust en te keur terecht. De uitgevers van menig magazine – het moet immers niet te lang en niet te moeilijk – verdienen er een aardige boterham aan. Trouwens, wat verder terug in de eeuwen treffen wij in de tijd van de Nadere Reformatie een man als Jacobus Koelman, die behartigenswaardige dingen heeft geschreven over de opvoeding van het ‘zaad der kerk’…
Een vraag uit de praktijk
En toch … er zullen altijd wel weer ouders zijn die verzuchten: ‘Het staat allemaal zo prachtig beschreven in die boeken maar de praktijk is vaak zo moeilijk en stelt voor zoveel problemen dat ik alle boeken met een zucht aan de kant heb gelegd.’ Een dergelijke, voorstelbare reactie is wellicht niet erg bemoedigend voor schrijver dezes. Misschien moet hij er rekening mee houden dat voor deze of gene ouder zijn woorden ook onder het oordeel van ‘vermoeiing des vleses’ vallen. Toch wil ik proberen iets te zeggen over het onderwer:
De vreze des Heeren en de opvoeding van onze kinderen. Hoe kunnen we onze kinderen laten zien wat het leven in de verborgen omgang met de Heere is en wat daarbij hoort.
Dat is een vraag van een moeder met een opgroeiend gezin te midden van allerlei ontwikkelingen en verwikkelingen, tendensen en veranderingen in de wereld en in de kerk, c.q. de plaatselijke gemeente. Minstens een viertal aspecten wil ik in deze artikelen voor het voetlicht brengen.
Is het Godsbeeld voor velen in de gemeente, bij vroeger vergeleken, verschoven?
En als het gaat over de deugden/eigenschappen van God, hoe houden we dan in de opvoeding bijeen wat bijbels gezien bijeen hoort?
Bijvoorbeeld: Zijn barmhartigheid en Zijn rechtvaardigheid, Zijn liefde en Zijn heiligheid, Zijn vergevende genade en Zijn toorn over de zonde?
En dan: hoe dragen wij het bijbelse Godsbeeld over aan onze kinderen?
Ten slotte – om nu niet meer te noemen – wat betekent dit voor het klimaat in de gemeente, de sfeer daarin, inclusief wat we met elkaar zingen, het verenigingswerk et cetera?
Sfeertekening
Een zondagavond in de winter. De beide kerkdiensten zijn voorbij en na het avondeten rukt het jonge volk op naar de Knapenvereniging. Pet af, denk ik nu vaak, voor de mannen die elke week de leiding hadden. Een benedenzaal en een opperzaal, beide mudvol met een stuk of zestig jongens, de oudsten boven, de jongsten beneden. Na de opening op ‘de gebruikelijke wijze’ worden de leiders inleiders van het bijbelgedeelte dat we braaf, ieder op volgorde een vers, hebben gelezen. De niet-inleidende leiders staan op wacht, gereed om ongeregeldheden de kop in te drukken. Zelden geraken we ongewaarschuwd ten einde, soms volgt er een bestraffend preekje. Denkt erom, God ziet je en hoort je! Intussen raakt de bovenzaal op kop: er breekt een hevig gezang uit, begeleid door voetgestamp: het bondslied wordt ten gehore gebracht. Wij popelen om het zo meteen te herhalen, zo mogelijk met nog harder stampij. Na de pauze een quiz met bijbelse vragen of iets dergelijks, toch bijna elke week wel iets anders. Weer gaat mijn pet af …
Na afloop schallen steeg en straat van jongensstemmen. Het zaad der kerk gaat naar huis. Denk erom: om negen uur thuis, op straat heb je niks te zoeken. Zo ging het, een hele winter lang: kerk en vereniging, de Bijbel en het zingen van psalmen en bondslied. Nee, niet van de Gereformeerde Bond, al waren we dat wel – zoveel was wel tot je doorgedrongen – maar van de Nederlands Hervormde Bond van Knapenverenigingen op gereformeerde grondslag. Het was allemaal één geheel, gewoon natuurlijk.
Waar was God? En hoe?
Geert Mak, evenals ondergetekende van 1946, schreef het beroemd geworden boek Hoe God verdween uit Jorwerd. Verdwijnen is een groot woord, al dringt in dit boek een rampzalige ontwikkeling en werkelijkheid zich aan ons op. Maar als God niet is verdwenen, is Hij dan soms veranderd? Zou je vandaag ook een boek over een willekeurig christelijk dorp (wat dat ook moge zijn!) kunnen schrijven met als titel Hoe God veranderde in Kerkdorp? Hoe was dat met God voor ons die opgroeiden in de jaren vijftig en volwassen werden in de jaren zestig? In een christelijk dorp twijfelden weinig mensen aan het bestaan van God, al kende ook ons dorp een paar van die filosofische figuren die zich buiten de kerkelijke paden begaven waarop zij – soms streng – waren opgevoed. Zij waren, zien wij nu, de voorlopers van de massa van heden die God en de dienst van God achter zich gelaten hebben en de bevrijding vieren, al wordt dat vieren na langere tijd toch ook een bleek burgermansgedoe.
Echter, voor ons hoorde God er helemaal bij en dat vond dus bijna iedereen. Natuurlijk weet je nu in zoverre beter dan toen dat veel van het religieuze in een dorp en een kerkelijke gemeente behoorde tot wat je later leerde zien als natuurlijke godsdienst. De vraag mag intussen wel gesteld of wij zonder die ‘religie’ er vandaag de dag beter aan toe zijn in de samenleving als geheel dan toentertijd. Maar wanneer het specifiek over de kerk en de godsdienstige opvoeding thuis gaat, kan ik over het Godsbeeld dat ons werd gepredikt en in de opvoeding overgedragen, mij niet negatief uitlaten. Met name in de verkondiging van het Woord en in de catechese en óók in de lokaliteiten met voetgestamp, werd God ons op een evenwichtige, bijbelse manier gepreekt en onderwezen. Stellig is dat te danken aan het gezond functioneren van het verbond Gods in de gemeente, wat op zijn beurt onmogelijk los te maken is van ettelijke decennia, om niet te zeggen eeuwen van bijbelse, gereformeerde prediking. Ik kan niet zeggen hoeveel een gemeente, een mens, een kind – jawel! – daaraan te danken heeft. Dan vergeef je, zeker bij het ouder worden, ook de missers die er waren in de opvoeding, ongetwijfeld. In elke opvoeding zijn die er, de christelijke niet uitgezonderd. Jawel, God functioneerde meer dan eens meer als boeman dan als Vader, meer als Groot-Inspecteur dan als een God van bewogen zien naar mensen. Maar in de kerk werd veel rechtgezet, om zo te zeggen.
Arme van geest
En opmerkelijk, nooit heb ik dat als kind sterker ervaren dan bij de bediening van het Heilig Avondmaal, zeker als je meer in een sfeer van mijding dan deelname werd grootgebracht.
Onuitwisbare indrukken deed je op als je aan de Tafel des Heeren de geestelijk gezonde mengeling van droefheid over de zonde en de blijdschap in de Heere soms tot op de gezichten toe zag weerspiegeld en je als kind, al duurde het lang, wel eens een groot verlangen had om daar ook te mogen komen. Maar ook de ‘gewone’ diensten (er wáren trouwens in mijn jeugd geen andere) hebben hun bijdrage aan de vorming van een bijbels godsbeeld geleverd. Opnieuw dankbaar noteer ik dat: nooit is de uitverkiezing een schrikbeeld geweest, ontdekking van zonden evenmin. En de heiligheid van God? Ja, die werd niet verdonkeremaand, maar wel zo verkondigd dat het kruis van Christus er een vitale en allesbeheersende plaats in ontving. En de hel was niet de plek waar bijna alle mensen terechtkwamen, maar wel degenen die niet hadden gewild dat Christus Koning over hen zijn zou. Is dit alles een subjectief gekleurd beeld? Uiteraard! Er zijn een heleboel andere verhalen in omloop en een hele generatie romanschrijvers heeft goed geld verdiend in het van zich afschrijven van een al dan niet door karikaturen gekenmerkte opvoeding met God, Bijbel en kerk. Maar sinds wanneer heft misbruik goed gebruik op? En klinkt de trompet van de afvallige niet altijd heller en luider dan de psalm van de arme van geest?
Hoe ziet God er vandaag uit?
Is het Godsbeeld verschoven? Dat is een uiterst complexe vraag en het antwoord is navenant. Maar de vraag dringt zich met nadruk op. En dan gaat het ons niet zozeer om het beeld dat ‘men’ van God heeft als wel om het beeld dat heden in prediking, catechese en opvoeding vigeert. Ik besef dat dit massief en algemeen uitgedrukt is. Verschijnselen en ontwikkelingen zijn immers nooit en nergens volstrekt eenduidig. Het gaat echter om een globale indruk. Is God nu dezelfde als in, zeg maar, 1960? Eigenlijk is dat natuurlijk een onmogelijke vraag. God blijft toch altijd Dezelfde? Dat is toch intrinsiek eigen aan Zijn Naam: Jahwe, de HEERE, de Zijnde, Degene die is Die Hij zijn zal? En toch blijkt het spreken over Hem, de prediking ván Hem, aan veranderingen onderhevig die op hun beurt uiteraard niet los staan van de ontwikkeling in de tijden en de context waarin wij leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 2007
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 2007
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's