Geding om de Waarheid blijft
De vreze des Heeren en onze opvoeding [ 2 ]
Hoe kunnen we onze kinderen laten zien wat het leven in de verborgen omgang met de Heere is en wat daarbij hoort? De tweede aflevering in deze serie loopt uit op de vraag of het in de spiritualiteit van vandaag om God Zelf gaat. En: gaat het in ónze religie om God Zelf en zijn wij ons bewust van de consequenties voor de kerkdienst, de gemeente, de opvoeding?
Het heeft er veel van weg dat met de tijden ook de godsbeelden wisselen. Door velen is in dit opzicht de Tweede Wereldoorlog als een aangrijpende cesuur ervaren. Wij konden niet meer in God geloven zoals mensen van vóór deze verschrikkelijke wereldbrand. En wie in staat is om de laatste veertig, vijftig jaar te overzien en zeker wie die fase zelf volop heeft meebeleefd, heeft geconstateerd dat enorm veel van wat voorheen nagelvast stond, wankel werd dan wel werd weggevaagd. Er is op allerlei manieren geprobeerd de wisseling der tijden te karakteriseren. Opmerkelijk is daarbij ook de veranderingen in de getijden van de theologie en in het kielzog daarvan de visie op roeping en opdracht van de kerk.
Karakteristiek levensbesef
De naoorlogse tijd werd een periode van een fervente en gedreven wederopbouw. Letterlijk en overdrachtelijk. De Nederlandse Hervormde Kerk herkreeg een belijdende kerkorde (1951) en de heersende theologie werd die van het apostolaat, aanvankelijk ingegeven door een hernieuwd elan om ons volk opnieuw met de boodschap van de Bijbel in aanraking te brengen. Wij wilden en moesten kerk zijn voor de wereld. Het is waar: tegen deze getuigenis-drang is vanuit onze gereformeerd-hervormde kring altijd sceptisch aangekeken; wij vertrouwden de voorrang van het apostolaat boven de belijdenis, zoals vertolkt in de nieuwe kerkorde, niet. Intussen, enkele decennia verder, denk ik soms: toen gíng het tenminste nog ergens over. Veel van dit aanvankelijke vuur is gaandeweg gedoofd, enerzijds door een al maar doorgaande uitholling van het belijdend spreken, anderzijds door de vloedgolven van de secularisatie. Wat ons rest is, het door velen als bloedeloos ervaren Samen op Weg-gebeuren.
Wij zijn in de kerk en ook in de wereld vermoeide mensen geworden. Technische hoogtesprongen, fabelachtige vooruitgang, maar ook een benauwende prestatiedwang en verregaande vereconomisering van leven en samenleven, laten hun invloed gelden. De onrust in onze gezinnen is vele malen groter en sterker dan vroeger. Het leven is gefragmenteerd, geworden tot een soort eilandenrijk waartussen wij, vaak dodelijk moe, heen en weer peddelen en pendelen. Echter, de behoeften van mensen laten zich tenslotte toch niet echt dooddrukken. Er is gaandeweg verlangen gegroeid naar gevoel, beleven, emotie of hoe wij het ook willen noemen. En dat komt ons vandaag voor als hét karakteristieke levensbesef in kerk en wereld.
Kanteling
Zo maken wij, intussen al geruime tijd, een aanzienlijke kanteling van het tijdsbeeld mee. En dat heeft de nodige consequenties voor leer en leven in de kerk. Geen predikant, geen gemeentelid, die midden in zijn tijd staat, kan het ontgaan: het lijkt of – vooral – de jongeren een ander godsbeeld hebben dan hun ouders (?), in ieder geval dan hun grootouders. Je merkt het onder het preken, je pikt het op bij de catechese en je hoort het rondzingen in de gesprekken. Het is ook een splijtend kantelingsproces. Kunnen jongeren nog samen met ouderen één gemeente zijn en zo ja, kunnen zij dan ook in één en dezelfde kerkdienst bijeen zijn voor het aangezicht van God? Of is het maar beter ieder zijn eigen kerketuintje te geven? De één zit degelijk stil en de ander dartelt jolig rond? Natuurlijk chargeer ik en veralgemeniseer ik. Maar, mij dunkt, het is op z’n minst herkenbaar. Bovendien veroorzaakt dit alles in menige gemeente een stuk onrust en onderlinge verwijdering. Hier en daar doet zich het verschijnsel voor dat gemeenten zich omvormen van een (verstarde?) beslotenheid tot een open en uitnodigend bestaan. Maar ik hoor dan wel dat er niet alleen sprake is van een ‘intocht’ door de voordeur maar ook van een ‘stille uittocht’ door de achterdeur van gemeenteleden die het niet meer mee kunnen maken en het ook niet willen. ‘Jullie moeten dan maar vertrekken, wij zijn aan een onomkeerbaar veranderingsproces bezig’, heet het dan. Let wel, dat zijn mensen die de gemeente met hart en ziel hebben gesteund en gediend.
Tweespalt
En wat al deze dingen voor de gezinnen betekenen? Er zijn tal van signalen dat (groot)ouders met al deze ontwikkelingen in de knel komen, omdat hun verstaan van het geloof en van het leven met God zo anders is dan dat van hun (klein)kinderen. En zij vragen zich af of zij het dan altijd verkeerd hebben gezien en of het geloof met de tijden verandert en vooral soms of wij het met elkaar nog wel over dezelfde Gód hebben? Op hun beurt groeien jongeren soms weg van de geestelijke belevingswereld van hun ouders. Ze vinden hen veel te somber en te strak met hun ouderwetse opvattingen over God en Christus, over zonde en schuld en toorn van God enzovoort. Niet zelden kiezen jongeren voor een andere gemeente, voor de ‘groep’ tegenover de ‘kerk’. En het kan zó gaan dat de onderlinge communicatie verstoord raakt en, in het slechtste geval, stil valt. Nogmaals: ik realiseer mij terdege dat het zó gelukkig niet overal gaat. Waar in de gemeenten mensen met voorzichtigheid en wijsheid optreden, kan veel schade voorkomen worden. Tegelijkertijd moeten wij eerlijk zijn: er worden vaak allerlei compromissen gesmeed waarmee in de praktijk niemand echt blij is. Op z’n best loopt het uit op gehannes en gehaspel en een wonderbaarlijke tweeslachtigheid. Het wordt in de kerkdiensten unheimisch. De boel polariseert en heel slimme kerkenraden noem(d)en zoiets ‘eenheid in verscheidenheid’. Een pracht van een formule. Ze heeft slechts één gebrek: ze werkt niet. Ze is een papieren bezwering van een ontwikkeling die niemand zegt te willen en die toch doorgaat.
Tussenbalans
Het moge duidelijk zijn dat er ‘wat aan de hand is’. Maar met als een kat om de hete brij heenlopen, helpen wij elkaar niet. Nu zijn er velen die de huidige trend van verlangen naar emotie, beleving en spiritualiteit, positief duiden en waarderen als religieuze herleving. Sommigen spreken zelfs van een stremming van de secularisatie en het proces van ontkerkelijking. God mág weer! Religie is niet op voorhand verdacht. Het bovennatuurlijke is in. Al ben ik blij met het kleinste teken, ik ben evengoed bang voor vals optimisme. Want bij al deze dingen is en blijft het geding om de Waarheid recht overeind. Dat betekent dat de vraag onverkort aan de orde is: over welke God hébben wij het? Mét dat ik deze woorden schrijf, voel ik een zekere huiver: alsof wij de hoge God tot onderwerp van ónze discussie kunnen maken! Zouden wij dát in het verleden niet veel te veel en niet gehinderd door enig ontzag, gedaan hebben?
Ik herinner mij in de familiekring bruisende, om niet te zeggen: woedende discussies over twee- of drieverbondenleer, over de finesses en hét heikele punt in de bekering tot God. Ik heb het overleefd, zoals u merkt, maar veel stichting ging er niet van uit. Wee het kerkdom dat, met eerbied gezegd, God in zijn broekzak heeft. Dat alles neemt niet weg dat de vraag zeer actueel is: wat is dat dan: geloven in God, de Heere vrezen, Jezus Christus kennen en door de Heilige Geest geleid worden? En hoe verhouden dergelijke vragen zich tot de tijden waarin wij leven? En wat betekent dat voor inhoud en vorm van de eredienst en de prediking, voor de gestalte van het gemeentelijk leven en – last but not least – voor de opvoeding van onze kinderen?
Poging tot antwoord
Onze tijd is vermoeiend, maar zij is ook boeiend. De mate waarin wij onder de indruk zijn van, wat heet, een cultuuromslag, kan nogal verschillen. Maar elke tijd roept in de vragen die zij stelt – ook aan ons! – bewust of onbewust (en dat laatste wellicht het meest) om een antwoord. Ook in de huidige nadruk op spiritualiteit. Voor een deel gaat het daarbij om herlevend heidendom, naar ik vrees. Maar dan nóg en dan tóch! Wij kunnen daarbij niet ontkomen aan de ontmaskering, misschien nog niet eens zozeer van de wereld, als wel van onszelf. Gaat het in de spiritualiteit van heden om de vraag naar God Zelf? Maar met evenveel recht zouden wij kunnen vragen: gaat het in onze ‘religie’ om God Zelf? En zijn wij ons bewust van de consequenties? Dat het er dan ook om gaat dat God ons leven in Zijn weg en op Zijn koers wil brengen? ! Als spiritualiteit hetzelfde betekent als zelfbevestiging – hetzij in een tv-programma dan wel in een kerkdienst –, als spiritualiteit betekent dat prediking een psychotherapeutisch praatje wordt, een aai over ons arme bolletje, zodat wij ons toch zo fijn (h)erkend voelen, dan hebben wij het over een andere spiritualiteit dan die eigen is aan het werk van de Spiritus Sanctus, de Heilige Geest van de Vader en de Zoon. In die ‘spiritualiteit’ draait het niet om onszelf, maar gaat het om God. En dan om God die Zichzelf in Jezus Christus heeft geopenbaard en weggeschonken aan een mens en een wereld die zich van Hem heeft vervreemd. De volgende keer willen wij zien dat dit kernpunt het hart is en blijft van de verkondiging van het Woord en – in lijn daarmee – ook van de opvoeding van onze kinderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's