De levende weg verkondigen
DE VREZE DES HEEREN EN ONZE OPVOEDING [ 4, SLOT ]
Laten wij onze kinderen attenderen op de waarde van wat wij iedere zondag in de kerkdiensten belijden, zegt ds. Beens in zijn laatste artikel over de overdracht van het godsbeeld aan de kinderen van de gemeente.
Leven in en leven uit het verbond. Daarmee vertolkten we een belangrijk thema als handleiding voor de opvoeding van onze kinderen in de vreze des Heeren. Daarmee stellen we de Heilige Schrift als eerste bron en norm in een zo levensbelangrijk gebeuren als de opvoeding is. Daarna, maar er onlosmakelijk mee verbonden, noem ik de belijdenis van de kerk der eeuwen.
Ik denk dan allereerst aan het Apostolicum, het Credo van de kerk in zijn drievoudige thematiek in de belijdenis van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en Hun werk.
Leidraad en afbakening
Wat wij in de apostolische geloofsbelijdenis uitspreken, is de ruggegraat van het geloof. Daarin zijn wij zo dicht mogelijk bij de Bijbel. Wat de Bijbel ons verkondigt, is in het Credo samengevat. Het is een kostbare leidraad voor ons als ouders in de grote opdracht van de opvoeding. Het is ook een afbakening van het pad door het leven.
En het is uiterst persoonlijk: ik geloof … Nee, niet op mijn ééntje maar met alle heiligen samen, met de kerk van alle tijden en plaatsen. Over traditioneel gesproken! Dat kan ons ook een klein beetje nuchter maken en vooral ook bescheiden. Er wordt zoveel als nieuw gepresenteerd wat in het licht van eeuwen kerkhistorie alleen maar nieuw líjkt. Laten wij onze kinderen attenderen op de waarde van wat wij iedere zondag in de kerkdiensten belijden. Ik heb het meerdere malen ervaren hoe tot in ernstige ziekte en op het sterfbed toe in de lichtkring van het evangelie deze Twaalf Woorden een levende troost bleken te betekenen.
Gevaarlijke versimpeling
Een al even persoonlijk en gemeenschappelijk getuigenis is ons overgeleverd in de traditie van de Reformatie, met name wel in de Heidelberger Catechismus.
Oudere generaties kenden hem vaak uit hun hoofd. Een dergelijk omgaan met de catechismus is al te zeer weggestormd in de jaren dat op de catechisatie discussies het een en al waren. Gelukkig klinken er nu weer stemmen om naar het memoriseren terug te gaan. Dat is geen doel op zichzelf. Het is wel een middel om de geloofsinhoud (vgl. Zondag 7 en 23) ons eigen te maken, zó dat wij in de leer van de Bijbel gaan ademen en tegelijk een kritische norm krijgen aangereikt om dwalingen en onbijbelse inzichten te ontmaskeren. Dat lijkt mij vandaag de dag broodnodig, zeker ook voor onze jongeren die opgroeien met geluiden dat het niet zoveel uitmaakt wát je gelooft áls je maar gelooft.
En in de opvoeding? Wat te denken van de eerste zondag? Er is toch nauwelijks een wezenlijker vraag te stellen dan die over onze enige troost in leven en in sterven? En dan die drie ‘stukken’. Drie facetten van de éne diamant: het thema van de unieke troost voor het geloof in God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Alweer moet ik zeggen: het ontbreekt zo vaak aan dit persoonlijke geloofsgetuigenis, dooraderd van de kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. Nog afgezien dat – en daar is het evangelicalisme mede debet aan! – zo vaak in een domme napraterij wordt geschokschouderd wat je nou toch eigenlijk met zo’n eeuwenoud boekje aan moet en dat we toch de Bijbel hebben en daar toch genoeg aan hebben. Zo’n houding verraadt een gevaarlijke versimpeling die desastreuze gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft.
Nog eens: persoonlijk!
Nu kom ik terug op de verlegenheid die veel ouders ervaren in het verschil in geloofsinhoud en - beleving tussen jongeren en ouderen. Hier is voorzichtigheid geboden.
Het kán een voorbijgaande fase zijn in het leven van onze kinderen onderweg naar de volwassenheid. Het komt nogal eens voor dat jongeren na een aanvankelijke kennismaking met het evangelisch klimaat teleurgesteld raken over het gemis aan diepgang en veel positiever gaan denken over het geheel dat de kerk te bieden heeft. Ik bedrijf geen wishful thinking. De praktijk wijst het namelijk geregeld uit.
Maar niet altijd loopt het zo. Er zijn nogal wat jongeren die evangelisch blíjven. Ook gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat niet zelden het evangelische een doorlaatpost naar de onkerkelijkheid blijkt te zijn. Vrees is echter ook hier een slechte raadgeefster en dwingt ons vaak in een negatief parket, waarin wij ons alleen maar gaan verzetten tegen ideeën en keuzen van onze kinderen. Laten wij liever een andere weg open proberen te houden.
Dan raken wij aan het heikele punt van ons persoonlijk leven. Er zijn nogal eens ouders die heus wel met het Woord van God bezig zijn en er door geraakt worden die niettemin er met hun kinderen nooit over spreken. Dat is een schadepost van belang. Als onze kinderen niet van onszelf horen wie de Heere in Jezus Christus voor ons is, wat moeten zij dan van het geloof (en van de kerk!) denken? Als Christus Jezus niet het grote Middelpunt is, maar van alles en nog wat die plaats inneemt, tasten onze kinderen in het donker en komen ze vele malen gemakkelijker onder andere invloeden die hen van het ‘oude pad’ kunnen afbrengen. En dat ‘oude pad’ hoeft geen uitgesleten pad te zijn maar heeft beslist wel alles te maken met de ‘verse en levende weg’ die Christus heeft gebaand tot God. Want de verkondiging van die ‘weg’ bindt de geslachten samen en vormt de ruggegraat van de gemeenten en verenigt haar in de meest essentiële betekenis.
Hoe doen we het in de gemeente?
Van hieruit nu refereer ik aan de gestelde vraag naar een praktische invulling van ons onderwerp wat betreft de vormgeving van deze dingen in het geheel van het gemeentelijke leven. Zorg over het elkaar niet meer herkennen, zorg over bepaalde ontwikkelingen in de erediensten, zorg ook over de geloofsinhoud en de gestalte van het geloof in de diverse vormen van het gemeente-zijn. Wij herkennen wellicht nog steeds de dreiging van de polarisatie. Met het oog daarop werden al deze zorgen verwoord en benoemd. Hoe moeten wij elkaar nu toch in de gemeenten vasthouden, gesteld al dat we dat willen en niet tevreden zijn met een eigen reservaat waarin ieder zich naar believen kan uitleven? Als ik mij namelijk niet vergis, hebben wij de ‘hotelkerk’ altijd (terecht!) ter voordeure uitgewezen in de breedte van de kerk maar dreigen wij haar de achterdeur weer binnen te laten in het smaldeel van de plaatselijke gemeente. Bepaalde bemoeienissen in sommige gemeenten hebben mij niet vrolijk gemaakt, moet ik bekennen. Het blijkt dat wij problemen en zorgen niet oplossen met prachtige slogans en roerende terminologieën, hoe bijbels ze wellicht ook klinken. Plechtig uitgesproken verklaringen volstaan helaas evenmin. Men is ingestapt en de trein rijdt dóór. Blijven er mensen achter, het zij zo. Niet zelden vallen hier elitaire tendensen te signaleren. Eenheid in verscheidenheid ontwikkelt zich tot eenheid in gescheidenheid. Ik geef het u te doen om daar nog wijs uit te kunnen worden. Als dat voor volwassenen geldt, hoeveel te meer dan voor de jongeren!
Kan het Woord ons genezen?
Juist omdat het gaat om de toekomst van de gemeenten, om het geestelijk heil voor onze kinderen en jonge mensen, voor wie dan ook trouwens, meen ik dat wij een eerlijke weg moeten kiezen en ons diepgaand moeten bezinnen ten aanzien van de koers die wij in en met de gemeenten volgen en de prioriteiten die wij daarbij moeten stellen.
Gemeente-opbouw vindt plaats in de verkondiging van het Woord van God en moet haar fundering in de Schriften en in het geloof in de drie-enige God dienen. Van daaruit bepleit ik een, wellicht meer dan ooit, centraal stellen van de eredienst en de prediking in het midden van de gemeente. Is dat het beruchte intrappen van de open deur? Dat zij verre, zou ik met Paulus willen zeggen. Laten we er ons evenmin van afmaken door te zeggen dat dit verdacht veel lijkt op het oude, uitgesleten pad.
Uitermate moeilijk en precair vind ik het om te zeggen dat er onder ons zorgen zijn ten aanzien van de prediking. Met te meer schroom snijd ik het aan, omdat ik sinds kort terzijde sta. Anderzijds verleent dat mij enige armslag om dingen zonder aanzien des persoons te zeggen. Om het dan toch maar ‘evangelisch’ te zeggen: Gáán we er nog voor? Beseffen wij dat God ons in de prediking een adembenemende volmacht heeft gegeven? Niet als persoon maar als dienaar van het evangelie! Zijn wij ervan overtuigd dat God aan die bediening de sleutelmacht heeft gegeven, waarin het Koninkrijk voor de gelovigen wordt geopend maar voor de ongelovigen gesloten? En geven wij leiding aan het geestelijke leven van de gemeente? Wij laten het haar toch niet zelf uitzoeken? Al met al, dat vergt een nauwkeurig onderzoek van het Woord en een gedurig gebed om de Heilige Geest. Dominees moeten zitvlees hebben en bidknieën, om zo te zeggen. Laat die hoge ernst in de eredienst merkbaar zijn in de manier waarop wij bidden en preken. Er mogen toch wel vleugen eeuwigheid waaien? Mag de prediking verder ook nog een beroep doen op de gemeente? Ik bedoel daarmee dat horen wat mag ‘kosten’. Wat niets kost, blijkt meestal niet veel waard te zijn. Men klaagt tegenwoordig al maar over preken die zo moeilijk zijn. Hebben wij als dominees zelf meegewerkt aan deze geestelijke ademnood door weinig van onze gemeenten te verwachten en haar te ‘vergasten’ enkel op lichtverteerbare kost? Wat willen wij eigenlijk met de prediking? Wij zijn er om de gemeente wijs te maken tot zaligheid. Dat vereist een gedegen preek waarin de uiteenzetting van de tekst een flink deel mag beslaan en waarin wij de toepassing niet uit de weg gaan. Zijn wij echt klaar, als wij Amen zeggen of hebben we gemakshalve dan wel omwille van de tijd (ook zo’n demon) wezenlijke dingen maar laten rusten? Bedrijven wij ook nog pastoraat vanaf de kansel, ook als wij niet iedereen persoonlijk kennen? Beleven wij Entdeckersfreude in de voorbereiding en/of op de preekstoel?
Keuze van prioriteiten
Ik realiseer mij dat al deze vragen antwoorden oproepen. En evenzeer stel ik mij voor dat die antwoorden wellicht grote diversiteit kunnen vertonen. Het zou niet uit de pas lopen bij de indruk dat de diversiteit onder ons toeneemt. Dat behoeft niet in alle opzichten en altijd een probleem te zijn. Er zou wel over doorgesproken moeten worden. Juist met het oog op de continuïteit van de vreze des Heeren in de jonge generatie. De vragen dié ik gesteld heb, zijn bovendien met vele andere aan te vullen. Boven alles houdt mij de vraag bezig naar de koers van de gemeenten en naar de keuze van de prioriteiten, nu wij in een andere kerkelijke setting verkeren en de ‘waardering’ van het staan in de Protestantse Kerk van Nederland nogal verscheiden is. Gemeenten, kerkenraden, predikanten, kerkelijke werkers, vaders en moeders, waarheen?
Deze artikelen willen niet meer zijn dan een aanzet tot bezinning. Ik heb het geheel wat sterk vanuit de positie van de (oudere) predikant gezien. Daarbij – laat dat duidelijk zijn – kon ik mij niet vrijwaren van mijns inziens legitiem sentiment en enig heimwee. Het zij zo. Het gaat mij om de zaak. Om de kerk, om de gemeenten, om het volk. Jawel, ook dat laatste. Ik weiger nog altijd die component te verslijten voor een droom of een fictie. En als in dat alles onze verwachting niet die van de hoop op het Woord Gods is, dan zijn wij, alle vernieuwingen en aanpassingen ten spijt, bezig met een sterfhuisconstructie. En dat kán de kerk niet zijn. Omdat haar Heere leeft. Omdat de trouw van de levende God de generaties draagt en omspant.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's