Willem Jan Otten
Lezers met belangstelling voor literatuur zullen zijn naam kennen. Hij raakte bij een breed publiek bekend, toen zijn roman Specht en zoon in 2005 met de Libris Literatuur Prijs werd bekroond. Indruk maakte vooral zijn overgang tot het christendom in 1999. In zijn onlangs verschenen boek Waarom komt u ons hinderen? vertelt hij dat hij ‘op een Goede Vrijdag tijdens een kruiswegstatie in de Rooms-Katholieke Kerk bij mij in de straat, eindelijk kon verzuchten wat ik sindsdien geloof: dat Jezus met zijn zelfgezochte dood mijn zonden op zich heeft genomen’. Hij schrijft dat hij wist dat hij zich bij alle persoonlijke vreugde deerlijk in de nesten had gewerkt. Ik citeer opnieuw: ‘Als schrijver, want ik leef in een tijd waarin geloofd wordt dat geloof iets is wat overwonnen zal worden, en waarin een intellectueel, en zeker een schrijver, zijn talenten inzet om aan de zin van het bestaan te twijfelen.'
Soteria (Kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning) liet onlangs een themanummer verschijnen gewijd aan: Kunst. Interessante thema’s komen er in aan de orde, vooral over de relatie tussen kunst en geloof.
Literatuurrecensent Tjerk de Reus schrijft over christelijke literatuur in deze eeuw. Hij geeft uitvoerig aandacht aan het werk van Willem Jan Otten. Het interessante is dat hij bijbelse lijnen aanwijst in zijn recent verschenen werk.
We leven in een vaderloos tijdperk, heeft Otten eens gezegd. Zijn werk kan begrepen worden als een poging dit te doordrenken. Waar blijf je als mens, wanneer er niets is dat aan jou voorafgaat, waar jij bij hoort, wat jou identiteit verleent – wanneer je niet gezien wordt? Voor Otten is dit laatste cruciaal; in ‘Specht en zoon’ heet het: ‘Zijn is gezien worden.’ Het schildersdoek, dat in deze roman het verrassende vertelperspectief vormt, weet hoe afhankelijk het is van de schilder, die steevast aangeduid wordt als ‘schepper’. ‘Wie ziet mij, alsjeblieft, wie maakt dat ik besta? ’ verzucht het schildersdoek. Dat onderstreept de samenhang tussen bestaan en waargenomen worden. Dit is het centrale inzicht in Ottens oeuvre, waarbij ook een keerzijde hoort. Als ‘schepper’ overspel pleegt en het misloopt met de vrijpartij en de overspeligen gehaast hun kleren aantrekken, ziet het schildersdoek: ‘Ze wilden zichzelf bedekken als Adam en Eva, ze wilden onzichtbaar zijn. En ze wilden geen paar zijn, alles wilden ze zijn, maar geen paar.’
Niet gezien willen worden hangt samen met schaamte, er niet durven of kunnen zijn in de ogen van een medemens. Het vaderschap waaraan het onze cultuur ontbreekt, krijgt reliëf tegen de achtergrond van deze schaamte van het niet-zijn: het basale besef te mogen bestaan in de ogen van iemand (…) ‘die hen nooit laat schieten’ – een transcendente vader.
Als ik het kort en eenvoudig samenvat, wil Otten dus zeggen: Je bent pas werkelijk mens als je je aanvaard weet door God. Op de bodem van het menselijk bestaan ligt de hunkering om door God bemind te worden. Zonder levend geloof in God is er in ons een zwart gat, leegte, gemis, onvervuldheid. In de roman Specht en zoon is dát de betekenis van de metafoor van het kale schildersdoek onderweg naar het uiteindelijke schilderij.
Ik citeer nog een fragment uit wat Tjerk de Reus over het werk van Otten schrijft:
Wat Ottens werk zo belangwekkend maakt, is zijn sterke voeling met de cultuur van vandaag. Wat hij thematisch te berde brengt, verwijst naar het hart van de leegte die in de cultuur schuil gaat. Gemis aan vaderschap is een thema dat bij Otten in allerlei toonaarden voorkomt. De echte afgronden van ons levensbesef komen in dat licht onverbiddelijk in beeld; het zijn de vragen naar zin en betekenis, bestemming en oriëntatie waarop in veel hedendaagse romans helemaal geen antwoord wordt verwacht. Het adagium van veel schrijvers is: wel zoeken, maar niet vinden. Otten kent het spanningsveld: wie een serieus probleem denkt te kunnen oplossen in het kader van een roman, doet vaak onrecht aan de eigenlijke problematiek. Otten doet dan ook iets anders. Wat in het filosofische en ook literaire discours wel de ‘aporieën van het denken’ worden genoemd, zijn vaak met de schijn van onontkoombaarheid en feitelijkheid geponeerde constateringen – maar Otten vormt ze om tot vragen, op zo’n manier dat er ruimte komt voor een mogelijk antwoord, een gewenst en zelfs gehoopt antwoord. Het vaderschap waaraan het de cultuur ontbreekt, wordt via de ‘omweg’ van de personages en hun dramatiek een hunkering naar een vader zoals die oplicht in de christelijke traditie: de Vader van onze Heer Jezus Christus. Die explicietheid bereikt hij bij momenten ook. De leegte van de moderniteit stelt in Ottens werk de zo ontzettend afwezige vader met kracht tegenwoordig.
Omdat het taalgebruik van De Reus in dit citaat niet voor iedereen direct toegankelijk zal zijn, een korte samenvatting. Filosofen en schrijvers van onze tijd doen het voorkomen alsof we in ons denken voortdurend stuiten op de onoplosbaarheden van het menselijk bestaan. En daar moeten we mee leren leven, vinden zij. Maar, aldus Otten, je kunt die als vermeende vaststaande constateringen ook omvormen tot vragen. Zou de oplossing niet zijn dat juist in een vaderloze cultuur die ene Vader het antwoord is?
Van juli 2005 tot en met juli 2006 schreef Otten elke maand voor NRC Handelsblad over een persoon uit de geestesgeschiedenis van de afgelopen eeuwen. Hij schreef boven die rubriek ‘Mijn helden’, personen die van grote invloed zijn geweest op zijn schrijverschap. Maar dat niet alleen, ze zijn ook allen van betekenis geweest op zijn weg naar, wat hij noemt, mijn kerstening. Hij heeft de artikelen bewerkt en er drie namen aan toegevoegd: Augustinus, G.K. Chesterton en Gerard Reve. Hij heeft de bundeling van artikelen de titel Waarom komt u ons hinderen? meegegeven. Dostojevski schreef onder andere de bekende roman De gebroeders Karamazov. De Russische schrijver is een van Ottens helden van de geest. In die roman stelt een groot-inquisiteur deze vraag aan Christus: waarom komt u ons hinderen? Christus is dan teruggekeerd op aarde, maar niemand zit op Hem te wachten, ook de kerk niet. Hij komt niet gelegen.
In CV.Koers (januari) besteedt Tjerk de Reus aandacht aan dit nieuwe boek van Willem Jan Otten. Een citaat uit zijn bespreking:
Otten vertelt in ‘Waarom komt u ons hinderen’ hoe hij langzaam toegroeide naar het aanvaarden van het christelijke geloof in de periode 1993-1999. Toen kon hij eindelijk verzuchten wat ik sindsdien geloof: dat Christus met zijn zelfgezochte dood mijn zonden op zich genomen heeft. Ook toen verbeet ik vreemde, onverhoedse tranen, en wist ik mij ‘op mijn plaats gesteld’. Het is ontroerend dat Otten – op en top een modern mens, een intellectueel nota bene – dankzij zijn bekering uitkomt bij dit centrum van het geloof, de kern van de zaak: Christus die stierf om mensen te redden.
Dat is niet zo vanzelfsprekend, omdat je je als buitenstaander die ‘binnen’ wil komen eerst door een dichte haag van moderne theologen moet worstelen, die haastig uitleggen dat het allemaal niet zo letterlijk genomen moet worden. Jezus stond toch niet werkelijk op uit de dood en het gaat eigenlijk vooral om naastenliefde en solidariteit – en noem alle uitglijders van kerk en theologie maar op. Het is het aloude christelijk geloof, of niks – dat is het besef dat bij Otten op de voorgrond staat en dat hem de hoon oplevert van iemand als Harry Kuitert.
Het is bonte reeks helden die aan de orde komt: Pascal, Borges, Chesteron, Dostojevski, Girard, Bresson, Milosz, Vondel, Reve, Augustinus, Tarkovski, Lewis, Dragt en Endo. Waarom juist deze? De Reus:
Wat deze auteurs gemeen hebben, is hun openheid voor religie, het geloof, voor God of Christus. Dan gaat het niet onmiddellijk om een verkondigende houding, maar eerder om een gevoeligheid voor de leegte die onontkoombaar ons lot is wanneer scepsis het laatste woord heeft, en voor de ‘redenen van het hart’. Onze existentie reikt naar werkelijke betekenis en naar besef van levensbestemming. Daar deinzen we tegelijk ook voor terug, omdat het alles van ons vraagt – omdat we voorvoelen dat we op de knieën moeten. Zulke algemene noemers doen overigens geen recht aan de grootheid, de diepgang en de eigenheid van de hier gepresenteerde schrijvers. Elk van hen legt weer andere accenten, aan de hand waarvan Otten voor hem essentiële zaken onder woorden kan brengen.
In de bijdrage over Pascal onderstreepte ik een aantal opmerkelijke spreuken.
‘Het ware geloof is wat we missen; hoe smartelijker we het missen, des te meer hebben we het nodig.’
‘God heeft, door een mens te worden, aan den lijve ondervonden hoe verschrikkelijk mensen er aan toe kunnen zijn door niet te geloven dat Hij bestaat.’
‘Pascal lezen minus het geloof is zoiets als van de Wadden genieten minus zee.’
‘Volgens Pascal heeft God zich verborgen in Zijn schepping en wil Hij gekend worden door wie in vertwijfeling verkeren.’
Er is wel enige filosofische en literaire belangstelling voor nodig om dit boek te kunnen waarderen. Wie het gevecht in zijn leven kent met de twijfel aan de realiteit van God en de aanwezigheid van de levende Christus, vindt hier troost en hulp. En nu eens niet van een ‘oude schrijver’, maar van een die midden in deze tijd en cultuur staat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's