De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKINGEN

6 minuten leestijd

P.C. Oele: En daar was licht. Inleiding in de wereld van geloof en natuurwetenschap. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; 468 blz.; € 37,90. Ds. E.K. Foppen: Jona. Uitg. eigen beheer; 88 blz.; € 9,95 (excl. verzendkosten); (bestellen: 010 5213759 of h.p.vanwezel@orange.nl)

P.C. Oele:
En daar was licht. Inleiding in de wereld van geloof en natuurwetenschap.
Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; 468 blz.; € 37,90.

Al geruime tijd ligt op mijn bureau een exemplaar van het kloeke werk van P.C. Oele: En daar was licht. De auteur is chemicus en docent scheikunde en filosofie aan het Wartburgcollege te Rotterdam. De inhoud van het boek is ontsproten aan zijn onderwijs aan aankomende studenten. Hij wil hen voorbereiden op de universitaire studie en leren omgaan met de spanning tussen geloof en wetenschap.
Het eerste deel van het boek bevat een beschrijving van de geschiedenis van natuurkunde, scheikunde en sterrenkunde. Oele schrijft helder. De hoofdstukken zijn doortinteld van de verwondering die een christenwetenschapper past. 'Hoe groot zijn Heere Uw werken!' (231)
Op dit terrein is de auteur thuis. Hij legt bijvoorbeeld op een toegankelijke wijze uit waar het in de relativiteitstheorie van Einstein om gaat. Steeds belicht hij in het historische overzicht het verband met het christelijk geloof. Het inzicht van Newton dat de beweging van de planeten een gevolg is van de zwaartekracht, doorbreekt ‘de scheiding tussen het ondermaanse en het bovenmaanse, tussen het tijdelijke en het eeuwige, tussen de aarde en de hemel.’ (242) Als exponent van het gesloten wereldbeeld citeert hij het antwoord van de Franse sterrenkundige Laplace op Napoleon’s vraag naar God de Schepper: ‘Sire, die hypothese hebben we niet nodig.’ (244)
In het tweede deel wordt de wetenschapsleer behandeld. Het overzicht is te beknopt om heel diep te gaan, maar voor 5-vwo zal dit toch nog wel behoorlijk pittig zijn. Terecht benadrukt Oele dat wetenschapsbeoefening nooit neutraal is, maar altijd gebaseerd op bepaalde vooronderstellingen. Daarmee neemt hij een postmodern standpunt in, dat in de wetenschapsleer te verkiezen is boven de hautaine moderne houding waarin gelovige wetenschap belachelijk werd gemaakt. Een natuurwetenschapper die zegt dat wonderen onmogelijk zijn, gaat zijn vakgebied te buiten. (338)
Het is jammer dat Oele zich nauwelijks met het postmodernisme verstaat. Hij benadert de wetenschapsleer voornamelijk vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief. Dat is logisch, maar er kan ook een krampachtige visie op de verhouding tussen geloof en wetenschap uit voortvloeien. Heeft Oele gelijk als hij de tegenstelling subjectief-objectief toepast op de wetenschap als feilbare bezigheid en de Schrift als het onfeilbare Woord van God?
Het derde deel van het boek bestaat uit een confrontatie tussen het scheppingsgeloof en het geloof in een algehele evolutie. Dit deel riep bij mij de meeste vragen op, vooral omdat Oele geen nuances aanbrengt tussen de twee uitersten. Het is óf een schepping in zes dagen van 24 uur óf evolutionisme, dat een ingrijpen van God uitsluit. Wie probeert beide op een of andere wijze te verbinden, wordt geplaatst in het kamp van moderne theologen die de Bijbel aanpassen aan de natuurwetenschap. (363)
Historisch gezien ligt het allemaal echter veel genuanceerder en hebben gereformeerde theologen als B.B. Warfield een bepaalde openheid gekend voor de hogere ouderdom van de aarde.
Dr. G. van den Brink heeft in een aantal artikelen – onder andere in de jubileumbundel van de Gereformeerde Bond – aangetoond dat in hervormd-gereformeerde kring op dit punt altijd al genuanceerd gedacht werd. Zo stond tachtig jaar geleden in De Waarheidsvriend: ‘Een evolutionistische verklaring van den samenhang tusschen de tallooze levensvormen hier op aarde, kan zéér wel samengaan met het geloof in God als den Schepper, Onderhouder en Bestuurder van het gansch heelal.” [G. van den Brink, ‘De Gereformeerde Bond en de Schriftvisie’, in Uw Naam geef eer. p. 123.]
Oele is kritisch over het creationisme, omdat dat de waarheid van de Schrift wil bewijzen. (422-423) Hij erkent dat de Bijbel geen natuurwetenschappelijk boek is. Hij maakt een onderscheid tussen natuurwetenschappelijke feiten en theorieën. Voor de feiten – zoals het feit dat de aarde om de zon draait – moeten we zwichten, maar de theorieën moeten we toetsen aan de Schrift en dan is de wetenschap altijd aan de Schrift onderworpen. Is deze onderscheiding echter geen versimpeling van de werkelijkheid? In wezen is ook de opvatting dat de aarde om de zon draait een theorie.
Ook voor de aanvaarding van de evolutietheorie is geloof nodig en dat geloof is irrationeler dan het geloof in een almachtige Schepper. Toch blijft er voor Oele maar één mogelijkheid over om alle natuurwetenschappelijke gegevens te verklaren en dat is de hypothese dat God een voltooide kosmos met een schijnbare ouderdom geschapen. Of dit dan betekent dat God de aarde inclusief fossielen – versteende overblijfselen of sporen van planten en dieren – geschapen heeft of dat de zondvloed hierop van invloed geweest is, wordt niet duidelijk gemaakt. Oele komt er niet helemaal uit, omdat hij de spanning tussen geloof en wetenschap te hoog opvoert en mijns inziens op een verkeerde wijze oplost. Aan de ene kant wil hij het scheppingsverhaal ‘historisch-objectief’ (362) lezen, maar aan de andere kant benadrukt hij dat de Bijbel geen gedetailleerde en volledige weergave geeft van de schepping. (360)
Is het dan niet beter om de antwoorden op de vragen naar de precieze ouderdom van de aarde en de wijze van scheppen en de verhouding van Genesis 1 en 2 open te laten dan om met al te stellige uitspraken te komen?
Als we het gezag van de Schrift relativeren vanuit wetenschappelijke inzichten, lopen we het gevaar het geloof te verliezen, maar als we de spanning tussen Gods hand in de schepping en Zijn mond in de Schrift te hoog opvoeren, lopen we het gevaar van een gespleten wereldbeeld. Dat kan voor de aanstaande studenten wel eens onhoudbaar blijken te zijn.

Ds. E.K. Foppen:
Jona. Uitg. eigen beheer; 88 blz.; € 9,95 (excl. verzendkosten); (bestellen: 010 5213759 of h.p.vanwezel@orange.nl)

In zes preken over het bijbelboek Jona wordt een leerzame blik en een verfrissende kijk op de geschiedenis van Jona, de vis, Ninevé en de wonderboom geboden. Ds. Foppen hield deze preken in de hervormde gemeente van Bleiswijk en biedt ze nu ter lezing en overdenking aan, samen met gespreksvragen. In elke preek komt sterk naar voren wie de Heere is in Zijn opzoekende liefde en worden lijnen getrokken naar het concrete leven van de gemeente. De opbrengst van de verkoop komt ten goede aan het werk in wijk de Esch in Rotterdam-Kralingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

BOEKBESPREKINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's