De eenzaamheid doorbreken
HET KERKELIJK AMBT ALS ARBEID IN GEMEENSCHAP [ 2 ]
Niet elke ambtsdrager heeft er last van, maar velen is een bepaalde eenzaamheid in het ambt niet vreemd. De gemeenschap met God door Christus en in de Geest geeft kracht, ook aan eenzame ambtsdragers.
De eenzaamheid van het ambt kan doorbroken worden. Dat kan als eerste via de gemeenschap met God door Christus en in de Geest. Een gemeenschap die er van huis uit bij geen enkel mens is, maar die in ieder geval bij ambtsdragers verwacht mag worden. Immers, zonder die gemeenschap is het niet alleen ongeoorloofd, maar zelfs ook onmogelijk om ambtsdrager te zijn.
Van Ruler zegt ergens dat de ambtsdrager die deze godsgemeenschap mist en daarom bijvoorbeeld niet aan het Heilig Avondmaal deelneemt, het kerkelijk ambt naar beneden haalt en het brengt op het niveau van een soort burgerlijk ambt.
Ongeoorloofd dus om dan een kerkelijk ambt te bekleden. En dat te meer omdat de Schrift zegt dat als een blinde een andere blinde gaat leiden, ze beiden in de gracht zullen vallen.
Ongeoorloofd, maar ook onmogelijk. Hoe zullen we anderen kunnen aanprijzen wat we zelf nog missen? Hoe zullen we, als we zelf zonder enige relatie met God leven, anderen tot die relatie kunnen brengen?
Vluchtpogingen
Zeker, God kan met een zogenaamde kromme stok een rechte slag slaan. Daar zijn ook indrukwekkende voorbeelden van. Maar dat is niet de weg die de Bijbel aanprijst. Daar komt bij dat iemand die in het ambt staat maar elke geloofsgemeenschap met God mist, wel helemaal eenzaam is. Hij mist ook het rechte verstaan van de Schrift, omdat hij hooguit enige verlichting met de Heilige Geest zal kennen. Herschepping door de Heilige Geest zal hem vreemd zijn. Hij moet dus met zijn onherschapen verstand Gods Woord trachten te verklaren. Hij moet ook als oude mens de ambtsspanning trachten te verwerken. Hij mist het vluchten tot Hem die zegt: ‘Komt herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal U rust geven.’
Hij loopt het risico dat hij de ambtsspanning gaat verwerken met kraak- en breekwerk. Of hij probeert de ambtsspanning te verdringen tot diep in het onderbewuste en houdt zich zo op de been – totdat het niet meer gaat en er een eruptie komt. Of, wat ook kan, de ambtsspanning wordt bevochten met allerlei vormen van zelfhandhaving. Ondertussen zijn het vluchtpogingen die alleen maar schade brengen.
Bedelen
Dit alles en nog veel meer onderstreept het grote belang van het kennen van de gemeenschap met God door Christus en in de Geest. Want dan betreden we de weg van de vrijmoedige toegang tot de troon der genade. Een genadetroon waar we alles kwijt kunnen aan zonden, zorgen en noden. Niet dat dat altijd op onze tijd met een handomdraai voor elkaar is. Het kan een hele zoektocht zijn, een worsteling vaak. De psalmen zijn er bijvoorbeeld vol van. Maar de zoektocht en die worsteling zijn niet tevergeefs. Vroeg of laat, op Gods tijd, vaak per verrassing, breekt het licht (opnieuw) door, we raken de last kwijt. Hij glijdt van onze vermoeide schouders af en van ons bezwaarde hart. We mogen alles kwijtraken bij Hem van Wie de Bijbel zegt dat Hij moe noch mat wordt. En het is Hem nooit te veel. Hij stuurt geen enkele bedelaar weg. Hij vindt het zelfs uitermate fijn dat er voortdurend bij Hem gebedeld wordt. Wel blijft ook waar dat de Heere ons bedelen niet nodig heeft. Daarom zijn er soms geloofsmomenten waarin de Heere ons bedelen ver vooruit loopt. Hij geeft ons geloof in een bemoedigende belofte waarvan wij in eerste instantie niet weten wat we ermee doen moeten. We leren het pas achteraf verstaan en merken dan de grote waarde van het geestelijk talent dat God ons al van tevoren gegeven heeft om mee te woekeren. Of het is nog weer anders. De Heere geeft het ons als in de slaap. Voor we goed en wel beseffen dat we in nood zijn, is de Heere er al met Zijn rijke vertroosting.
Vertroosting die soms buitengewoon krachtig kan zijn, zodat we de brokken ijs die ons zwaar op de ziel liggen, voelen wegsmelten als sneeuw voor de zon. Dan kan het er heel wonderlijk aan toe gaan. Zo zelfs dat we vertroost worden dwars tegen allerlei godsdienstigheid in waar anderen hun hele rechtzinnigheid aan ophangen.
Zacht en teer
Ondertussen maakt deze vertroosting door de Heilige Geest waarin we schuilen bij de Heere, ons heel zacht en teer. Alle hardheid verliezen we. De ontferming waarmee de Heere Zelf over zondaren bewogen is en het geduld waarmee Hij Zelf ons dag aan dag tegemoet treedt, gaan ons vervullen. Dat betekent des te meer dat we de handen in de schoot leggen. We gaan stoppen met al onze oplossingen en acties en we leren de dingen in Gods handen te leggen. Onze eigen handen die verkrampt willen vasthouden gaan zich ontspannen openen naar God toe.
Van een gebalde vuist is al helemaal geen sprake. We gaan er zelf, zoals wel eens gezegd wordt, als oude mens helemaal tussenuit vallen.
Moeilijk aan de ene kant. En hoe meer we tegensputteren, des te moeilijker het wordt. Want desnoods weet God ons te kraken tot in het laatste botje (godsdienstige) zelfhandhaving toe. Aan de andere kant is het heerlijk om er zelf geheel tussenuit te vallen. Want hoe meer en hoe eerder we alles overgeven aan de Heere, des te mooier het wordt.
Het wordt gewoon feest, waarin de Heere de snaren van onze ziel tokkelend bespeelt en wij het geheel eens gaan worden met Hem. We vinden het goed zoals God het doet. Ook al zou het gaan door nachten van storm en strijd heen. Het is immers beter in Gods liefdevolle gemeenschap een weg te gaan te midden van storm en strijd, dan zonder de Heere geheel eenzaam en alleen te wandelen op een zelf uitgedachte weg die geplaveid is met fluweel. Bovendien blijven we dan vol liefde voor het verlorene, omdat de farizeeër in ons is gestorven.
Geen einddiploma
Kortom, gemeenschap met God door Christus en in de Geest doet ons een bron aanboren die nooit opdroogt. Een bron van kracht en steun, hulp en bijstand in al onze eenzame ambtsspanning. We gaan leren dat we met Christus meer dan overwinnaars zijn. We leren verstaan dat Gods kracht in onze zwakheid wordt volbracht. Er komen zelfs momenten dat we leren roemen in onze zwakheid. We gaan zwakheid juist fijn vinden. Want we weten dat satan dan zeker achter het net zal vissen. Omdat de Heere grote dingen gaat doen. Ondertussen verliezen we al het streberige van onze westerse cultuur. Het ‘moeten, moeten en nog eens moeten’ van de farizeeër in ons raken we kwijt. Een heel ander punt is of we op deze leerschool ooit geheel uitgeleerd raken en het einddiploma behalen. We moeten zeggen dat dit einddiploma er nooit komt. En als het er komt dan hebben we het niet van de Heere verkregen, maar het ons zelf toegedacht vanuit de bedoeling feest te vieren met de farizeeër in ons. Daarom is de gemeenschap met God door Christus en in de Geest naast gave ook blijvende opgave. Want er zijn kapers op de kust die deze gemeenschap willen verstoren. Dat kunnen zonden zijn die we koesteren. Of vormen van ongeloof die we beoefenen. Of traagheid en foute zelfliefde die we handhaven. Daarom moeten we voortdurend de goede strijd blijven strijden om de tere en hechte band van gemeenschap met God door Christus en in de Geest intact te laten.
Afstapelen
Hoe deze vrijmoedige toegang tot de troon der genade voor al onze eenzame ambtsspanningen te nemen? Dat kan maar op één manier, namelijk wanneer we met al onze zonde, terwijl we er geen enkele onder de tafel wegmoffelen, naar de Heere gaan voor genade en verzoening. We leren dat geloven geen kwestie is van optellen, door al maar meer christelijkheid en bekeerdheid opeen te stapelen tot een hoge toren van eigendunk. Het is anders. We leren dat geloven een zaak is van aftellen, van afstapelen. De hoge toren van eigenroem wordt steeds lager en kleiner. Tot we helemaal aan de grond zitten en er zelfs geen millimeter rechtzinnigheid en eigendunk meer is die we als zelfroem recht overeind houden. We gaan verstaan dat de rechtvaardiging van de goddeloze in haar structuur samenvalt met de uitverkiezing waarin God redenen neemt uit Zichzelf en onderscheid maakt waar geen onderscheid is. Ondertussen mogen we tegelijk met heel ons verloren leven genade en vergeving vinden in het bloed van het Lam. Onze schuld is weggedaan. Er ligt geen blokkade meer tussen God en ons. De toegang is vrij, want de Geest heeft door het werk van Christus een vlak veld geschapen waarop we God niet als strenge Rechter maar als onze genadige Vader mogen ontmoeten.
In de ruimte
Nu de toegang vrij is omdat onze schuld is weggedaan, is die toegang eveneens geheel vrij om met al onze overige noden en zorgen, ook die van het ambt, vrijmoedig tot Hem te gaan. We komen in de ruimte en mogen het er ruim van nemen. En niemand zal deze vrijheid in Christus ooit van ons kunnen afnemen. Want zo God, in Christus en door de Geest, voor ons is, wie zal dan nog tegen ons zijn?
De leeuwen en beren kunnen wel brullen op ons ambtspad en ze kunnen ons ook wel angst inboezemen, maar kwaad doen is er niet bij. We zijn immers, dankzij Christus, door God de Vader aangenomen tot Zijn kind en verzegeld met de Heilige Geest. We liggen geheel voor Gods rekening, ook in ons ambtswerk. Gemeenschap met God in Christus en door de Geest heeft onze ambtseenzaamheid doorbroken en zal die steeds opnieuw doorbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's