Macht of marge
In de tweede helft van 2006 verschenen twee rapporten waarin de situatie van kerken en religie in ons land werd gepeild. Het begon in september met het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) over Godsdienstige veranderingen in Nederland. Het liet een ontluisterend beeld zien van de voortgaande ontkerkelijking in ons land. Tegelijk werd duidelijk dat minder kerkgang onder Nederlanders nog niet wil zeggen dat er minder geloofd wordt.
In december volgde een omvangrijk rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over Geloven in het publieke domein. De kerk is voorgoed verdrongen naar de marge van de samenleving, was één van de conclusies. Over deze op zich niet eens zo schokkende conclusie volgde vooral in de kerkelijk georiënteerde media een discussie. Moeten we daar blij om zijn? Of horen we daarover verontrust te zijn en moeten we proberen weer meer invloed te krijgen? Van de macht naar de marge, zeker. En moet dat weer worden: van de marge naar de macht?
In ‘CV.Koers’ van november 2006 reageerde Stefan Paas in een helder artikel over het SCP-rapport waar hij boven schreef Een snufje zout. Hij constateert:
‘Van een nationale identiteit is het christendom veranderd in een subcultuur. Deze subcultuur wordt orthodoxer, maar heeft ook de neiging zich naarbinnen te keren. Als de kerk impact wil hebben, moet het afgelopen zijn met deze gettovorming.’ Hij begint zijn artikel met een citaat van de Engelse dichter T.S. Elliot, die al in 1934 waarnam dat er in Europa iets ongehoords aan de hand was. ‘Het lijkt erop dat iets is gebeurd dat nooit tevoren is gebeurd, al weten we niet wanneer of waarom of hoe of waar. Mensen hebben God verlaten, niet voor andere goden, zeggen ze, maar voor geen god.’
Paas schrijft dat eeuwenlang het christendom in Europa kon rekenen op de steun van hen die de macht hadden. Sinds keizer Constantijn (312 n.Chr.) vormde het christelijk geloof de, wat hij noemt ‘morele bron en politieke legitimatie van de westerse samenlevingen’. Vanuit de marge in de eerste eeuwen na Christus was het christelijk geloof sinds de vierde eeuw in het centrum van de macht beland en was daar vijftienhonderd jaar niet meer weg te denken geweest. In onze tijd zien we de ontwikkeling snel en naar het lijkt definitief verschuiven in de omgekeerde richting. Hoe moeten we dat beoordelen en hoe moeten we daarmee omgaan? Paas schrijft dat er in de Angelsaksische wereld op het ogenblik een theologisch debat gaande is over ‘dit afscheid van een tijd waarin het christendom machtig en bevoorrecht was’. Dit debat wordt vooral aangekaart door christelijke groeperingen die al eeuwenlang in de marge van de samenleving hebben geopereerd. Hij doelt dan op wat we gemakshalve de dopersen noemen.
In dit debat worden ongemakkelijke vragen gesteld. Wat betekent de geschiedenis van gewelddadige evangelisatie in Europa, de kruistochten, de inquisitie, kolonisatie, slavenhandel, apartheid en dergelijke voor ons getuigenis hier en nu? Waarom koesteren veel christenen ook vandaag bepaalde voorrechten uit het verleden die getuigen van de machtige positie die het christendom voorheen innam? Moeten we zo blij zijn met Koninginnedag op zaterdag voor het hele volk, omdat christenen de zondag als heilig beschouwen? Wat geeft ons het recht om te verlangen dat de overheid zich inspant voor de vrije zondag? Is het christelijk geloof niet per definitie een minderheidsgeloof?
Waarom is het leven van Jezus op aarde altijd zo weggedrukt uit onze theologieën en geloofsbelijdenissen? Kon een kerk die zich tegen de macht aan had genesteld en die in deze wereld maar al te thuis was, wel overweg met haar Heer, die een vreemdeling was, arm en vervolgd, die niet terugschold als Hij werd uitgescholden? Waarop baseren christenen die oproepen tot strijdbaarheid en protest, eigenlijk hun oproepen? Moeten we ons dit land niet laten afpakken door de seculieren en moslims, zoals ik eens heb horen zeggen? Was het land dan van ons? En als kerken onze regering en ons volk oproepen om ‘terug te keren naar Gods Woord’, bedoelen zij dan dat Nederland daar vroeger zoveel dichter bij leefde dan nu? Is dat niet een erg selectieve lezing van de geschiedenis? Wat we ook mogen vinden van zulke vragen, ze moeten wel gesteld worden en serieus beantwoord. We kunnen ons er niet meer van afmaken. In die zin biedt onze tijd een aantal unieke mogelijkheden. Wij worden nu gedwongen om te onderzoeken wat werkelijk christelijk is in ons kerk-zijn en christen-zijn. Zoals vroeger zal het nooit meer worden en dat is echt niet alleen maar verlies. Onze tijd van ballingschap en groeiend vreemdelingschap geeft ons de kans om te leven en te denken vanuit de rand. In de Bijbel zien we dat God juist daar werkt – aan de randen van de samenleving. Immers, de ‘heersers van deze eeuw’ hebben Hem niet gekend. Waarom zouden wij er dan van moeten dromen om (opnieuw) zulke heersers te worden? Ik geloof dat God zijn kerk bij uitstek onderwijst in de weg van het kruis.
In het rapport Godsdienstige veranderingen in Nederland van het SCP worden twee trends gesignaleerd, aldus Paas.
Om te beginnen blijkt dat christenen orthodoxer worden. Dat heeft alles te maken met de verwachte verdwijning van vrijzinnige kerken. Maar ook met het opmerkelijke feit dat bij de jongste generatie (geboren na 1988) de ontkerkelijking tot stilstand lijkt te komen. En de christenen die overblijven zijn over het algemeen behoudend en voorzien van charismatische belangstelling. Er wordt belang gehecht aan wonderen, gaven en tekenen.
De tweede conclusie: christenen klonteren steeds meer samen. Paas oordeelt:
Het lijkt erop dat plaatsen van rond de vijftigduizend inwoners de christelijke bolwerken van de toekomst worden. Verklaringen liggen niet ver weg. In zulke plaatsen is het bijvoorbeeld gemakkelijker om christelijk onderwijs in stand te houden. De buurman zal er niet zo snel een boormachine pakken op zondag. Veel winkels blijven gesloten als christenen naar de kerk gaan.
Praise-avonden zijn volgepakt. Het gevolg van deze trend is wel dat buiten de bijbelgordel in de toekomst nog maar heel weinig christenen te vinden zullen zijn. Dit zal het onbegrip voor het christelijk geloof nog groter maken bij massa’s mensen die nooit een christen tegenkomen. Voor christenen die voor werk of studie naar de grote stad moeten, zal het ook moeilijker worden een gemeente te vinden.
Orthodoxe christenen die zo veel mogelijk tegen elkaar aankruipen, ziedaar – ietwat gechargeerd – het beeld van de toekomst. Wat betekent dit? Naar mijn gevoel betekent het dat Nederlandse christenen maar moeilijk afscheid kunnen nemen van een mindset waarin zij de meerderheid vormen in de samenleving. Gettovorming en een gettomentaliteit helpen ons om onszelf zo lang mogelijk sterk en bevoorrecht te blijven voelen. Ik wil daarover niet oordelen; ons verlangen naar veiligheid is heel menselijk. Maar het is een illusie als we denken zo de wereld op een afstand te kunnen houden. Plaatsen als Barneveld, Bunschoten en Barendrecht bieden echter niet méér garantie op kinderen die bij de kerk blijven. Het grote afhaken komt ook daar op gang. Zolang steeds nieuwe gezinnen binnenstromen en er nog veel kinderen worden geboren, kunnen we maskeren dat kerken in zulke plaatsen de bevolkingsgroei niet bijhouden. Immers, op zondag zit de kerk nog vol. Maar veertig jaar geleden was dat overal zo en dat heeft ook niet geholpen. Het is begrijpelijk dat christenen blijven vertrouwen op aantallen en kracht.
Maar het is niet christelijk. Voor een christendom dat echt zout is in de samenleving, is het enorm belangrijk dat christenen zich meer verspreiden over Nederland en in allerlei plaatsen gemeenschappen vormen. Dat hoeft niet perse in een stad te zijn, want ook uit de dorpen trekken christenen weg. Dat het christendom in Nederland orthodoxer wordt, kan een mooie voedingsbodem vormen voor meer missionaire bevlogenheid. Maar dan moeten we wel uit onze kastelen komen.
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zijn het zout der aarde.’ Hij waarschuwde dat het zout niet smakeloos mocht worden. Misschien werkte de positie van het christelijk geloof als machtige meerderheidsreligie die smakeloosheid wel in de hand. Had het christendom nog een eigen smaak, te onderscheiden van de westerse cultuur? Maar juist wanneer we weer een minderheid zijn, kunnen we op smaak komen.
Paas acht dat christenen hun orthodoxie moeten verbinden met een open en onbevreesde houding. Maar dat is op zich niet genoeg, vindt hij. ‘Afscheid nemen van de macht betekent ook dat we opnieuw ingangen moeten vinden in een totaal veranderd religieus klimaat.’ Hij vermoedt dat twee vitale tendensen te zien zullen zijn in de komende tijd. Aan de ene kant zullen traditionele kerken en gemeenten het nog een hele tijd volhouden. ‘Kerken die er in slagen een traditioneel levenspatroon met grote gezinnen te beschermen en te voeden, werken mee aan de toekomst van een vitale christelijke kerk in Nederland. Maar zulke kerken zijn veel minder goed in vernieuwing en het leggen van contact met de seculiere samenleving’, aldus Paas. Daarom is er volgens hem ook een ander centrum van vitaliteit nodig. Hij ziet dat in allerlei kerkvernieuwings- en gemeentestichtingsprojecten. In traditionele bestaande kerken draait het meestal vooral om de vraag: Hoe houden we de mensen binnen. In de andere kerken en gemeenten gaat het veel meer om de vraag: Hoe krijgen we mensen binnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's